id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 Rolnummer: P.21.0724.N Zaak: C. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2021-10-26 Raadplegingen: 1214 - laatst gezien 2026-06-18 21:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 Fiche 1 Krachtens artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering worden de conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, ambtshalve uit de debatten geweerd; wanneer een procespartij na de vernietiging van een beslissing door het Hof zijn conclusie, die regelmatig is neergelegd voor de vernietiging, herneemt, geldt dit niet als neerlegging van een conclusie en vindt artikel 152 Wetboek van Strafvordering bijgevolg geen toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Conclusietermijnen - Herneming van een in de voorafgaande procedure neergelegde conclusie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 De rechter mag de schuldigverklaring van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit mede steunen op feitelijke gegevens, die als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan dit niet vervolgd misdrijf en bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskent
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Schuldigverklaring - Feitelijke gegevens die als misdrijf kunnen worden omschreven waarvoor geen vervolging - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Schuldigverklaring - Feitelijke gegevens die als misdrijf kunnen worden omschreven waarvoor geen vervolging - Vermoeden van onschuld - Gevolg Fiche 4 De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft of eventueel zou kunnen krijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, is vreemd aan de processuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering; die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Wapengelijkheid - Toegang tot stukken die een andere partij in bezit heeft - Draagwijdte Fiches 5 - 6 De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het overleggen van een stuk dat in bezit is van een burgerlijke partij
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Stuk in het bezit van een burgerlijke partij - Noodzaak, nut of raadzaamheid van het overleggen - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Stuk in het bezit van een burgerlijke partij - Noodzaak, nut of raadzaamheid van het overleggen - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter Fiches 7 - 8 Uit de artikelen 32bis, eerste lid, en 32ter, eerste lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers en artikel 119 Sociaal Strafwetboek volgt dat het ongewenste gedrag van een werknemer met een seksuele connotatie, kan worden aangezien als ongewenst seksueel gedrag in de zin van deze bepalingen; hierbij is niet vereist dat de werknemer zich gedragen heeft met een seksuele intentie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Constitutieve bestanddelen - Drijfveer - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Artt. 32bis en 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Constitutieve bestanddelen - Drijfveer - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk - 04-08-1996 - Artt. 32bis en 32ter - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Fiches 9 - 12 De rechter oordeelt onaantastbaar of een gedrag van een werknemer al dan niet een seksuele connotatie heeft die de waardigheid van een persoon aantast of een bedreigende, vijandige, beledigende vernederende of kwetsende omgeving creëert en hij is daarbij niet gebonden door de mening van andere werknemers over de seksuele connotatie en het grensoverschrijdend karakter van dat gedrag; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Beoordeling - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Wijze - Mening van andere werknemers - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Strafzaken - Sociaal strafrecht - Ongewenst seksueel gedrag op het werk - Mening van andere werknemers - Invloed - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Toezicht door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 119 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 445, p. 2 en
- - VANWALLEGHEM, Pim; Noot'Seksuele intentie niet vereist voor veroordeling voor ongewenst seksueel gedrag' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 4, p. 273-
- - HEYNDRICKX, Sofie; Noot'De grens voorbij: ongewenst en grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer' Tekst van de conclusie P.21.0724.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Schoeters: I. (…) II. De middelen. (…) Het eerste middel.
- In zijn eerste middel voert eiser de schending aan van artikel 152, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering. Bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 28 januari 2021 vorderde het openbaar ministerie mondeling en stelde daarbij de besluiten te hernemen die door het openbaar ministerie waren neergelegd voor het hof van beroep te Gent. Op deze wijze heeft volgens eiser het openbaar ministerie opnieuw een schriftelijke conclusie in het debat gebracht hoewel het geen conclusie had neergelegd noch had meegedeeld aan de partijen. Zodoende vermocht volgens eiser de conclusie, neergelegd door het openbaar ministerie voor het hof van beroep te Gent, door het openbaar ministerie niet hernomen worden tijdens de debatten ter zitting van het hof van beroep te Antwerpen. Deze schriftelijke conclusie werd volgens eiser volgens de eigen bewoordingen van de appelrechters “in het beraad betrokken”. Door deze wering niet te bevelen en de betrokken conclusie, aanwezig in de procedurestukken, in het beraad te betrekken zijn volgens eiser de in het middel aangehaalde wetsbepalingen geschonden.
