← België

Procureur des Konings Kortrijk contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 september 202

Artikel 3

, eerste lid - Doelstelling - Bescherming van de bevolking - Ramp of noodlottige situatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Art. 3, eerste lid - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiche 2 Artikel 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bepaalt dat de weigering of het verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van de artikelen 181, § 1, en 182 zijn bevolen, in vredestijd wordt gestraft met de in die bepaling gestelde straffen; een bestraffing bij toepassing van artikel 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid vereist dan ook dat er een inbreuk werd gepleegd op een maatregel die werd en kon worden bevolen op grond van de artikelen 181, § 1, en 182 van die wet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden:

Strafbepalingen - Artikel 187, eerste lid - Weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van de artikelen 181, § 1, en 182 zijn bevolen - Vereiste voor de bestraffing - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 181, § 1, 182 en 187, eerste lid - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiches 3 - 4 De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid; die bevoegdheid kan door de minister worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de Civiele Veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen; een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de coronapandemie, dient te worden beschouwd als een ramp of noodlottige situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid, die in voorkomend geval kan leiden tot een voor personen bedreigende situatie waardoor het uitvaardigen van de in artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bedoelde maatregelen gewettigd kan zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden:

Artikel 11

, § 1 - Algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid - Bevoegdheid van de minister - Draagwijdte - Coronapandemie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 11, § 1, en 182, eerste lid - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden:

Artikel 182

, eerste lid - Bevoegdheid van de minister - Dreigende omstandigheden - Draagwijdte - Coronapandemie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid - 15-05-2007 - Artt. 11, § 1, en 182, eerste lid - 61 ELI link Pub nr 2007000663 Fiches 5 - 7 Het verbod tot samenscholingen en het verbod om zich onnodig op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, zoals omschreven in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020, beogen de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden; die maatregelen strekken er dan ook toe te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid zodat deze bepaling een rechtsgrond biedt voor het in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020 bepaalde samenscholings- en verplaatsingsverbod

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: Ministerieel besluit van 23 maart 2020 - Artikel 5 - Verbod tot samenscholingen - Doelstelling - Rechtsgrond - Artikel 182

Bedreiging - Verspreiding van het coronavirus COVID-19 - Gevolg Wettelijke bepalingen: MB 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 23-03-2020 - Artt. 5 en 8 - 01 ELI link Pub nr 2020030347 Vrije woorden: Ministerieel besluit van 23 maart 2020 - Artikel 8 - Verbod om zich onnodig op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden - Doelstelling - Rechtsgrond - Artikel 182

Bedreiging - Verspreiding van het coronavirus COVID-19 - Gevolg Wettelijke bepalingen: MB 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 23-03-2020 - Artt. 5 en 8 - 01 ELI link Pub nr 2020030347 Vrije woorden:

Artikel 182

- Bedreiging - Verspreiding van het coronavirus COVID-19 - Ministerieel besluit van 23 maart 2020 - Samenscholings en verplaatsingsverbod - Rechtsgrond - Gevolg Wettelijke bepalingen: MB 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - 23-03-2020 - Artt. 5 en 8 - 01 ELI link Pub nr 2020030347 Tekst van de conclusie P.21.1129.N Conclusie van advocaat-generaal A. WINANTS: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, zetelend in correctionele zaken, van 2 juli 2021 (nr. 1242/2021). I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. Verweerder in cassatie werd vervolgd uit hoofde van de telastleggingen van, te Waregem op 6 april 2020,

