) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.9 Fiche 1 Krachtens artikel 420 Wetboek van Strafvordering kan in principe tegen de voorbereidende beslissingen
beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep worden ingesteld na de eindbeslissing
dit is het geval voor tussenbeslissingen die een verzoek verwerpen om een getuige te horen; dat artikel maakt geen onderscheid tussen de vonnisrechters in strafzaken
kan bijgevolg geen onverantwoorde discriminatie inhouden tussen partijen die voor deze rechters verschijnen
beslissingen van onderzoek - Tussenbeslissing die een verzoek tot verhoor van een getuige verwerpt - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 420 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen het in dat artikel bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen, dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord, geen rechtsmiddel kan worden ingesteld
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Ingevolge de bepalingen van de artikelen 281, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering is het niet uitgesloten dat de voorzitter van het hof van assisen tijdens het debat voor dat hof, eventueel op vraag van een partij, beslist om getuigen te verhoren ook wanneer die zijn geweerd uit de lijst van getuigen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering
tegen die beslissing van de voorzitter staat een uitgesteld cassatieberoep open
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING
TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Discretionaire macht van de voorzitter - Artikel 281, § 2 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Hof van assisen - Artikel 306 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen op vordering van de procureur-generaal of verzoek van de beschuldigde of de burgerlijke partij - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING
TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Artikel 306 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen op vordering van de procureur-generaal of verzoek van de beschuldigde of de burgerlijke partij - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 9 Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen op straffe van verval bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen omschrijven
dat de voorzitter hierover uitspraak doet in een afzonderlijk arrest dan dit bedoeld in artikel 278, § 3, waartegen een eis tot cassatie kan worden ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest bedoeld in artikel 359
over de gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering - Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
over de gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering - Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 12 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, in het licht van de artikelen 281, § 2,
306 van dat wetboek, een onderscheid bevat tussen, eensdeels, partijen voor een hof van assisen, die geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting van dat hof te ondervragen of ze te doen ondervragen
, anderdeels, partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken, die wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste of in
ige aanleg gewezen beslissing waarbij de rechter datzelfde verzoek afwijst, zodat aldus de vraag rijst of dit onderscheid verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10
11 Grondwet, stelt het hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°,
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel - Onderscheid met de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 13 - 15 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt
erzijds dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering partijen voor het hof van assisen belet cassatieberoep in te stellen tegen een arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van dat hof dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord
anderzijds dat die partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, daar waar die partijen zich in de beide gevallen in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden omdat betwistingen die het voorwerp uitmaken van zowel het
e als het andere arrest verband kunnen houden met de uitoefening van hun recht van verdediging. zodat aldus de vraag rijst of dit onderscheid verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10
11 Grondwet, stelt het hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°,
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel - Onderscheid met de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de conclusie P.21.0828.N Conclusie van advocaat-generaal A. Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. Eiser 1
eiseres 2 werden op 15 december 2011 door het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, bij verstek veroordeeld, als dader of mededader aan moord op de persoon van M. M., gepleegd te De Haan op 23 mei 1996, tot levenslange opsluiting. Beide eisers werden in november 2019 gearresteerd in Ivoorkust
op 19 februari 2020 uitgeleverd aan België
tekenden alsdan verzet aan tegen hun veroordeling. De nieuwe procedure voor het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, gaf aanleiding tot verschillende arresten, met name: - het arrest nr. 13/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (arrest I). - het arrest nr. 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (arrest II). - het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers (arrest III). - het arrest nr. 13/2021 van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2021, waarbij een deskundige werd aangesteld (arrest IV). - het arrest nr. 14/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 maart 2021 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (arrest V). - het arrest nr. 15/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 17 maart 2021 dat de eisers tot straf veroordeelt (arrest VI). Ingevolge de twee laatste arresten 14/2021
15/2021 van 16 maart 2021
17 maart 2021van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, zetelend te Brugge, werden de eisers opnieuw schuldig bevonden aan de hogervermelde feiten
werden zij respectievelijk veroordeeld tot 30 jaar opsluiting (L.)