- Onder het hoofdstuk “
- Rechtspleging voor het hof” (pag. 7 van het arrest) schetst het arrest het procesverloop van de rechtspleging voor het hof van beroep te Antwerpen (eigen onderlijning). Onder letter c) vermeld het arrest omtrent dit procesverloop “De in de processtukken aanwezige conclusies werden regelmatig neergelegd en in het beraad betrokken”. Deze vaststelling heeft derhalve betrekking op de rechtspleging voor het hof van beroep te Antwerpen. Het arrest stelt hiermee niet vast dat de schriftelijke conclusie neergelegd voor het hof van beroep te Gent opnieuw regelmatig werd neergelegd en in het beraad werd betrokken. In zoverre lijkt het middel te berusten op een onjuiste lezing van het arrest en feitelijke grondslag te missen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat op de openbare terechtzitting van 12 november 2020 (nvdr. eiser vermeldt mijns inziens verkeerdelijk de datum van 26 maart 2020) de partijen het hof verzochten om conclusietermijnen conform artikel 152, § 1, en 209bis Wetboek van strafvordering en bepaalde het hof de conclusietermijnen als volgt: - Voor de beklaagde uiterlijk op 3 december
- - Voor de burgerlijke partijen uiterlijk op 24 december
- - Voor de beklaagde uiterlijk op 22 januari
- De rechtsdag voor de behandeling van de zaak werd vastgesteld op 28 januari
- Ik merk op dat klaarblijkelijk voor het openbaar ministerie geen conclusietermijn werd bepaald. Op 28 januari 2021 werd het openbaar ministerie gehoord in zijn vordering. Eiser werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door zijn raadslieden en zijn raadsman verzette zich ertegen dat het openbaar ministerie de besluiten herneemt van het openbaar ministerie voor het hof van beroep te Gent en vroeg de wering.
- Artikel 152 Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 76 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, bepaalt
(1): “§
- De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek. De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. § 2.Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen: - mits het akkoord van de betrokken partijen, of - bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing. Artikel 189 van het Wetboek van strafvordering, respectievelijk 209bis Wetboek van strafvordering maken deze regeling eveneens van toepassing op het procedureverloop voor de correctionele rechtbank respectievelijk het Hof van beroep.
- Een mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter terechtzitting waarin deze verwijst naar een in een voorgaande rechtspleging regelmatig neergelegde schriftelijke conclusie en deze herneemt, kan niet beschouwd worden als een tijdens het debat ter terechtzitting neergelegde conclusie, in de zin van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. De rechter zal dan ook niet gehouden zijn hierop te antwoorden. In zoverre het middel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt het mij te falen naar recht.
- Het arrest stelt vast dat eiser zich verzette tegen de mondelinge vordering van het openbaar ministerie ter zitting van 28 januari 2021 waarbij het openbaar ministerie stelde de besluiten van zijn ambt neergelegd voor het hof van beroep te Gent te hernemen en de wering ervan vraagt. Het arrest oordeelt dat het in strafzaken toegestaan is om mondeling te concluderen en bij een mondelinge conclusie het openbaar ministerie, na een vernietiging door het Hof van Cassatie, mag verwijzen naar de eerder door het openbaar ministerie neergelegde conclusie. Het oordeelt verder dat eiser evident kennis had van de conclusies van het openbaar ministerie voor het hof van beroep te Gent en in de mogelijkheid was om hierop voor het hof van beroep te Antwerpen zijn verweer voor te dragen, zowel mondeling als schriftelijk. Eiser verzocht ook niet om een bijkomende termijn om te concluderen n.a.v. de mondelinge vordering van het openbaar ministerie en er bijgevolg tot geen schending van de rechten van verdediging kan worden besloten. Deze beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre lijkt het middel niet te kunnen worden aangenomen. Tweede middel. Eerste onderdeel en tweede onderdeel.
- Eiser voert de schending aan van artikel 6.
- en 6.