  1. a)behoudens de uitzonderingen omschreven in artikel 5, lid 2 van het Ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID - 19 te beperken, het verbod op samenscholingen niet te hebben nageleefd (art. 5, lid 1, 1° en 2°, en 10, § 1 MB 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken; art. 182 en 187, lid 1 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid). De beklaagde bevond zich in een loods waar ze met 4 man aanwezig waren.
  2. b)behoudens de uitzonderingen omschreven in artikel 8 van het Ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, de verplichting thuis te blijven en/of het verbod om zich op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, niet te hebben nageleefd (art. 8 en 10, § 1 MB 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COV1D-19 te beperken; art. 182 en 187, lid 1 Wet 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid). De beklaagde begaf zich naar een loods waar hij met anderen aan het drinken was, zonder essentiële reden. 2. Verweerder in cassatie werd door de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, bij vonnis van 18 december 2020 voor de samengevoegde telastleggingen A en B veroordeeld tot een geldboete van 125,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 1000,00 EUR, de boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een rijverbod van 60 dagen, tot het betalen van een bijdrage van de som van 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 204,00 EUR ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, tot het betalen van een bijdrage van 24,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, tot de kosten van het geding en tot de vaste vergoeding van 50,00 EUR. Tegen dit vonnis werd op 30 december 2020 hoger beroep aangetekend zowel door de beklaagde, thans verweerder in cassatie, als door het openbaar ministerie, thans eiser in cassatie. 3. Bij vonnis van 2 juli 2021 oordeelde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk dat de strafvordering bij gebrek aan wettelijke basis voor de bestraffing niet ontvankelijk was. Het cassatieberoep is gericht tegen dit vonnis. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP. 4. De motivering van de correctionele rechtbank om tot haar beslissing te komen luidt als volgt: "Aangezien de SARS-CoV-2 pandemie niet binnen het toepassingsgebied valt van de wet civiele veiligheid en de maatregelen vervat in het ministerieel besluit van 23 maart 2020 hoe dan ook niet kunnen geënt worden op de bevoegdheden die in artikel 182 wet civiele veiligheid aan de minister worden toegekend, kan de overtreding van die maatregelen niet worden bestraft overeenkomstig artikel 187 wet civiele veiligheid. Bij gebrek aan een wettelijke basis voor bestraffing, is de strafvordering niet ontvankelijk". 5. Het enig middel van de eiser