tot 24 jaar opsluiting (V. A.). Tegen deze verschillende arresten tekenden de beide betrokkenen telkens cassatieberoep aan, met name de cassatieberoepen I tot
met VI voor eiser 1
de cassatieberoepen VII tot
met XII voor eiseres II. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP. 2. De eiser
de eiseres voeren respectievelijk in een memorie drie
vijf middelen aan
zij doen beiden afstand zonder berusting van hun respectieve cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerlijk gebied. Het is van belang hierbij te onderlijnen dat de cassatieberoepen II
VIII zijn gericht tegen het arrest 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (arrest II). In dit arrest werd de getuigenlijst vastgelegd, waarbij negen getuigen die door eiser 1 waren gevraagd
die door eiser 2 ook als relevant voor haar werden beschouwd, niet werden weerhouden. In de uiteenzetting van hun respectievelijke memories
meer bepaald in het eerste middel van eiser 1
het tweede middel van eiseres 2, wordt de problematiek van de ontvankelijkheid van deze cassatieberoepen aangesneden
besluiten de beide eisers in hoofdorde tot de ontvankelijkheid van hun cassatieberoep 'conform de interpretatie van artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering volgens de geest
de strekking van de parlementaire werkzaamheden
in aansluiting met de hogere norm', in ondergeschikte orde tot 'de buitenwerkinglating van artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering'
in meest ondergeschikte orde tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van een prejudiciële vraag luidend als volgt: "Schendt art. 278, § 4 Sv. de artikelen 10
11 van de Gecoördineerde Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat: tegen het door het hof van assisen uitgesproken afwijzend arrest op het verzoek van de voor het hof van assisen vervolgde persoon overeenkomstig art. 278, § 1
6.1 EVRM, art. 6.3.d EVRM, art. 13 EVRM, art. 2 van het 7 Protocol bij het EVRM, evenals in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, om getuigen op te roepen, te ondervragen of te doen ondervragen, noch een onmiddellijk, noch een uitgesteld cassatieberoep mogelijk is, terwijl tegen een door een andere bodemrechter dan het hof van assisen uitgesproken afwijzend arrest op het verzoek van de vervolgde persoon overeenkomstig art. 6.3.d EVRM, in samenhang gelezen met art. 6.1 EVRM, art. 13 EVRM, art. 2 van het 7de Protocol bij het EVRM, evenals in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, om getuigen op te roepen, te ondervragen of te doen ondervragen, wél een cassatieberoep mogelijk is, én terwijl het belang bij de oproeping
ondervraging ter zitting van getuigen voor een persoon die voor het hof van assisen vervolgd wordt - voor zover de beide categorieën van vervolgde personen niet volledig gelijk maar slechts zeer vergelijkbaar zouden zijn - groter zal zijn om de volgens hem relevante getuigen ter zitting te doen oproepen
te ondervragen of te doen ondervragen”. Het lijkt me dan ook noodzakelijk om eerst de problematiek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen een arrest van de voorzitter van het hof van assisen gewezen in de preliminaire zitting overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering te onderzoeken. 3. De preliminaire zitting van het hof van assisen werd ingevoerd door de wet van 21 december 2009
zonder assessoren, na een debat op tegenspraak
in openbare terechtzitting, een arrest velt houdende de vaststelling van de getuigenlijst. Deze procedure is verankerd in het artikel 278 Wetboek van Strafvordering. Vervolgens werd bij wet van 5 mei 2019
alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen dienen te omschrijven naar aanleiding van de preliminaire zitting. Ook hierover dient de voorzitter uitspraak te doen in een afzonderlijk arrest. Deze procedure is verankerd in het artikel 278bis Wetboek van Strafvordering. De preliminaire zitting geeft dus aanleiding tot twee afzonderlijke arresten, één op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering (§ 3)
één op basis van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering. 4. Essentieel hierbij evenwel is dat de arresten gewezen in de preliminaire zitting onderworpen worden aan een verschillend regime inzake het instellen van rechtsmiddelen. Zo bepaalt artikel 278bis Wetboek van Strafvordering in fine dat het arrest gewezen op basis van dat artikel het voorwerp kan uitmaken van een cassatieberoep dat ingesteld wordt samen met de voorziening tegen het eindarrest. Daarentegen bepaalt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, dat tegen het arrest gewezen op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering, geen rechtsmiddel kan worden ingesteld. Deze laatste bepaling heeft dus uiteraard een impact op de beoordeling van de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II
VIII. 5. De eisers houden voor dat een interpretatie van dat artikel "in de geest
de strekking van de parlementaire werkzaamheden" moet leiden tot het ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep tegen het arrest gewezen op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering. Daarenboven stellen zij dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, behoudens indien het zo zou worden uitgelegd dat een uitgesteld cassatieberoep – dus na het eindarrest – wel degelijk voor hen openstaat, een schending inhoudt van de '"hogere norm"', met name de artikelen 6.1, 6.3.d.
