← België

TELENET bvba contra ORANGE BELGIUM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211007.1N.1 Rolnummer: C.19.0356.N Zaak: TELENET bvba contra ORANGE BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-12-30 Raadplegingen: 797 - laatst gezien 2026-06-19 20:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.1 Fiche 1 Wanneer de nationale regelgevende instantie binnen de drie jaar volgend op de aanneming van een voorafgaand besluit betreffende die markt, geen nieuwe marktanalyse heeft uitgevoerd, blijven de reglementaire verplichtingen die in het kader van een vorige marktanalyse op een relevante markt werden opgelegd aan een operator met sterke machtspositie, van toepassing tot de volgende marktanalyse wordt aangenomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COMMUNICATIE. TELECOMMUNICATIE Vrije woorden: Besluit van het Instituut voor postdiensten en telecommunicatie - Analyse van de relevante markten - Gebrek aan nieuwe marktanalyse binnen de driejarige termijn - Reglementaire verplichtingen - Operator met sterke machtspositie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 55, § 1, a) - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiche 2 Het bevel tot staking moet de handeling waaraan het een einde wenst te stellen, op duidelijke wijze omschrijven en alle kenmerkende gegevens vermelden, zodat er bij de verweerder geen redelijke twijfel kan ontstaan over de draagwijdte van het bevel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Bevel tot staking - Omschrijving - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Wanneer de rechter aan de nakoming van de hoofdveroordeling een dwangsom verbindt, dient de hoofdveroordeling voldoende nauwkeurig te worden bepaald
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Verbonden aan de nakoming van een hoofdveroordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.19.0356.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: Eerste middel (…) 3. Eiseres voert een schending aan door de appelrechters van artikel 8 van Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, kortweg de Toegangsrichtlijn, van de artikelen 16.1, 16.4 en 16.6.a) van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en –diensten, kortweg de Kaderrichtlijn, beide richtlijnen zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, alsmede een schending van artikel 55 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie
(1), kortweg de wet elektronische communicatie, en van artikel XVII.1. van het Wetboek Economisch Recht, kortweg WER. Uit de door eiseres aangevoerde regelgeving volgt volgens eiseres dat het door de appelrechters opgelegde bevel tot staking op basis van de kaderbeslissingen van 1 juni 2011 (van de Conferentie van Regulatoren voor de Elektronische Communicatiesector, kortweg CRC), die, volgens eiseres, vanaf 1 juli 2014 niet langer afdwingbaar waren omdat ze vanaf dan gesteund waren op een obsolete, niet langer aangepaste markanalyse, niet wettig verantwoord is. 4. In het kader van de bespreking van het middel lijkt het mij nuttig de bepalingen van de aangevoerde regelgeving in herinnering te brengen. Artikel 8.2. van de Toegangsrichtlijn bepaalt dat wanneer een overeenkomstig artikel 16 van de Kaderrichtlijn verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, de nationale regelgevende instanties (kortweg NRI’
  1. s)hem, waar passend, de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van de Toegangsrichtlijn genoemde verplichtingen opleggen. Krachtens artikel 8.4. van de Toegangsrichtlijn worden de overeenkomstig artikel 8 opgelegde verplichtingen op de aard van het geconstateerde probleem gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Die verplichtingen worden alleen opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de richtlijn. Luidens artikel 16.1 van de Kaderrichtlijn voeren de NRI’s een analyse uit van de relevante in de aanbeveling vermelde markten, en houden daarbij rekening met de in de aanbeveling genoemde markten, met maximale inachtneming van de richtsnoeren. De lidstaten zorgen ervoor dat deze analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd. Artikel 16.4 van de Kaderrichtlijn bepaalt dat wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, zij nagaat welke ondernemingen op die markt afzonderlijke of gezamenlijke aanmerkelijke macht op de markt in de zin van artikel 14 hebben en zij de ondernemingen in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen oplegt als bedoeld in lid 2. van artikel 16 of deze verplichtingen handhaaft wanneer zij reeds bestaan. Krachtens artikel 16.6.
  2. a)van de Kaderrichtlijn gelden voor de in de leden 3 en 4 genoemde maatregelen de procedures van de artikelen 6 en 7. De nationale regelgevende instanties voeren een analyse uit van de relevante markt en delen conform artikel 7 de corresponderende ontwerpmaatregel mee binnen de drie jaar na de aanneming van een eerdere maatregel met betrekking tot die markt. De termijn kan in uitzonderlijke gevallen echter met maximaal drie jaar worden verlengd wanneer de NRI daartoe bij de Commissie een gemotiveerd verzoek heeft ingediend en de Commissie binnen één maand geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verlenging. Artikel 55, §1.