(1)voert de schending aan van de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 182 en 187 van de Wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele Veiligheid De eiser stelt met name dat de appelrechters, door te oordelen dat er geen wettelijke basis is voor de bestraffing van inbreuken op het verbod tot samenscholingen en het verbod om zich onnodig op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, omschreven in de artikelen 5 en 8 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, zoals het hier van toepassing is
(2), hun beslissing niet naar recht verantwoorden. De coronapandemie moet inderdaad volgens eiser worden beschouwd als een voor de civiele veiligheid bedreigende omstandigheid waardoor de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken maatregelen kan uitvaardigen in de zin van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid, waarbij de weigering of het verzuim zich te gedragen naar die maatregelen strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 187 van diezelfde wet. Het samenscholingsverbod (art. 5, lid 1, 1° en 2°, en 10, § 1 MB 23 maart 2020) en het verbod van niet-essentiële verplaatsingen (art. 8 en 10, § 1 MB 23 maart 2020) zijn derhalve volgens eiser wel degelijk te beschouwen als maatregelen zoals bedoeld in de artikelen 182 en 187 Wet Civiele Veiligheid.
  1. Voor een goed begrip van de hiernavolgende uiteenzetting geef ik hier de tekst weer van de artikelen van de Wet Civiele Veiligheid van 15 mei 2007 die ter sprake zullen komen. Artikel 181, § 1, luidt als volgt: "De minister of zijn afgevaardigde kan, bij interventies in het kader van de opdrachten vermeld in artikel 11, in afwezigheid van beschikbare openbare diensten en bij gebrek aan voldoende middelen, de personen en zaken die hij nodig acht, opvorderen". Artikel 182 luidt als volgt: "De minister of zijn gemachtigde kan in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn, en degenen die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. Dezelfde bevoegdheid wordt toegekend aan de burgemeester". Artikel 187 stelt: "Weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikelen 181, § 1, en 182 zijn bevolen, wordt in vredestijd gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden, en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen. In oorlogstijd of in daarmede gelijkgestelde perioden wordt weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikel 185 zijn bevolen gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot zes maanden en met geldboete van vijfhonderd euro tot duizend euro, of met één van de straffen alleen. De minister of, in voorkomend geval, de burgemeester of de zonecommandant, kan bovendien de genoemde maatregelen ambtshalve doen uitvoeren, op kosten van de weerspannige of in gebreke gebleven personen".
  2. Het komt me voor dat de redenering van de appelrechters op twee niveaus wordt gevoerd, namelijk a) meer algemeen door te stellen dat de Wet Civiele Veiligheid niet kan dienen als wettelijke basis voor het MB van 23 maart 2020 omdat de coronapandemie niet onder deze wet valt en b) meer in het bijzonder dat zelfs indien de coronapandemie onder de Wet Civiele Veiligheid kan ressorteren, het samenscholings- en het verplaatsingsverbod niet te beschouwen zijn als "maatregelen" in de zin van artikel 182 van die wet. De centrale vraag is met andere woorden of de corona-MB's, in casu dat van 23 maart 2020 en het erin opgenomen samenscholings- en verplaatsingsverbod kan worden gekaderd in de Wet Civiele Veiligheid in het algemeen en geënt kan worden op artikel 182 van die wet in het bijzonder, waardoor de strafsancties van artikel 187 van die wet mogelijk worden. Daarbij dient bovendien te worden opgemerkt dat de strafsancties die in het MB van 23 maart 2020 zijn bepaald als enige grondslag het artikel 187 van de Wet Civiele Veiligheid hebben
(3). In die optiek komt het mij dan ook als irrelevant voor dat, zoals uiteengezet in de memorie van eiser, nagegaan wordt of er desgevallend andere wettelijke bepalingen zouden zijn waarop de verbods- en gebodsbepalingen van het MB van 23 maart 2020 kunnen worden gegrond, zoals bv. artikel 4 van de Wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming
(4), de artikelen 4 en 11 van de Wet Politieambt
(5), het Koninklijk Besluit tot vaststelling van het noodplan voor de crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen
(6)of nog artikel 191 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
(7). De vraag is dus niet of er een wettelijke grondslag bestaat voor het MB van 23 maart 2020, maar wel of artikel 182 Wet Civiele Veiligheid dé wettelijke grondslag daarvoor biedt, aangezien het enkel op basis van die bepaling is dat de overtreding van het MB van 23 maart 2020 bij toepassing van artikel 187 Wet Civiele Veiligheid kan worden strafbaar gesteld
