← België

FLANDERS MEAT GROUP ZELE bv contra FAVV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210930.1N.4 Rolnummer: C.20.0242.N Zaak: FLANDERS MEAT GROUP ZELE bv contra FAVV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-11-15 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-06-19 05:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.4 Fiche 1 Een administratieve rechtshandeling is een door een administratieve overheid genomen uitvoerbare rechtshandeling bekleed met het vermoeden van wettigheid die doelbewust wordt gesteld om rechtsgevolgen in het leven te roepen of om te beletten dat rechtsgevolgen tot stand komen; de aanmaning en de ingebrekestelling bedoeld in artikel 11, § 1, tweede en vierde lid, van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zijn geen administratieve rechtshandelingen maar loutere uitvoeringshandelingen

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Vrije woorden: Administratieve rechtshandeling Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - 09-12-2004 - Art. 11, § 1, tweede en vierde lid - 53 ELI link Pub nr 2004022975 Fiche 2 Artikel 2277 Oud Burgerlijk Wetboek strekt ertoe de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van achterstallen van termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhoudingen; de vermeerderingen bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en de verdubbelingen van die vermeerderingen bedoeld in artikel 11, § 1, derde lid, zijn geen termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding zoals bedoeld bij artikel 2277 Oud Burgerlijk Wetboek; de verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 Oud Burgerlijk Wetboek is bijgevolg niet van toepassing op voormelde heffingen
(1).
(1)Zie Cass. 3 december 2015, AR C.13.0576.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.8, AC 2015, nr. 723 met concl. van advocaat-generaal Vandewal; Cass. 25 januari 2010, AR C.09.0410.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100125.3, AC 2010, nr. 59; Cass. 13 maart 2008, AR C.07.0132N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.8, AC 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Termijnschulden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.20.0242.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck:
  2. Probleemstelling. De discussie betreft de vraag hoe aanmaningen en ingebrekestellingen tot betaling van retributies overeenkomstig artikel 11, § 1, respectievelijk 2de en 4de lid van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: de wet van 9 december 2004) juridisch dienen te worden gekwalificeerd en, daaruit voortvloeiend, aan welke voorwaarden zij moeten voldoen. TWEEDE MIDDEL
  3. Grond van niet-ontvankelijkheid. De verweerster voert tegen het 2de middel in zijn geheel een grond van niet-ontvankelijkheid aan. De beslissing om de eiseres te veroordelen tot betaling aan de verweerster van de vermeerderingen van de retributies met 10% en van de verdubbelingen, wordt volgens haar gemotiveerd door de zelfstandige niet-bekritiseerde redengeving dat die rechtstreeks krachtens de wet verschuldigd zijn. De verweerster zou op dit punt over een volledig gebonden bevoegdheid beschikken zodat de voorziening in cassatie zonder belang zou zijn. De overweging tussen haakjes dat die “overigens rechtstreeks krachtens de wet” verschuldigd zijn, is geen zelfstandige redengeving van de beslissing van de appelrechter om de eiseres te veroordelen tot de betaling van de retributies, interest, vermeerderingen en verdubbelingen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. TWEEDE MIDDEL VIERDE ONDERDEEL
  4. Bespreking De eiseres voert de niet-naleving van een substantiële vormvereiste aan. De aanmaningen en ingebrekestellingen werden niet ondertekend waardoor niet kan worden nagegaan of die uitgaan van de bevoegde persoon. Dit maakt volgens de eiseres een schending uit van de artikelen 33 en 159 van de Grondwet, het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie die beide grondwettelijke waarde hebben, alsook van artikel 6 van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen zoals van toepassing zowel voor als na de inwerkingtreding van de wet van 15 december 2013 en ten slotte voor zover nodig van alle andere door de eiseres in haar middel aangevoerde bepalingen. 3.
