id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.1 Rolnummer: S.20.0036.N Zaak: B. contra OCMW Openbaar Centrum voor Maatschappeli Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-06-16 04:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.1 Fiche 1 Het OCMW dient dringende medische hulp te verstrekken aan de vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, indien blijkt dat deze zonder die tussenkomst geen leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid; bij de beoordeling van de mogelijkheid een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid kunnen de bestaansmiddelen van bepaalde gezins- en familieleden met wie hij samenwoont in aanmerking worden genomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: Vreemdeling - Dringende medische hulp - Menselijke waardigheid - Globalisering van het inkomen - Begrip Wettelijke bepalingen: Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 08-07-1976 - Artt. 1, eerste lid, en 57, § 1, eerste lid, en § 2, 1° - 01 ELI link Pub nr 1976070810 KB 1 december 2013 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek verricht overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 01-12-2013 - Art. 5 - 14 ELI link Pub nr 2014011138 Fiche 2 Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen; het begrip "samenwonen" houdt een zekere duurzaamheid in
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: Menselijke waardigheid - Globalisering van het inkomen - Samenwoning - Begrip Wettelijke bepalingen: Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 08-07-1976 - Artt. 1, eerste lid, en 57, § 1, eerste lid, en § 2, 1° - 01 ELI link Pub nr 1976070810 KB 1 december 2013 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek verricht overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 01-12-2013 - Art. 5 - 14 ELI link Pub nr 2014011138 Tekst van de conclusie S.20.0036.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, Afdeling Antwerpen, gewezen op 4 maart
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het middel. a. Probleemstelling. De problematiek in deze betreft de toepassing van artikel 57, § 2, OCMW-wet, namelijk het verlenen van dringende medische hulp aan een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. In het kader van huidige geschil staat niet ter discussie het gegeven dat de eiser een vreemdeling is die illegaal in het land verblijft. Tevens staat niet ter discussie dat de gevraagde tussenkomst dringende medische hulp betreft. Tussen partijen is er betwisting over de invulling van het begrip “menselijke waardigheid” zoals dit aan te treffen is in artikel 1 OCMW-wet, meer in het bijzonder de vraag in welke omstandigheden alle feitelijke beschikbare inkomsten van de gezins- en familieleden die onder hetzelfde dak wonen in rekening moeten worden gebracht. Over het principe van de globalisering van het inkomen, wanneer er sprake is van samenwoonst, zijn partijen het evenwel eens. In casu betreft het geschil in essentie de vraag in welke mate er sprake kan zijn van een samenwoonst met een illegaal in het land verblijvende vreemdeling en dus hoe het begrip samenwoonst moet worden ingevuld. b. Beoordeling. De vraag of een persoon een menswaardig leven kan leiden is voor een groot deel afhankelijk van het beschikken over voldoende inkomsten
(1). Het is inderdaad vaak de precaire financiële toestand van de betrokkene die uiteindelijk leidt tot de vraag van hulp aan het OCMW
(2). Daar het aspect inkomen een cruciale rol speelt in de vraag naar de mogelijkheid om een menswaardig leven te leiden, stelt zich evident de vraag welke inkomsten, benevens deze van de aanvrager van de steun, er te zijner beschikking staan en waarmee rekening dient gehouden te worden. Het gaat dus, in principe, niet enkel om de financiële mogelijkheden van de betrokkene zelf, maar ook van de gezinsleden waarmee zij samenwonen. Dit betreft dus de hoger aangehaalde globalisering van het inkomen. Dit volgt uit artikel 57, § 1, OCMW-wet waar het gaat over de dienstverlening aan “personen en gezinnen”
(3). Het begrip samenwoonst wordt niet gedefinieerd in de OCMW-wet