(8). 8. De in het MB van 23 maart 2020 bepaalde maatregelen houden verregaande beperkingen in aan de grondrechten en meer bepaald het recht om zich vrij te bewegen. Gelet op deze aantasting van de fundamentele rechten en vrijheden is het evident dat de wet waarop deze maatregelen gebaseerd zou kunnen worden restrictief dient te worden geïnterpreteerd, maar de vraag is of deze restrictieve interpretatie zo ver dient te gaan als door de appelrechters gesteld in hun vonnis (p. 5, nr. 3) en moet leiden tot de conclusie dat artikel 182 Wet Civiele Veiligheid geen wettelijke basis kan bieden voor de bewuste maatregelen. Ik meen dat dit standpunt niet kan worden bijgetreden. De redenering van de appelrechters gaat ervan uit dat de ministeriële bevoegdheid bepaald in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid geen autonome bevoegdheid inhoudt maar "een louter middel om de opdrachten van operationele diensten van de civiele veiligheid te kunnen uitvoeren" en bindt die ministeriële machtiging aan het bepaalde in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid waarin die opdrachten worden opgesomd. Uiteraard is het geen autonome bevoegdheid in de zin dat een MB op grond van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid binnen deze wet moet kunnen gekaderd worden, maar het gaat mijns inziens niet op om artikel 182 Wet Civiele Veiligheid te beperken tot de uitvoering/ondersteuning van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals in artikel 11, § 1 gesteld. Met die operationele diensten worden de brandweer- en reddingsposten en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming bedoeld (art. 2, § 1, 1°) en dus niet de minister. Daarenboven verwijst artikel 182 niet naar dat artikel 11, § 1 en vindt deze beperking ook geen steun in de tekst zelf van dit artikel noch in de parlementaire voorbereiding van de Wet Civiele Veiligheid
(9). Mocht dit de bedoeling geweest zijn dan lijkt het mij dat de wetgever dit uitdrukkelijk als dusdanig diende te vermelden, zoals hij dat trouwens wél heeft gedaan in artikel 181 Wet Civiele Veiligheid
(10). Ik ben derhalve de mening toegedaan dat artikel 182 Wet Civiele Veiligheid niet onlosmakelijk dient te worden gekoppeld aan artikel 11, § 1 van dezelfde wet
(11). 9. Dit gezegd zijnde is het natuurlijk wel zo dat een MB ex artikel 182 Wet Civiele Veiligheid slechts mogelijk is wanneer er een toestand bestaat die binnen de toepassingssfeer van die wet valt. Het probleem hierbij is evenwel dat de wet van 15 mei 2007 op de Civiele Veiligheid en de parlementaire voorbereiding ervan vrij lacunair en onduidelijk zijn over wat er precies dient te worden begrepen onder 'civiele veiligheid". Er weze aan herinnerd dat deze wet tot stand is gekomen in de nasleep van de gasexplosie in Ghislenghien op 30 juli 2004, zodat incidenten van die aard of kernrampen of grote overstromingen hier ongetwijfeld onder zullen vallen, maar voor het overige zijn er weinig tot geen aanwijzingen te vinden over de aard van de gebeurtenissen die binnen deze wet kunnen worden gekaderd. Hierbij kan trouwens worden opgemerkt dat ook in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming
(12)de gehanteerde begrippen van "rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen" niet nader worden gepreciseerd en dat blijkbaar niet de aard van de ramp centraal stond maar wel de bedreiging die eruit voortvloeide voor de bevolking. Artikel 1 van deze wet stelt namelijk dat zij ertoe strekt "de bescherming en het voortbestaan van de bevolking te verzekeren". Ook in de wet van 15 mei 2007 ligt de focus niet zozeer op de aard van de rampen die de bevolking in gevaar brengen - het artikel 182 spreekt enkel nog van "dreigende omstandigheden" - maar op de noodzaak om "te allen tijde personen en hun goederen en leefomgeving ter hulp te komen en te beschermen" (art. 3).
  1. Ik meen dat op grond van de parlementaire voorbereiding van de wetten van 31 december 1963 en 15 mei 2007 kan worden gesteld dat niet de aard van de rampen centraal staat in die wetgevingen maar wel de omstandigheid dat de bevolking door de ramp/bedreiging ernstig in gevaar zou gebracht worden en de noodzaak om de nodige bescherming ervan te voorzien. Ik verwijs hier ook naar een arrest van de Raad van State nr. 248.818 van 30 oktober 2020 waarin het volgende wordt gesteld: “De “civiele bescherming” beoogt niet alleen de bescherming en het voortleven van de bevolking, evenals de vrijwaring van ’s Lands patrimonium in oorlogstijd te verzekeren doch eveneens hulp en bijstand te verlenen in vredestijd in geval van rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen zoals branden, overstromingen en andere dergelijke rampen (Parl. St., Senaat, 1961-1962, 338, 2). Onder dergelijke catastrofen lijken ook besmettingen met een levend virus te kunnen worden begrepen, zoals te dezen de besmetting met SARS-CoV-2 die leidt tot COVID-
  2. Dat ook besmettingen met een levensbedreigend virus door de noodplanning worden gevat, lijkt ook steun te vinden in het koninklijk besluit van 31 januari 2003 dat, zoals hiervoor is gebleken, in zijn aanhef verwijst naar diverse crisissituaties waaronder besmettelijke ziekten”. Dit standpunt werd inmiddels bevestigd in de arresten nr. 248.919 en 249.904 van respectievelijk 30 oktober 2020 en 24 februari