- EVRM en het beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging. Hij verwijt dat de appelrechters bij de beoordeling van de schuld van eiser aan de telastlegging A onder andere verwezen hebben naar daden van ongewenst gedrag met een seksuele connotatie van de kant van eiser naar andere slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag. Eiser stelt dat de appelrechters bij de vaststelling bij de beoordeling van de schuld van eiser aan telastlegging A - het bestaan van het misdrijf, vervat in de telastlegging A, aanvaard heeft in hoofde van eiser omtrent andere feiten die hij zou gesteld hebben t.a.v. andere personen, dewelke echter geen voorwerp uitmaakten van de telastleggingen waarvoor hij vervolgd werd; - het bestaan van het misdrijf, vervat in de telastlegging A, aanvaard heeft in hoofde van eiser omtrent andere feiten die hij zou gesteld hebben t.a.v. andere personen, waarvan wordt aanvaard dat deze feiten verjaard zijn; - het vaststaan van die andere feiten in acht hebben genomen bij de beslissing omtrent de schuld van eiser aan feiten van telastlegging A (door o.a. te verwijzen naar de wederkerende modus operandi, de geloofwaardigheid van verweerder 1 en de ongeloofwaardigheid van eiser of het niet gelden van de door eiser aangehaalde argumenten). en zodoende artikel 6.
- EVRM geschonden hebben (eerste onderdeel). Tevens werd het recht op een eerlijk proces in hoofde van eiser geschonden (tweede onderdeel).
- Het middel raakt het (delicate) vraagstuk in welke mate de rechter bij de beoordeling van de schuld of onschuld van een beklaagde rekening kan houden met andere feiten die als een misdrijf kunnen worden omschreven maar waarvoor geen vervolging is ingesteld. Het Hof oordeelde dat wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag daarbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer daarbij melding wordt gemaakt van feiten die, hoewel vreemd aan die waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelichten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld
(2). Zo oordeelde het Hof eveneens dat de enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie, ter inlichting van de strafrechter, aan het aanhangige strafdossier een geseponeerd strafdossier heeft toegevoegd, geen miskenning oplevert van het recht van verdediging en geen afbreuk doet aan het bij artikel 6.2. EVRM bepaalde vermoeden van onschuld
(3). Bij het in aanmerking nemen van al deze feitelijke elementen mag de strafrechter het vermoeden van onschuld niet schenden
(4). In dit verband kan nuttig verwezen worden naar de rechtspraak van het Hof over de controle op de wettigheid van de motivering van de straf
(5). Artikel 6.2. EVRM, dat het algemene rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld vastlegt, belet de rechter niet om bij de straftoemeting alle gegevens in aanmerking te nemen die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de veroordeelde persoon en in het bijzonder met de daden die deze persoon zou hebben gesteld, mits hij geen uitspraak doet over het strafbare karakter ervan
(6). Het Hof oordeelde dat voor de bepaling van de straf de rechter alle feitelijke omstandigheden in aanmerking kan nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader op voorwaarde dat deze feiten aan tegenspraak zijn onderworpen en dat daardoor het vermoeden van onschuld niet wordt miskend. Het enkele gegeven dat die feitelijke omstandigheden als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, belet de rechter niet die omstandigheden bij de straftoemeting te betrekken, voor zover hij niet vaststelt dat de beklaagde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt. Indien de rechter evenwel aanneemt dat de beklaagde zich aan een dergelijk niet vervolgd misdrijf heeft schuldig gemaakt, miskent hij het vermoeden van onschuld
(7). In de zaak Krebs t/Duitsland van 20 februari 2020 gaf het Europees Hof te Straatsburg aan dat de manier van formuleren van belang is, in die zin dat de rechter er niet van mag uitgaan dat de beklaagde een misdrijf heeft begaan waarvoor hij nog niet is veroordeeld
(8). In deze zaak nam het Hof schending aan van art. 6 § 2 EVRM omdat de strafrechter had geoordeeld dat de beklaagde ‘eens te meer schuldig is aan meerdere feiten van oplichting’, hoewel voor die bijkomende feiten een definitieve veroordeling ontbrak.