13 EVRM
artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM
aldus buiten toepassing moet worden gelaten. Beide démarches zouden erop neerkomen dat het Hof zelf een wettelijke bepaling houdende het instellen van een rechtsmiddel zou invoeren, daar waar de wet dit rechtsmiddel uitdrukkelijk uitsluit. Een dergelijke bevoegdheid komt het Hof uiteraard niet toe
in zoverre het middel van de eisers uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het dan ook naar recht. Er weze daarenboven opgemerkt dat artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM betrekking heeft op het recht dat eenieder die veroordeeld is voor een strafbaar feit heeft om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. Die bepaling betreft dus het recht om hoger beroep in te stellen tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis
verleent dan ook geen recht op cassatieberoep tegen een in laatste of
ige aanleg gewezen beslissing van een strafgerecht. In zoverre het middel de schending van artikel 2 Zevende Aanvullend protocol EVRM aanvoert is het dan ook niet ontvankelijk. 6. Het verschil in de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen tegen de arresten van de voorzitter in de preliminaire zitting,
meer bepaald de afwezigheid van een rechtsmiddel voor wat betreft het ingevolge artikel 278 Wetboek van Strafvordering uitgesproken arrest, werd in de rechtsleer negatief onthaald. Zo stelt S. VAN OVERBEKE in zijn reeds aangehaalde studie dat "deze optie van de wetgever zonder meer als een anomalie moet beschouwd worden"
dan meer bepaald "hoe een cassatieberoep na de eindbeslissing op redelijke
juridisch verantwoorde wijze kan worden uitgesloten”
vooral dient erop te worden gewezen dat zowel de rechtspraak als de rechtsleer het eens zijn om te stellen dat een arrest uitgesproken door de voorzitter van het hof van assisen bij toepassing van artikel 278 Wetboek van Strafvordering, een arrest alvorens recht te doen is waaraan dus in de regel geen gezag van rechterlijk gewijsde is verbonden
waartegen wel een voorziening in cassatie mogelijk is
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering
het niet-horen ervan, daar waar dit door de beschuldigde werd gevraagd – of de omgekeerde hypothese, nl. het plaatsen op de getuigenlijst
het horen van een getuige waartegen de beschuldigde bezwaar had geopperd – een schending van de rechten van de verdediging
van artikel 6.1.
6.3.d. EVRM zou kunnen uitmaken waarop een cassatieberoep zou worden gebaseerd. Niettemin lijkt de optie om geen – minstens uitgesteld – cassatieberoep mogelijk te maken tegen het arrest nopens de vaststelling van de getuigenlijst bijzonder onlogisch
betwistbaar, zeker wanneer men de rechtspraak van het EVRM
van het Hof van Cassatie met betrekking tot de voorwaarden om getuigen niet ter zitting te horen in ogenschouw neemt. De problematiek van het horen van getuigen ter zitting is onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van de rechten van de verdediging
deze vaststelling wint mijns inziens nog meer aan het belang in het kader van een procedure die gevoerd wordt voor een hof van assisen, waarin het horen van getuigen centraal
cruciaal is, vooral gelet op de omstandigheid dat er in eerste
laatste aanleg uitspraak wordt gedaan
dat niets belet dat een partij tijdens die rechtszitting aanvoert dat het horen van die getuige een onregelmatigheid inhoudt
dat het hof van assisen daarover beslist. Deze overweging houdt minstens impliciet in dat het hof van assisen niet gebonden zou zijn door het arrest van de preliminaire zitting. Op die manier zou het ontbreken van een cassatieberoep tegen het arrest van de preliminaire zitting uiteraard kunnen worden ondervangen, aangezien er wel een uitgesteld cassatieberoep mogelijk zou zijn tegen het tussenarrest van het hof van assisen hierover. Dit lijkt ook het standpunt te zijn van S. VAN OVERBEKE
dus niet opnemen op de getuigenlijst van een bepaalde persoon. Tijdens het debat ten gronde werd opnieuw gevraagd die persoon als getuige te horen, hetgeen het hof van assisen weigerde
waartegen cassatieberoep werd aangetekend. Het Hof verwerpt het cassatieberoep
stelt dat na een beslissing van de voorzitter op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering, het hof van assisen bij de latere debatten niet opnieuw kan beslissen over hetzelfde verzoek, nu de beslissing van de voorzitter in de preliminaire zitting niet vatbaar is voor een rechtsmiddel
voegt eraan toe dat noch artikel 6.1 noch artikel 6.3.d EVRM het tegengestelde zouden vereisen. R. VERSTRAETEN analyseert dan de mogelijke rechtsgrond om het opnieuw in vraag stellen van de beslissing van de voorzitter op basis van artikel 278 Wetboek van Strafvordering uit te sluiten
komt tot de conclusie dat de beslissing die genomen werd door de voorzitter op basis van dat artikel het geschilpunt, na een tegensprekelijk debat, heeft beslecht, waardoor ook zijn rechtsmacht is uitgeput
waarbij het irrelevant is dat de beslissing werd genomen door de voorzitter in de preliminaire zitting, terwijl het nadien gaat om beslissingen genomen door het hof van assisen. Het lijkt dan ook logisch dat tegen een beslissing waardoor de rechtsmacht wordt uitgeput een rechtsmiddel zou moeten openstaan. Maar alleszins lijkt er dus ogenschijnlijk een zekere contradictie te kunnen bestaan tussen het arrest van 27 mei 2020