  5. Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Het principe is zowel op bestuurshandelingen met individuele rechtsgevolgen als op normatieve bestuurshandelingen van toepassing. Bestuurshandelingen met individuele rechtsgevolgen zijn de handelingen van een bestuur die de rechtstoestand van een rechtsonderhorige wijzigen. Het gaat om de toepassing van een bepaalde rechtsregel in een bepaald geval. De rechtbanken en hoven worden geacht zowel de zogenoemde interne als externe wettigheid van bestuurshandelingen na te gaan. De externe wettigheid betreft de vraag of de bestuurshandeling regelmatig tot stand is gekomen. De Raad van State beschouwt de ondertekening van een bestuurshandeling door een daartoe bevoegd persoon als een substantiële vormvereiste nu de beslissing mede door die handtekening tot stand wordt gebracht. Op basis van die handtekening kan de authenticiteit van de genomen beslissing worden nagegaan alsook of die werd genomen door de daartoe bevoegde overheid
(1). 3.2. Uit het bovenstaande volgt dat moet nagegaan worden of de aanmaningen en ingebrekestellingen bedoeld in artikel 11, § 1, 2de en 4de lid van de wet van 9 december 2004 louter declaratief zijn dan wel ook een verandering teweeg brengen in de rechtstoestand van de rechtsonderhorige. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met het KB van 10 november 2005 betreffende retributies (hierna: KB van 10 november 2005) dat artikel 11 verder uitvoert. Artikel 11, § 1, 1ste lid van de wet van 9 december 2004 bepaalt dat het bedrag van de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria dat bij het verstrijken van de betaaltermijn
(2)niet is betaald, automatisch en van rechtswege wordt vermeerderd met 10%. Artikel 11, § 1, 2de lid voorziet vervolgens in het versturen van een aangetekende aanmaning waarin een uiterste betaaldatum wordt vastgesteld. Bij niet-betaling op die datum bepaalt het 3de lid dat alle nog verschuldigde bedragen verdubbeld worden. Ten slotte bepaalt het 4de lid dat indien de betaling dan nog geheel of gedeeltelijk uitblijft, er een ingebrekestelling
(3)moet worden verzonden en dat vanaf dat ogenblik de verwijlinteresten beginnen te lopen. De reglementering bepaalt dus niet wanneer de in artikel 11, § 1, 2de lid vermelde aanmaning precies moet verstuurd worden of welke de uiterste betaaldatum is die hierin moet opgelegd worden
(4). De verweerster beschikt op dit vlak over een zekere discretionaire bevoegdheid en bepaalt zo het moment waarop ingevolge niet-betaling alle verschuldigde bedragen verdubbeld worden. Het versturen van de aanmaning wijzigt dus de rechtstoestand van de rechtsonderhorige. Hetzelfde geldt voor de in het 4de lid vermelde ingebrekestelling: de verweerster beslist ook wat die betreft wanneer zij die precies verstuurt en daarmee vanaf welk ogenblik er verwijlinteresten worden aangerekend. 3.
  1. Zowel de aanmaning als de ingebrekestelling wijzigen de rechtstoestand van de rechtsonderhorige en maken dus bestuurshandelingen met individuele rechtsgevolgen uit. Hieruit volgt dat zij moeten ondertekend worden door de hiertoe bevoegde ambtenaar opdat zij over de benodigde authenticiteit zouden beschikken alsook opdat de rechtsonderhorige zou kunnen nagaan of de beslissing door de hiertoe bevoegde persoon werd genomen. De appelrechter die oordeelt dat het geen verschil maakt dat de documenten waarmee de verweerster betaling aanrekende en vorderde geen handtekening bevatten en op die basis weigert om de betwiste aanmaningen en ingebrekestellingen overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. 3.
  2. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _______________________________
(1)Zie R.v.St. 29 juni 1971, nr. 14845, R.v.St. 6 maart 1998, nr. 72.275, R.v.St. 8 mei 2009, nr. 193.106 en R.v.St. 8 december 2016, nr. 236.701.
(2)Artikel 6 van het KB van 10 november 2005 legt die betaaltermijn vast op de 30ste kalenderdag volgend op de datum van verzending van de factuur.
(3)Artikel 7 van het KB van 10 november 2005 voorziet in dit verband dat de aangetekende ingebrekestelling moet verstuurd worden in geval van niet-betaling binnen een termijn van 1 maand na de aanmaning. De termijn van 1 maand geldt in de versie van toepassing vanaf 13 mei 2017. Voordien bedroeg die termijn 2 maanden.
(4)Er kan hoogstens geargumenteerd worden dat de aanmaning ten vroegste na het verstrijken van de in artikel 6 van het KB van 10 november 2005 bepaalde betalingstermijn kan verstuurd worden en dat de verweerster de uiterste betaaldatum gelet op artikel 7 van het KB van 10 november 2005 niet later dan 1 maand te rekenen vanaf het versturen van de aanmaning kan vastleggen. Dit verhindert de verweerster echter bijvoorbeeld niet om de aanmaning pas na 2 maanden na het verstrijken van initiële betaaltermijn te versturen of om de uiterste betaaldatum op 2 weken te rekenen vanaf de aanmaning te bepalen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210930.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100125.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.