- De door eiser bekritiseerde overwegingen van de appelrechters omtrent de beoordeling van de schuld van eiser aan telastlegging A luiden: "Uit het dossier blijkt dat beklaagde, o. a. tegen B. V. ongewenst gedrag heeft gesteld met een seksuele connotatie waardoor de waardigheid van Bram werd aangetast én door hem een bedreigende omgeving werd gecreëerd. Dit blijkt uit de geloofwaardige en gelijklopende verklaringen van B. V., S. D., B. V. en H. D., waaruit blijkt dat zijn gedrag t.a.v. B. V. (eigen onderlijning) deel uitmaakt van een bredere cluster van ongewenst gedrag (eigen onderlijning) dat beklaagde stelt t.a.v. mannelijke studenten en jonge medewerkers van de HOWEST." (punt f, pag 28 en 29 van het arrest). En verder: “Het feit dat pas na een decennium klachten worden geformuleerd door S. D., B. W. en H. D. en zij, na het grensoverschrijdende gedrag (onderlijning) van beklaagde, nog contact met hem zijn blijven zoeken en onderhouden, zowel op persoonlijk als professioneel vlak, doet aan het bovenstaande geen afbreuk en maakt hun verklaringen niet ongeloofwaardig. Het is niet ongewoon dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag tijd nodig hebben om deze feiten te plaatsen, niet met de feiten naar buiten komen en nog professionele of vriendschappelijke contacten onderhouden met de pleger, zeker als deze van een groot aanzien en invloed geniet in de gemeenschap waar ze studeren of werken. Het is ook niet ongewoon dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag deze informatie delen met en steun zoeken bij lotgenoten alvorens ze een klacht indienen, zoals ook in dit dossier is gebeurd (punt n, pag 32)”. De appelrechters spreken zich mijns inziens hierbij niet uit over het strafbare karakter van feiten ten aanzien van andere medewerkers en noch minder achten de appelrechters eiser schuldig aan deze feiten. De appelrechters stellen enkel vast dat eiser een ongewenst en grensoverschrijdend gedrag stelt t.a.v. mannelijke studenten en jonge medewerkers, zoals blijkt uit de verklaringen van 4 personen, waaronder de verklaring van verweerder 1, zonder te oordelen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor hij niet werd vervolgd. In de mate de appelrechters in het algemeen verwijzen naar hoe “slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag” tijd nodig hebben om feiten te plaatsen, impliceert dit niet dat de strafrechter geoordeeld heeft dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor hij niet werd vervolgd. Ook met de eveneens door eiser bekritiseerde overweging van de appelrechters, waarbij zij, in antwoord op het verweer van eiser om het verslag van IDEWE als bewijs uit te sluiten, overwegen dat “IDEWE VZW mocht bij dit onderzoek ook feiten betrekken waar beklaagde thans niet voor vervolgd wordt daar ook S. D. een klacht heeft neergelegd bij de preventieadviseur en B. W. een getuigenis heeft afgelegd bij de preventieadviseur. Het was de wettelijke taak van de preventieadviseur om ook deze feiten te onderzoeken. De Universiteit Gent mocht ook deze feiten meedelen aan de procureur des Konings om aan te tonen dat de feiten van beklaagde passen in een bepaald patroon, ook al zijn bepaalde feiten t.a.v. bepaalde slachtoffers strafrechtelijk verjaard,” spreken de appelrechters zich mijns inziens niet uit over de schuld van eiser omtrent concrete strafbare feiten die zouden verjaard zijn. Ik meen dan ook dat het bestreden arrest het vermoeden van onschuld van eiser niet schendt en het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen. Het tweede onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. (…) Zesde middel.
- Eiser voert de schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, het beginsel van de wapengelijkheid en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de regel van de bewijskracht van geschreven stukken.
- Het Hof oordeelde dat de vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft of eventueel zou kunnen krijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, vreemd is aan de processuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering. Die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd
(9). In diezelfde zin oordeelde het Hof dat het recht op een eerlijk proces, waarvan de processuele gelijkheid tussen de partijen deel uitmaakt, niet inhoudt dat de rechter moet ingaan op het verzoek van een partij tot overlegging van stukken die een andere partij in haar bezit heeft. De rechter kan oordelen dat die stukken niet nuttig zijn voor de vorming van zijn overtuiging en daarom niet moeten worden overgelegd
(10). In zoverre lijkt het middel te falen naar recht.