dat van 22 september
à décharge te verzamelen. Hij leidt de debatten op een objectieve
onpartijdige wijze. De voorzitter bezit een discretionaire macht, krachtens welke hij alles vermag te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden; de wet schrijft hem voor naar eer
geweten al zijn krachten in te spannen om de waarheid aan het licht te brengen. De voorzitter kan in de loop van de debatten alle personen oproepen, zelfs bij bevel tot medebrenging,
hen verhoren, of zich alle nieuwe stukken doen brengen, die, volgens de nadere gegevens ter terechtzitting verstrekt door de beschuldigden of door de getuigen, naar zijn oordeel op het betwiste feit meer licht kunnen werpen. (…)”. In die optiek dient eveneens verwezen te worden naar artikel 306 Wetboek van Strafvordering dat stelt: “In de loop van de debatten kan de procureur-generaal vorderen
de beschuldigde of de burgerlijke partij kunnen verzoeken dat getuigen, die niet zijn vermeld in het arrest bedoeld in artikel 278, worden gedagvaard. De voorzitter laat het verhoor van deze getuigen toe wanneer dit noodzakelijk lijkt in het licht van elementen die zijn opgedoken tijdens de debatten”
beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep worden ingesteld na de eindbeslissing. Dit is het geval voor tussenbeslissingen die een verzoek verwerpen om een getuige te horen. Dat artikel maakt geen onderscheid tussen de vonnisrechters in strafzaken
kan bijgevolg geen onverantwoorde discriminatie inhouden tussen partijen die voor deze rechters verschijnen. Daarenboven moet ook worden aangestipt dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering niet
kel betrekking op vervolgde personen, maar op alle partijen voor het hof van assisen. Het komt me dan ook voor dat de overeenstemming van artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering met de artikelen 10
11 Grondwet dient te worden beoordeeld in het licht van al deze geciteerde bepalingen. 14. Derhalve blijft de vraag of artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, in het licht van de artikelen 281, § 2,
306 van dat wetboek, een redelijk niet te verantwoorden onderscheid bevat tussen, eensdeels, partijen voor een hof van assisen, die geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting van dat hof te ondervragen of ze te doen ondervragen
, anderdeels, partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken, die wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste of in
ige aanleg gewezen beslissing waarbij de rechter datzelfde verzoek afwijst. Indien het antwoord op de eerste vraag negatief is, rijst dan de vraag of artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering een niet redelijk te verantwoorden onderscheid creëert tussen partijen voor het hof van assisen doordat het die partijen belet cassatieberoep in te stellen tegen een arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van dat hof dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord, terwijl die partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, daar waar die partijen zich in de beide gevallen in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden omdat betwistingen die het voorwerp uitmaken van zowel het
e als het andere arrest verband kunnen houden met de uitoefening van hun recht van verdediging. III. CONCLUSIE. 15. In die omstandigheden ben ik dan ook de mening toegedaan dat er grond is om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,
, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof de hierna bepaalde vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt art. 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10
11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d
13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste aanleg gewezen tussenbeslissing waarbij de rechter een dergelijk verzoek afwijst”. 16. Indien het antwoord op die vraag negatief is, dringt mijns inziens ook de volgende vraag zich op: “Schendt art. 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10
11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d
13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl diezelfde partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel een uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen dat uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die de partijen overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering voor de feitenrechter kunnen opwerpen”. _____________________________
P. HARTOCH; "Hof van assisen: wraking
preliminaire zitting", noot onder Cass. 9 april 2013, T. Strafr., 2013/6, inz. 379-382.
inzake erediensten,
tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie
van het Sociaal Strafwetboek, BS 24 mei 2019; R. VERSTRAETEN, "De preliminaire zitting van het hof van assisen na de wet van 5 mei 2019: één zitting, twee arresten, geen hoger beroep, hoeveel cassatieberoepen?", NC 2021/3, 213-225.
de invoering van artikel 278bis Sv.
P. HARTOCH; "Hof van assisen: wraking
preliminaire zitting"; R. VERSTRAETEN, o.c., 219-220
223; S. VAN OVERBEKE, o.c., 982.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.