(4). Deze term komt als dusdanig niet voor in deze wet, doch vloeit voort uit het hoger aangehaalde artikel 57, § 1. In de Leefloonwet komt dit begrip wel voor en wordt dit gedefinieerd
(5)als: “het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen”. Het is voor de hand liggend dat “samenwoonst” in de OCMW-wet op dezelfde wijze moet worden ingevuld. Het gaat er dus om dat er een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Deze moet bovendien een duurzaam karakter vertonen. Dit sluit derhalve uit dat er sprake is van samenwoonst indien de aanwezigheid van de hulpaanvrager, ab initio van tijdelijke en voorbijgaande aard is
(6). Het bestaan van een gezamenlijke huishouding, alsook het duurzaam karakter ervan, is een gegeven dat berust bij de intentie van de betrokkenen om dit als dusdanig te regelen. Het is de wil van deze personen die doorslaggevend is om uit te maken of er sprake is van een duurzaam gezamenlijk huishouden. Derhalve, zodra zij op een duurzame wijze hun huishouding gezamenlijk wensen te regelen is er sprake van samenwoonst. De intentie hiertoe kan blijken uit diverse elementen: bijvoorbeeld gehuwde partners die samenwonen, de diverse leden van een gezin die onder één dak wonen en die onderling aspecten van het huishouden regelen,… Zelfs in het kader van leefgemeenschappen kan er sprake zijn van samenwoonst
(7). Het verblijfsstatuut van de betrokkenen in het Rijk is echter ter zake niet relevant. Het aspect illegaal verblijf staat derhalve er niet aan in de weg dat er sprake is van een samenwoonst. Inderdaad zij die illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, kunnen hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen met andere personen die onder hetzelfde dak wonen zo dit hun intentie is. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. De rechter beoordeelt, in feite, of er sprake is van samenwoonst. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusies dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen. Uit het enkele feit dat een gegeven in een beslissing niet is vermeld, volgt niet dat hij dit niet heeft onderzocht
(8). De appelrechters oordelen dat er sprake is van samenwoonst en dat rekening moet gehouden worden met alle inkomsten van het gezin
(9). Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, blijkt dat er door partijen geen verweer werd gevoerd nopens het aspect “tijdelijk verblijf” bij de dochter en haar partner waardoor er geen sprake zou zijn van samenwoonst. De appelrechters dienden dan ook niet uitdrukkelijk op dit punt in te gaan. In zoverre het middel dat aanvoert dat er maar sprake is van een “tijdelijk verblijf” bij de dochter en haar partner zodat er geen rekening mocht gehouden worden met de inkomsten van de laatst genoemden, kan het middel dan ook niet worden aangenomen. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - uit het sociaal verslag blijkt dat eiser en zijn echtgenote beschikken over een maandelijks inkomen van 372,31 EUR; - het gezin van de dochter een maandelijks inkomen heeft van 3.900 EUR; - gelet op de samenwoonst op het ogenblik van de verleende medische zorgen rekening moet gehouden worden met alle inkomsten van het gezin. Met deze overwegingen verantwoorden de appelrechters naar recht hun oordeel dat door eiser niet aannemelijk wordt gemaakt dat hij geen menswaardig bestaan kan leiden indien het OCMW de medische kosten niet ten laste neemt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. De overige grieven richten zich tegen overwegingen ten overvloede en kunnen dus niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Conclusie: Verwerping. _____________________________
(1)P. SENAEVE en D. SIMOENS, OCMW-dienstverlening en bestaansminimum, Brugge, Die Keure 1995, p. 88.
(2)D. SIMOENS, Handboek OCMW-dienstverlening, Brugge, Die Keure 2009, p. 303.
(3)D. SIMOENS, o.c., p. 305 en 306.
(4)Samenwonen komt wel aan bod in het K.B. van 1 december 2013 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
(5)Artikel 14, § 1, Leefloonwet.
(6)D. SIMOENS, o.c., p. 306.
(7)D. SIMOENS, o.c., p. 306.
(8)Cass. 5 januari 2009, AR S.08.0101.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5, AC 2009, nr. 6.
(9)Bestreden beslissing pagina 8. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div