- De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het dossier van een stuk dat in het bezit is van een burgerlijke partij. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het oordeelt als volgt: - de eiser werpt op dat de wapengelijkheid werd miskend vermits de verweerder 2 een tweede IDEWE-verslag over de risicoanalyse met betrekking tot het aanwezige hyperconflict niet voorlegt en het openbaar ministerie niet heeft aangedrongen tot de voeging van dit verslag; - het hof van beroep volgt dit standpunt niet; - in het kader van het vooronderzoek heeft de eiser alle partijen aangeduid die op de hoogte zouden zijn geweest van dit vermeende hyperconflict en deze partijen werden verhoord door de politie of hebben een schriftelijke verklaring afgelegd die de eiser bijbrengt; - het is onwaarschijnlijk en de eiser maakt het niet aannemelijk, dat dit tweede verslag, dat de verweerder 2 niet wenst voor te brengen, bijkomende elementen à décharge van de eiser zou bevatten; - de verweerders beroepen zich ook niet op dit verslag; - de eiser maakt ook niet aannemelijk dat de verweerder 2, als bezitter van het stuk, misbruik zou maken van haar positie en dat de verweerder 2 aldus een processuele ongelijkheid zou creëren. Het lijkt mij dat het arrest met deze redenen het verweer van eiser beantwoordt en deze beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. (…) Zevende middel. Eerste, tweede en derde onderdeel.
- In zijn zevende middel voert eiser de schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 119 Sociaal Strafwetboek en artikel 32bis en 32ter al. 1, 3° van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna “Wet Welzijn Werknemers”).
- Eiser stelt in het eerste onderdeel van het zevende middel dat het arrest de bepalingen van artikel 119 Sociaal Strafwetboek en artikel 32bis en 32ter, lid 1, 3°, Wet Welzijn Werknemers, schendt door deze bepalingen uit te leggen in die zin dat de drijfveer van beklaagde bij zijn handelen geen bestanddeel van het misdrijf is en het voldoende is dat de daden als gevolg hebben dat de waardigheid van het slachtoffer wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Het gestelde gedrag moet volgens eiser een seksuele connotatie inhouden opdat artikel 119 Sociaal strafwetboek van toepassing kan zijn en de drijfveer van eiser betreft een constitutief bestanddeel. In zijn tweede onderdeel voert eiser aan dat de appelrechters eiser niet schuldig konden verklaren aan de feiten van ongewenst seksueel gedrag (telastlegging A) aangezien de appelrechters uitdrukkelijk vaststellen op pag. 35 dat eiser zelf de door hem gepleegde handelingen niet beschouwt als seksueel grensoverschrijdend gedrag en aldus niet voldaan is aan de door artikel 119 Sociaal Strafwetboek jo artikel 32ter Wet Welzijn Werknemers vereiste dat de dader weet had van enige seksuele connotatie van een door hem gestelde handeling t.a.v. verweerder. De seksuele connotatie moet aan de dader bekend zijn. Ondergeschikt voert eiser in zijn derde onderdeel aan dat, mocht geoordeeld worden dat het al of niet seksueel geconnoteerd zijn van de feiten objectief moet beoordeeld worden in het kader van een collectief bewustzijn (en dus niet door het al dan niet geweten zijn in hoofde van de dader), dit gekoppeld moet zijn aan het collectief bewustzijn van de samenleving in het kader van de omgang tussen personen van een gelijke aard, als deze waarover de feiten gaan. De appelrechters konden uit de feiten niet wettig afleiden dat eiser een inbreuk zou gepleegd hebben op artikel 119 Sociaal Strafwetboek, hebben een te brede draagwijdte gegeven aan artikel 119 Sociaal Strafwetboek en hun eigen inschatting gehanteerd voor de strafbaarheid op grond van artikel 119 Sociaal Strafwetboek en artikel 32ter, lid 1, 3°, Wet Welzijn Werknemers, en de motivering zou intern tegenstrijdig zijn.