  3. In een arrest 249.400 van 31 december 2020 zegt de Raad van State zelfs uitdrukkelijk dat de inbreuken op het MB van 23 maart 2020 strafbaar zijn op grond van artikel 187 Wet Civiele Veiligheid.
  4. Inmiddels kwam de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie tot stand
(13), maar wat dit betreft wens ik toch de redenering van de appelrechters, uiteengezet in hun vonnis op pagina 6, nr. 3, ernstig in twijfel te trekken. Het komt me voor dat ze uit de totstandkoming van deze wet een a contrario argument putten naar de toepasselijkheid van de wet van 15 mei 2007 en het op artikel 182 van die wet gebaseerde MB van 30 maart
  1. Vanaf het ogenblik dat er een bijzondere wet bestaat die epidemische situaties betreft is er uiteraard geen aanleiding meer om de wet van 15 mei 2007 toe te passen, maar dit impliceert geenszins dat deze wet niet kon worden toegepast op epidemieën vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zoals de appelrechters lijken te suggereren.
  2. Artikel 14 Grondwet bepaalt dat geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Artikel 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid bepaalt dat de weigering of het verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van de artikelen 181, § 1, en 182 zijn bevolen, in vredestijd wordt gestraft met de in die bepaling gestelde straffen. Een bestraffing bij toepassing van artikel 187, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid vereist dan ook dat er een inbreuk werd gepleegd op een maatregel die werd en kon worden bevolen op grond van de artikelen 181, § 1, en 182 van die wet. Volgens artikel 3, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid, omvat de civiele veiligheid alle civiele maatregelen en middelen nodig voor het volbrengen van de opdrachten vermeld in die wet om te allen tijde personen en hun goederen en leefomgeving ter hulp te komen en te beschermen. De wet Civiele Veiligheid beoogt dan ook mijns inziens deze bescherming te kunnen bieden en dit ongeacht de aard van de rampspoed, noodlottige situatie of bedreiging.
  3. De bevoegdheid van de minister om in geval van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, op grond van artikel 182, eerste lid, Wet Civiele Veiligheid te verplichten zich te verwijderen van plaatsen of streken die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn en iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking te verbieden, strekt niet louter tot uitvoering van de algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zoals bedoeld in artikel 11, § 1, Wet Civiele Veiligheid. Die bevoegdheid kan door de minister ook worden uitgeoefend wanneer het ingevolge een noodlottige gebeurtenis of situatie ter bescherming van de civiele veiligheid van de burgers noodzakelijk is om hen te verwijderen van plaatsen waar hun gezondheid en veiligheid dreigt te worden aangetast of om hen te verbieden zich te verplaatsen. Ik ben derhalve van mening dat een epidemische of pandemische noodsituatie met een potentieel levensbedreigend effect voor de hele bevolking, zoals de corona-pandemie, dient te worden beschouwd als een ramp of noodlottige gebeurtenis die desgevallend kan leiden tot een voor personen bedreigende situatie in de zin van de Wet Civiele Veiligheid,
  4. Vanaf het ogenblik dat gesteld wordt dat de coronapandemie wel degelijk ressorteert onder de Wet Civiele Veiligheid rest nog de vraag of de specifieke maatregelen houdende het verbod op samenscholingen en het verbod op verplaatsingen, zoals ze zijn bepaald in het MB van 23 maart 2020 (artt. 5, 8 en 10), maatregelen zijn die op basis van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid kunnen worden genomen. Het lijkt me hier nuttig te verwijzen naar de aanhef van het MB van 23 maart 2020 waarin specifiek de artikelen 181, 182 en 187 van de Wet Civiele Veiligheid worden vermeld en waarin een aantal van belang zijnde gegevens en overwegingen zijn opgenomen. Eerst en vooral wordt gewezen op de bevindingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) met betrekking tot het coronavirus COVID-19 en meer in het bijzonder: de besmettelijkheid ervan en het sterfterisico, het bereiken van de pandemische grens, het op 11 maart 2020 kwalificeren ervan als een pandemie, het uitroepen op 16 maart 2020 van het hoogste dreigingsniveau van COVID-19, de snelle wereldwijde verspreiding ervan en het risico op een destabilisering van de wereldeconomie. Uit dit alles volgt een onontbeerlijke noodzaak om de nodige maatregelen zeer snel en zonder verwijl te nemen.
