id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210928.2N.4 Rolnummer: P.21.0654.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-10-19 Raadplegingen: 705 - laatst gezien 2026-06-18 17:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.4 Fiches 1 - 5 Een burgerlijke partij heeft geen belang om te eisen dat haar burgerlijke rechtsvordering wordt beoordeeld door het gewone vonnisgerecht na een gebeurlijke uithandengeving van de minderjarige en niet door de jeugdrechtbank; de beslissing over de uithandengeving heeft immers geen nadelig effect voor de beoordeling van die burgerlijke rechtsvordering; voor beide gerechten kan een burgerlijke partij alle argumenten aanvoeren tot staving van haar rechtsvordering die enkel strekt tot het herstel van de door haar geleden schade; de onmogelijkheid voor een burgerlijke partij om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de weigering om een minderjarige uit handen te geven zodat over de burgerlijke rechtsvordering wordt beslist door de jeugdrechtbank, tast het recht van de burgerlijke partij van toegang tot de rechter of haar recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals gewaarborgd door de artikelen 6.1 en 13 EVRM, niet aan
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige niet uit handen te geven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 57bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Jeugdrechtbank - Beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige niet uit handen te geven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 57bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: Beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige niet uit handen te geven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Arrest van de jeugdkamer dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart - Toelaatbaarheid van het cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 57bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige niet uit handen te geven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 57bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Beslissing van de jeugdrechtbank om een minderjarige niet uit handen te geven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 57bis - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 3, p. 149-156. - VASSEUR, Roeland; Noot'Burgerlijke partij kan geen hoger beroep aantekenen tegen een beslissing tot niet-uithandengeving van een minderjarige delictpleger' Tekst van de conclusie P.21.0654.N Advocaat-Generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “Het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een beslissing de jeugdrechtbank om minderjarige niet uit handen te geven” 1. De jeugdrechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, heeft de vordering tot uithandengeving van de burgerlijke partijen niet-ontvankelijk verklaard, bij gebrek aan een vordering in die zin van het openbaar ministerie. Aan de minderjarige ten tijde van de feiten (eerste verweerder) werden bij vonnis maatregelen opgelegd, zoals het volgen van een therapie en een prestatie van opvoedkundige aard van 200 uren, naar aanleiding van feiten van verkrachting van een minderjarige (A), aanrandingen van de eerbaarheid van minderjarigen (B1-B4) en opzettelijke slagen aan een minderjarige (C). De afhandeling van de burgerlijke belangen werd naar een latere datum verschoven. 2. De burgerlijke partijen stelden hoger beroep in en hebben grieven aangevoerd over ‘procedure’ en ‘straf en/of maatregel’. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep onontvankelijk om reden dat 1° de burgerlijke partij alleen hoger beroep kan instellen over de burgerlijke belangen en 2° de strafvordering bij gebrek aan hoger beroep van het openbaar ministerie niet aanhangig is. 3. Uit de stukken blijkt dat de cassatieberoepen werden betekend aan het nieuwe adres van verweerders 1, 2 en 3 (in Liedekerke), en de memorie is betekend op hun vorige adres (in Ninove). De memorie van eiseres is bijgevolg niet-ontvankelijk, wat betreft verweerders 1, 2 en 3. 4. Mij komt voor dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan rechtsmacht van de appelrechter over de burgerlijke vordering en bij gebrek aan belang. Vooreerst was de jeugdkamer niet gevat met de burgerlijke rechtsvordering, bij gebrek aan een grief over de burgerlijke rechtsvordering. Het ontbreken van een grief ‘burgerlijke rechtsvordering’ laat de appelrechter immers niet toe standpunt over de burgerlijke belangen in te nemen
(1). De afhandeling van de burgerlijke belangen was nog aanhangig bij de eerste rechter. Een bijkomend aspect is dat volgens artikel 202, 2° Wetboek van Strafvordering, toepasselijk in zaken met minderjarige verdachten wegens artikel 62 Jeugdbeschermingswet, de burgerlijke partij alleen wat haar burgerlijke belangen betreft hoger beroep kan instellen in strafzaken. De strafvordering was in deze zaak niet aan de jeugdkamer voorgelegd, bij gebrek aan een hoger beroep van het openbaar ministerie. Het subjectieve belang van een burgerlijke partij om de vernietiging van een beslissing op strafgebied te verkrijgen, zoals de hoop op een zware bestraffing, volstaat niet om haar een rechtsmiddel toe te kennen, in geval de verdachte niet is vrijgesproken