- Het arrest stelt bij de beoordeling van de schuld van eiser aan telastlegging A niet enkel vast dat het voor eisers schuldig verklaring aan telastlegging A voldoende is dat de daden als gevolg hebben dat de waardigheid van het slachtoffer wordt aangetast of een bedreigende vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. In tegendeel, het arrest oordeelt vooreerst dat ongewenst seksueel gedrag op het werk elke vorm is van ongewenst, verbaal, non-verbaal of lichamelijke gedrag met een seksuele connotatie betreft (pag. 28, letter d) van het arrest) en verder dat uit het dossier blijkt dat beklaagde tegen verweerder 1 ongewenst gedrag heeft gesteld met een seksuele connotatie (pag. 28, letter f) van het arrest) en het geheel van de door eiser gestelde gedragingen voldoet aan de wettelijke definitie van ongewenst seksueel gedrag op het werk (pag. 32, letter n). In zoverre lijkt het eerste onderdeel te berusten op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 119 Sociaal Strafwetboek wordt met een sanctie van niveau 4 bestraft, eenieder die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die, in strijd met de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, een daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk begaat
(11). Krachtens artikel 32bis, eerste lid, Wet Welzijn Werknemers, zijn de werkgevers en de werknemers alsmede de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, en de andere dan de bij artikel 2, § 1, bedoelde personen die in contact komen met de werknemers bij de uitvoering van hun werk, ertoe gehouden zich te onthouden van iedere daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Artikel 32ter, eerste lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers, zoals van toepassing op de feiten, bepaalt dat voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder (…) 3° ongewenst seksueel gedrag op het werk: elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of lichamelijk gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Artikel 32ter, eerste lid, 3°, Wet Welzijn Werknemers werd in deze zin gewijzigd bij artikel 4 van de wet 10 januari 2007 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk
(12)
(13). Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de definitie van ongewenst seksueel gedrag op het werk werd gewijzigd om haar in overeenstemming te brengen met de definitie van ongewenst seksueel gedrag op het werk die voorkomt in de richtlijn 2002/73/EEG van 23 september 2002 tot wijziging van de richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Ten opzichte van de vroegere definitie wordt de verwijzing naar het feit dat de dader “wist of moest weten” welke gevolgen zijn gedrag heeft, vervangen door het feit dat het gedrag dergelijk impact “tot doel of gevolg” heeft. Het gaat hierbij niet alleen om de gedragingen die wetens en willens werden gesteld (de dader heeft de bedoeling de feiten te plegen en wil ook de voorzienbare gevolgen ervan) maar ook om de gedragingen waarvan de dader de gevolgen niet heeft gewild
(14).
- Noch uit de tekst van voormelde bepalingen noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat de drijfveer van eiser bij zijn handelen een bestanddeel van het misdrijf is. Om strafbaar te zijn is niet vereist dat de werknemer die dergelijk gedrag stelt ook zelf een seksuele bedoeling moet hebben bij zijn gedrag dat een seksuele connotatie vertoont. Of een gedrag een seksuele connotatie heeft, dient mijns inziens beoordeeld te worden zoals dit door het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip wordt ervaren. De rechter is daarbij niet gebonden door de inzichten die een beklaagde zelf heeft over de seksuele connotatie van zijn gedrag of aan de mening van andere werknemers die dat gedrag niet zo aanvoelen. Het gaat met andere woorden over een geobjectiveerd, maatschappij- en tijdsgebonden en dus evolutief begrip. Het eerste en tweede onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting lijkt mij te falen naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een gedrag al dan niet een seksuele connotatie heeft en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Het Hof gaat enkel na of de feitenrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het arrest (p. 15) stelt vast dat volgens de verweerder 1: - hij in de nacht van 6 op 7 november 2012 een kamer deelt met de eiser in het kader van een zakelijke ontmoeting in Nederland; - de eiser ‘s ochtends naakt rondloopt op de kamer, hij voorstelt om samen tegelijkertijd de badkamer te gebruiken, hij ongevraagd de badkamer betreedt terwijl de verweerder 1 zich aan het wassen is en hem op de kamer ongewenst fysiek aanraakt; - de handen van de eiser via zijn benen omhoog gingen tot bijna aan de schaamstreek; - hij toen duidelijk heeft gemaakt dat dit niet kon door zichzelf op zijn buik te draaien en het deken over zich heen te trekken. Het arrest (pag. 29 en pag. 35) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser geeft toe dat hij naakt in de kamer heeft rondgelopen; - het hof van beroep twijfelt niet aan de beschrijving van de verweerder 1 van wat er in de hotelkamer is gebeurd; - de eiser geeft in conclusie trouwens toe dat hij zich naakt in de richting van de badkamer heeft begeven en aan de voeten van de verweerder 1 heeft gekieteld; - het is daarbij van geen belang dat de douche zich achter een stenen muur bevond, zoals de eiser aangeeft of dat de verweerder 1 de badkamerdeur niet op slot had gedaan; - het zonder toestemming betreden van een badkamer waar een andere persoon staat te douchen is sowieso ongewenst en grensoverschrijdend seksueel gedrag. - Het gedrag van eiser ten aanzien van verweerder is zowel voor de betrokken medewerker als voor de normaal en zorgvuldige collega geplaatst in dezelfde omstandigheden te beschouwen en ongewenst seksueel gedrag en dus strafbaar, ook voor medewerkers op een campus die bekend zou staan voor een “kleinschalige en quasi familiale” sfeer. Op grond van deze redenen, waarbij de appelrechters een beoordeling in concreto hebben gedaan, konden de appelrechters mijns inziens wettig afleiden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenst seksueel gedrag op het werk. De beslissing lijkt mij naar recht verantwoord.