  5. Vervolgens wordt de impact van het coronavirus COVID-19 op Europees grondgebied en in België in ogenschouw genomen, waarbij de vaststelling zich opdringt dat de reeds genomen maatregelen de exponentiële evolutie van het aantal besmettingen niet voldoende hebben kunnen indijken, waardoor de bezettingsgraad van de ziekenhuizen, in het bijzonder van de diensten van de intensieve zorg, kritiek wordt. Er wordt met name gesteld dat deze omstandigheden, de urgentie en het risico voor de volksgezondheid die het coronavirus COVID-19 met zich meebrengt voor de Belgische bevolking - temeer dat het een infectieziekte betreft die meestal de longen en luchtwegen treft, waarbij het virus zich via de lucht lijkt over te dragen van mens op mens door emissies via de mond en de neus- impliceren dat bijeenkomsten in besloten of overdekte plaatsen, maar ook in open lucht, een specifieke bedreiging vormen voor de volksgezondheid.
  6. Rekening houdende met het feit dat de bedreiging zich uitstrekt over het gehele nationale grondgebied en er dus nood is aan coherentie bij het nemen van de maatregelen teneinde een maximale efficiëntie te bereiken, gelet op het aantal besmettingsgevallen en tevens het aantal sedert 13 maart 2020 geregistreerde sterfgevallen in ogenschouw nemend, komt het mij evident voor dat er op dat ogenblik een dwingende noodzaak bestaat om, teneinde de verspreiding van het virus te vertragen en te beperken, onmiddellijk over te gaan tot het opleggen van de voor de volksgezondheid onontbeerlijke maatregelen. Een samenscholingsverbod wordt daarenboven als proportioneel beschouwd, omdat het van aard is om, enerzijds, het aantal acute besmettingen te verminderen en er bijgevolg voor te zorgen dat de diensten van de intensieve zorg de zwaarst getroffen patiënten in de beste omstandigheden kunnen ontvangen, en om, anderzijds, meer tijd te geven aan de wetenschappers om efficiënte behandelingen en vaccins te ontwikkelen.
  7. Gelet op alle hierboven uiteengezette redenen, gegevens en overwegingen, komt het mij voor dat het verbod tot samenscholingen en het verbod om zich onnodig op de openbare weg en in openbare plaatsen te bevinden, zoals omschreven in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020, de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 beogen te verhinderen door het contact tussen de personen tot een minimum te beperken teneinde aldus het besmettingsrisico te herleiden. Het gaat aldus om maatregelen die ertoe strekken te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte waardoor deze een bedreiging zou vormen zoals bedoeld in artikel 182 Wet Civiele Veiligheid. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat de bepaling van artikel 182 Wet Civiele Veiligheid een rechtsgrond biedt voor het in de artikelen 5 en 8 MB 23 maart 2020 bepaalde samenscholings- en verplaatsingsverbod. III. CONCLUSIE.
  8. Het middel is dan ook in zoverre gegrond. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden en ik concludeer dan ook tot een vernietiging van het bestreden vonnis, behoudens voor zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart, met verwijzing. _______________________________
(1)Hierbij dient te worden opgemerkt dat eiser in de memorie blijkbaar verkeerdelijk spreekt van een "eerste onderdeel", aangezien er slechts één enkele grief wordt uiteengezet.
(2)Het MB van 23 maart 2020 werd inmiddels immers opgeheven bij art. 25 MB van 30/06/2020 (BS 30/06/2020, ed. 2, p. 48715).
(3)D. TATTI, " Des “(a)normalités” en temps de COVID-19: quelles mutations en matière pénale ? Réflexions critiques à propos des normes fédérales et régionales bruxelloises”, RDP 2021, (761-789), (764-765). De corona-problematiek heeft aanleiding gegeven tot een aantal bijdragen in de rechtsleer: J. ROZIE; "Hoe coronaproof is het bijzonder strafrecht?", NC 2020, 219-235; P. POPELIER, "De rol van de Raad van State in het crisisbeheer: een kwestie van legitimiteit en expertise", RW 2020-2021, 1322-1341; P. POPELIER, "Crisisbeheer per ministerieel besluit", TVW 2020, 282-291; P. POPELIER, "Wachten op een coronawet", RW 2020-2021, 682; F. KUTY, "Les implications pénales de la sécurité civile – Les infractions à la réglementation tendant à limiter la propagation du virus Covid-19" JT 2020, 296-298 en 298-321. Er zijn ook een aantal analyses van sommige beslissingen in de rechtspraak: C. VAN DYCK, "Voorlopige analyse van de rechtspraak inzake corona-maatregelen", T.Pol 2021/3, 111; H.D. BOSLY en V. BOSLY, "Résumés de quelques décisions judiciaires inédites concernant la législation anti-COVID 19", RDP 2021,793-795.
(4)BS 16 januari 1964.
(5)BS 22 november 1992.
(6)BS 31 januari 2003.
(7)Zie memorie van de eiser p. 8 in fine.
(8)Zie ook de diverse bepalingen aangehaald in de aanhef van het MB van 23 maart 2020, BS 23 maart 2020.
(9)Parl St. Kamer, 2006-2007, DOC 51 2928/001 e.v.
(10)Dit artikel stelt met name: "De minister of zijn afgevaardigde kan, bij interventies in het kader van de opdrachten vermeld in artikel 11, in afwezigheid van beschikbare openbare diensten en bij gebrek aan voldoende middelen, de personen en zaken die hij nodig acht, opvorderen..".
(11)Zie evenwel L. KENNES en M. PREUMONT, “La responsabilité pénale et la pandémie”, in La pandémie de Covid-19 face au droit, Limal, Anthemis 2020, (229-254), 240.
(12)BS 16 januari 1964.
(13)BS 20 augustus 2021. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210928.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.