← België

LA CITE JOYEUSE-LE FOYER DES ORPHELINS contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.5 Rolnummer: S.21.0009.N Zaak: LA CITE JOYEUSE-LE FOYER DES ORPHELINS contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 676 - laatst gezien 2026-06-18 19:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.5 Fiche Wanneer een werkgever vóór het verstrijken van de in artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde termijn van drie werkdagen zijn zaak bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig maakt door middel van het bij artikel 4, § 2, bedoelde verzoekschrift en dit verzoekschrift op grond van artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken nietig wordt verklaard, heeft dit nietig verzoekschrift de bedoelde termijn gestuit, zodat de betrokken werkgever beschikt over een nieuwe termijn, die overeenstemt met de oorspronkelijke termijn waarover hij beschikte, om zijn zaak met naleving van de Taalwet Gerechtszaken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank aanhangig te maken

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof komt hiermee terug op zijn eerdere rechtspraak van 21 november 1994 (Cass. 21 november 1994, AR S.94.0054, AC 1994, nr. 503). Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: Ontslag om dringende redenen - Verzoekschrift - Taalgebruik - Schending - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Artt. 4, § 1, en 40, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden - 19-03-1991 - Art. 4, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Tekst van de conclusie S.21.0009.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Brussel, gewezen op 1 september
  2. Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidig geschil kadert in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Meer in het bijzonder betreft het de toepassing van artikel 4, § 1 van deze wet wanneer de werkgever tot het ontslag van een beschermde werknemer wil overgaan omwille van dringende redenen. Inzonderheid stelt zich de vraag wat de consequenties zijn van de toepassing van de bepalingen van de Taalwet Gerechtszaken, wanneer het verzoekschrift waarmee de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank ingevolge artikel 40 Taalwet Gerechtszaken nietig is, op de termijnen die het voormelde artikel 4, § 1 voorziet inzake het verzoekschrift. Uw Hof heeft zich in het verleden reeds hierover uitgesproken. In het arrest van 21 november 1994
(1)oordeelde Uw Hof dat de termijn van artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden noch een verjaringstermijn, noch een termijn van rechtspleging is als bedoeld in de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken, maar een fatale termijn waarvan het verstrijken leidt tot verval van het recht zelve. Deze termijn kon, volgens Uw Hof, bij de nietigverklaring van het verzoekschrift ingevolge schending van de Taalwet Gerechtszaken, niet gestuit worden. In het thans bestreden arrest sluit het Arbeidshof zich aan bij dit standpunt en oordeelt in dezelfde zin. c. Beoordeling. Ik kan deze visie niet onderschrijven en vraag dan ook dat het Hof terugkomt op haar eerdere rechtspraak. De termijn van artikel 4, § 1 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden wordt omschreven als een “fatale” termijn. Dit laatste dient gekaderd te worden ten aanzien van de andere termijnen die gehanteerd worden. De tijdsbepalingen in het recht worden traditioneel onderverdeeld in drie categorieën
(2): 1) de verjaringstermijnen; 2) de vaste termijnen, ook wel onveranderlijke termijnen
(3), fatale termijnen
(4)of vervaltermijnen
(5)genoemd; 3) de proceduretermijnen, ook wel termijnen van rechtspleging
(6)of procestermijnen
(7)genoemd. Rechtsplegingstermijnen zijn termijnen die gelden voor het verrichten van een proceshandeling in de loop van een geding, bij de aanwending van een rechtsmiddel of bij een middel van tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak
(8). De verjaringstermijnen gaan daarentegen een geding vooraf. Dit geldt tevens voor de fatale termijnen zo deze betrekking hebben op het tijdsverloop waarbinnen een geding moet worden ingeleid. Het onderscheid tussen deze laatste twee termijnen wordt, voor ieder van hen, door twee karakteristieke elementen gekenmerkt
(9). Een verjaringstermijn beoogt de maatschappelijke rust te bevorderen door feitelijke toestanden die lange tijd hebben bestaan ook juridisch te erkennen. Een tweede aspect van de bevrijdende verjaring is dat het enkel het vorderingsrecht van de schuldeiser teniet doet, maar niet de schuldvordering zelf. De fatale termijn heeft een andere invalshoek. Hier gaat het niet zo zeer om de maatschappelijke rust maar wel om het feit dat de wetgever de mening was toegedaan dat het instellen van een bepaalde vordering aan een bepaalde, strakke, termijn moet worden verbonden omdat er dwingende redenen zijn waarom met de verwezenlijking van die bepaalde aanspraak niet te lang mag worden gewacht. Gelinkt aan het principe van de strakheid van de termijn is dat deze, in de regel, niet vatbaar is voor verlenging door stuiting of schorsing
(10), behalve natuurlijk ingeval van overmacht. Een tweede punt dat hier naar voorkomt is dat na het verstrijken van de fatale termijn niet slechts de rechtsvordering, maar het recht of de aanspraak zelf verloren gaat. Zoals reeds gesteld wordt de termijn die ons thans aanbelangt gedefinieerd als een “fatale” termijn. Meer in het bijzonder een “fatale” termijn die door de wet wordt voorzien voor het instellen van een vordering in rechte
(11)
(12). Wat betreft de fatale termijnen voor het instellen van de vordering in rechte, eindigt de termijn op het ogenblik van de dagvaarding ten gronde, aangezien de termijn alsdan haar bestaansreden verliest
(13). Dat is een duidelijk verschil met de verjaringstermijn. Bij een verjaringstermijn heeft een geding inleidende akte een stuitend effect. Die heeft tot gevolg dat een nieuwe verjaringstermijn aanvat. De reeds verlopen termijn, van vóór de inleiding van het geding, is van geen tel meer
(14). Dus, inzake de fatale termijn van artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, éénmaal de geding inleiding, tijdig, heeft plaats gehad dan is de doelstelling, die de regelgever voor ogen had, bereikt. Te weten dat er binnen de voorgeschreven termijn een zekerheid is gecreëerd omtrent de juridische toestand. De termijn heeft opgehouden met lopen. Wat na het aanhangig maken van het geding volgt betreft aspecten van het procesrecht meer in het bijzonder de vraag of er sprake is van een gebrek waarmee deze akte zou zijn aangetast. Zo de zaak voor een onbevoegde rechter werd gebracht heeft het feit dat artikel 2246 Oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, bij fatale termijnen, geen invloed op het gegeven dat er inderdaad sprake is van een gedingsinleiding en de vordering is gesteld
(15). Eén en ander natuurlijk in zoverre de bepalingen van artikel 660 e.v. Gerechtelijk Wetboek hun toepassing vinden. In dezelfde lijn dient de nietigheid van artikel 40 Taalwet Gerechtszaken te worden toegepast. Zo de nietigheid, van de tijdig gestelde akte, het gevolg is van een strijdigheid met de taalwet dan beschikt de werkgever over een nieuwe termijn van drie dagen om de handeling, doch thans met naleving van de Taalwet Gerechtszaken te stellen. Men kan echter niet spreken van een stuiting in de traditionele zin van het woord want dit kan, net zoals voor de schorsing, enkel zo er nog sprake is van een termijn die nog loopt. Dit is bij een fatale termijn niet het geval daar éénmaal de handeling van inleiding van het geding heeft plaatsgehad houdt deze op te lopen. Het onderdeel is gegrond. Conclusie: Cassatie. _____________________________
(1)Cass. 21 november 1994, AR S.94.0054, AC 1994, nr. 503.