- Tegenstrijdig zijn redenen van eenzelfde beslissing die elkaar opheffen of teniet doen. Een tegenstrijdigheid zoals aangevoerd door eiser in zijn derde onderdeel, kan ik niet ontwaren. Het derde onderdeel van het zevende middel lijkt mij feitelijke grondslag te missen. (…) ________________________________
(1)Over de regeling van artikel 152 Sv. zie: I. COUWENBERG en F. VAN VOLSEM, Concluderen voor de strafrechter, Intersentia 2018, pag. 31. e.v.
(2)Cass. 11 maart 2014, AR P.12.1903.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.3, AC 2014, nr. 197; P. DUINSLAGER, “Het vermoeden van onschuld”, RW 2017-218, 696.
(3)Cass. 8 november 1995, AR P.95.0428.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951108.1, AC 1995, nr. 480; Cass. 10 september 1991, RW 1991-1992, kol. 675.
(4)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, I, p. 26; L. HUYBRECHTS, “Het gebruik in het strafproces van een ander strafdossier” in Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys&Breesch 1994, pag. 283 e.v.
(5)Zie dienaangaande de conclusies van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH bij Cass. 1 september 2021, AR P.21.1078.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3, AC 2021, nr. 507, op datum in Pas, en bij Cass. 28 april 2021, AR P.20.1243.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210428.2F.5, AC 2021, nr. 309, op datum in Pas..
(6)Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340; Cass. 12 oktober 2016, AR P.16.0627.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2, AC 2016, nr. 566; Cass. 28 mei 2014, AR P.14.0484.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.4, AC 2014, nr. 387 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.
(7)Cass. 14 september 2021, AR P.21.0530.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.7, AC 2021, nr. 546.
(8)EHRM 20 februari 2020, Krebs t/Duitsland, § 45-46, www.echr.coe.int, NC 2020, 335.
(9)Cass. 1 april 2014, AR P.13.1957.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4, AC 2014, nr. 255.
(10)Cass. 18 januari 2005, AR P.04.1225.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25, AC 2005, nr. 33; over het recht op wapengelijkheid zie Mercuriale uitgesproken door P. DUINSLAGER op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie van 1 september 2015, “Het recht op wapengelijkheid”, AC 2015/9.
(11)Artikel 119 Sociaal Strafwetboek, zoals na de feiten gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 29 februari 2016 tot aanvulling en wijziging van het Sociaal Strafwetboek en houdende diverse bepalingen van sociaal strafrecht (BS 21 april 2016). Ten tijde van de feiten luidde artikel 119 Sociaal Strafwetboek: “Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, hij die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk begaat in overtreding op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk”.
(12)BS 6 juni 2007.
(13)Artikel 32ter, lid 1, 3°, Wet Welzijn Werknemers luidde voorheen: “ongewenst seksueel gedrag op het werk: elke vorm van verbaal, niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen of het werk”.
(14)Parl.St., Kamer, Doc 51-2657/001, p. 17, www.dekamer.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951108.1 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210428.2F.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210901.2F.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div