(2). 5. Verder lijkt mij de burgerlijke partij geen belang te hebben bij een hoger beroep tegen een beslissing waarbij er geen uithandengeving is bevolen. De uithandengeving is een aspect van de strafvordering, dat te maken heeft met de bevoegdheid van de vonnisrechter. Bij het oordeel over de uithandengeving komt de schuldvraag niet aan bod
(3). Het gaat er enkel om te weten of de jeugdrechtbank uitspraak moet doen over de strafvordering, dan wel een strafrechter (zijnde de kamer van uithandengeving bij een wanbedrijf of gecorrectionaliseerde misdaad of het hof van assisen bij een misdaad die niet in aanmerking komt voor correctionalisering, artikel 57bis, § 1 Jeugdbeschermingswet, gewijzigd door art. 7 Decr. 24 september 2019, BS 1 oktober 2019 en (toekomstig recht) art. 38 Decreet 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht). Bepalend is de vraag of 1° een sanctie als reactie op het jeugddelict nog geschikt is als beslissing ten gronde, gelet op de persoonlijkheid en maturiteit van de beklaagde
(4), of 2° de minderjarige ouder was dan 16 jaar ten tijd van de feiten en 3° of het misdrijf wegens zijn ernst in aanmerking komt voor uithandengeving (art. 57bis, § 1 Jeugdbeschermingswet). De jeugdrechtbank kan alleen op vordering van het openbaar ministerie uitspraak doen over de uithandengeving (art. 57bis, § 3 Jeugdbeschermingswet). 6. De beslissing om een minderjarige wel of niet uit handen te geven, heeft inhoudelijk geen (nadelig) effect op de burgerlijke rechtsvordering
(5). Het enige wat kan wijzigen, is het gerecht dat uitspraak moet doen over de burgerlijke vordering. De beslissing om het hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een uithandengeving niet-ontvankelijk te verklaren, lijkt mij geen aantasting te vormen van het recht van de burgerlijke partij op een eerlijk proces en een daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 6 en 13 EVRM). Zij kan nog steeds voor de jeugdrechtbank argumenten aanvoeren over de schuld van de beklaagde en zijn ouders, de schade en het oorzakelijk verband. 7. De cassatieberoepen zijn bijgevolg voorbarig en niet-ontvankelijk. De middelen in zoverre gericht tegen verweerster 4 die geen verband houden met de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen, behoeven geen antwoord. Mijn advies is verwerping van de cassatieberoepen. __________________________
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11, AC 2020, nr. 732, met concl. OM (wat betreft de grief over de burgerlijke vordering van de beklaagde).
(2)Cass. 11 maart 2015, AR P.15.0236.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.1, AC 2015, nr. 186, “Het subjectieve belang om de vernietiging van een beslissing te verkrijgen, kan niet volstaan om de ontvankelijkheid te rechtvaardigen. van het cassatieberoep dat buiten de door de wet toegestane gevallen ingesteld wordt. Zelfs na burgerlijke partijstelling is het slachtoffer niet wettelijk betrokken bij het bepalen van de aard en de maat van de straf, noch bij de tenuitvoerlegging ervan. Het recht om het ene of het andere te vorderen alsook het recht om eventuele beroepen bij de rechterlijke macht in te stellen tegen de daarop betrekking hebbende beslissingen, maken immers geen deel uit van het instellen van de burgerlijke rechtsvordering maar behoren tot de bevoegdheden van het openbaar ministerie. Als vertegenwoordiger van alle belangen van de maatschappij heeft het openbaar ministerie opdracht om onder meer over de bescherming van de slachtoffers te waken”.
(3)Cass. 2 november 2011, AR P.11.1648.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1, AC 2011, nr. 589; GwH 13 maart 2008, arr. 49/2008, B.31; GwH 27 juli 2020, arr. 112/2020, B.11 en B.18, www.const-court.be. Zie ook J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, 423.
(4)Met voorlopig als zwaarste sanctie de plaatsing in een open of gesloten gemeenschapsinstelling tot de leeftijd van 20 jaar, gelet op de artikelen 37, § 2, 8° en 37, § 3 Jeugdbeschermingswet, artikelen 50, 87 en 89 Decreet 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (BS 26 april 2019) en artikelen 2, 9 en 10 Decreet 24 september 2009 (BS 1 oktober 2019), in afwachting van toepassing van de regels over de langdurige plaatsing in een gesloten gemeenschapsinstelling voor minderjarigen (art. 37 en 89 Decreet 15 februari 2021).
(5)J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Die Keure, 2015, 294. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210928.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111102.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div