(2)Spreken in die zin over de ‘klassieke trilogie van termijnen’: G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire – Tome 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier 2021, 413-414, nr. 3.90; H. BOULARBAH en X. TATON, “Les vices de forme et les délais de procédure. Régime général et irrégularités spécifiques” in H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK (eds.), Les défenses en droit judiciaire, Brussel, Larcier 2010,
(101)144, nr. 79; G. DE LEVAL en F. GEORGES, “La sanction des irrégularités procédurales” in C. ENGELS en P. LECOCQ, Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2009, Brugge, die Keure 2009,
(445)460-461; A. DECROËS, “Les délais préfix (ou de forclusion)”, JTT 2007,
(871)871, nr. 1; B. DECONINCK, “Artikel 860, 2° en 3°” in Comm.Ger. 1998, 3, nr. 1; A. VAN OEVELEN, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987,
(1755)1828, nr. 66. Voor het Franse recht: M. VASSEUR, “Délais préfix, délais de prescription, délais de procédure”, RTDC 1950, 439-472.
(3)In die zin bv.: R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, deel III, 1972, 839, nr. 1592.
(4)In die zin bv.: P. DAUW, “De nieuwe artikelen 700, 865 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek: Blikopeners inzake nietigheden en termijnen” in D. SERRUS (ed.), Actualia Gerechtelijk Recht, Gent, Larcier 2008,
(201)225.
(5)In die zin bv.: A. VAN OEVELEN, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987,
(1755)1826, nr. 65.
(6)In die zin: P. TAELMAN, C. VAN SEVEREN en J. VAN DONINCK, “Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht” in P. TAELMAN (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, XLIste PUC Willy Delva, Mechelen, Kluwer 2016,
(301)350, nr. 22.
(7)In die zin: B. DECONINCK, “Artikel 860, 2° en 3°” in Comm.Ger. 1998, 3, nr. 1.
(8)P. TAELMAN, C. VAN SEVEREN en J. VAN DONINCK, “Herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht” in P. TAELMAN (ed.), Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, XLIste PUC Willy Delva, Mechelen, Kluwer 2016,
(301)350, nr. 22.
(9)A. Van Oevelen, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, p. 1826 e.v., nr. 65.
(10)M. MARCHANDISE, Traité de droit civil belge, t. IV, La prescription – Principes généraux et prescription libératoire, Brussel, Bruylant 2014, 49, nr. 16; A. VAN OEVELEN, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, p. 1832, nr. 71; R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, deel III, 1972, 839, nr. 1593; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. VII, Brussel, Bruylant 1957, 1032-1033, nr. 1136. Zie in de rechtspraak van het Hof, bv. (m.b.t. de termijn van art. 1792 en 2270 BW): Cass. 27 oktober 2006, AR C.04.0380.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.5, AC 2006, nr. 522; Cass. 13 mei 2002, AR S.01.0145.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020513.6, AC 2002, nr. 291.
(11)Er zijn ook andere fatale termijnen zoals deze voor het vervullen van een formaliteit of het uitoefenen van een bevoegdheid.
(12)De fatale termijnen kunnen een diverse oorsprong hebben (
  1. i)door de wet voorzien; (
  2. ii)door de rechter opgelegd; (iii) tussen de partijen overeengekomen (zie hierover: M.-P. NOËL, “Les délais préfix”, in La prescription extinctive – Études de droit comparé, Brussel, Bruylant 2010,
(130)137-151, nrs. 11-18; A. VAN OEVELEN, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987,
(1755)1828-1831, nrs. 67-70.
(13)M.-P. NOËL, “Les délais préfix”, in La prescription extinctive – Études de droit comparé, Brussel, Bruylant 2010,
(130)156.
(14)M. MARCHANDISE, Traité de droit civil belge, t. IV, La prescription – Principes généraux et prescription libératoire, Brussel, Bruylant 2014, 202, nr. 163 en 221, nr. 166.
(15)M. MARCHANDISE, Traité de droit civil belge, t. IV, La prescription – Principes généraux et prescription libératoire, Brussel, Bruylant 2014, 49, nr. 16. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211004.3N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020513.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941121.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.