  3. a)van de wet elektronische communicatie bepaalt dat overeenkomstig §4 het Instituut (inzake elektronische communicatie) een analyse uitvoert van de relevante markten, rekening houdend met de markten opgelijst in de Aanbeveling, om te bepalen of zij daadwerkelijk concurrentieel zijn. Het houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de door de Europese Commissie gepubliceerde richtsnoeren De informatie-uitwisseling nodig voor die analyse gebeurt overeenkomstig artikel 137, §2. Het Instituut voert deze marktanalyse uit overeenkomstig de artikelen140 tot 143/1.
  4. a)binnen de drie jaar volgend op de aanneming van een voorafgaand besluit van het Instituut betreffende die markt. Die termijn kan evenwel uitzonderlijk worden verlengd met maximaal drie bijkomende jaren wanneer het Instituut aan de Europese Commissie een met redenen omkleed voorstel tot verlenging heeft gedaan en zij geen bezwaar heeft gemaakt in de maand die volgt op deze kennisgeving. Artikel XVII.1. WER bepaalt dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek. 5. Uit het hiervoor geciteerde artikel 16.6.
  5. a)van de Kaderrichtlijn blijkt dat nationale regulatoren om de drie jaar een nieuwe marktanalyse moeten uitvoeren. Met het bestreden arrest oordelen de appelrechters dat de toegangsverplichtingen voor eiseres, opgelegd in de kaderbeslissingen van 1 juli 2011, thans hernomen zijn in de kaderbeslissingen van 29 juni 2018
(2)en dat de regulatoren hierin beslisten om de bestaande toegangsverplichtingen te behouden en te verduidelijken
(3), zodat de vraag over de afdwingbaarheid van de toegangsverplichtingen niet langer aan de orde is. Het komt mij voor dat deze overwegingen, die het middel niet bekritiseert, de beslissing van de appelrechters om aan eiseres een stakingsbevel op te leggen wegens schending van de regelgevende toegangsverplichtingen, schragen. De appelrechters stellen immers vast dat de gedragingen die een inbreuk maken op de eerlijke marktpraktijken zich ook na de nieuwe kaderbeslissingen van 29 juni 2018 zijn blijven voordoen. Zij oordelen dat eiseres zich ook daarna onredelijk blijft gedragen en vasthoudt aan haar onredelijk tariefvoorstel
(4). Op het ogenblik van die laatste feiten golden in elk geval de regelgevende toegangsverplichtingen onder de nieuwe kaderbeslissingen van 29 juni 2018, die zodoende een rechtsgrond konden vormen om een nieuw stakingsbevel op te leggen. De voormelde zelfstandige, door eiseres niet bekritiseerde redengeving, draagt aldus mijns inziens de beslissing van de appelrechters om een bevel tot staking op te leggen aan eiseres wegens de niet-naleving van haar reglementaire verplichtingen (artikel XVII.
  1. WER). Ik meen dan ook dat in zoverre het middel opkomt tegen de overtollige reden dat de beslissingen van de regulatoren van 1 juli 2011 ten tijde van de feiten perfect rechtsgeldig en afdwingbaar waren, dit is ook na het verstrijken van de driejarige termijn om een nieuwe marktanalyse uit te voeren, niet tot cassatie kan leiden en mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is.
  2. De appelrechters stellen vast dat eiseres in overeenstemming met de nieuwe beslissingen van de regulatoren van 29 juni 2018 een referentieaanbod heeft voorgelegd. Het komt mij voor dat, anders dan waarvan het middel uitgaat, de appelrechters hierdoor niet oordelen dat eiseres aan alle verplichtingen van voornoemde beslissingen van 29 juni 2018 heeft voldaan. In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest mist het mijns inziens feitelijke grondslag. (…) Vierde middel
  3. Eiseres voert een schending aan door de appelrechters van artikel XVII.1 WER en van artikel 1385bis van het Gerechtelijke Wetboek, door het opleggen van een dermate onnauwkeurig bevel tot staken aan eiseres, onder verbeurte van een dwangsom, dat eiseres redelijkerwijs niet kan inschatten wat zij moet doen om hieraan te voldoen. Volgens eiseres doet de omschrijving van het bevel dat haar bij het bestreden arrest werd opgelegd op straffe van een dwangsom, bij eiseres een geobjectiveerde twijfel ontstaan over de precieze draagwijdte van dat bevel, nu het criterium “met goede wil” onderhandelen dermate vaag, onnauwkeurig, subjectief geladen en bij het minste voor betwisting vatbaar is en hetzelfde geldt voor de criteria “billijk”, “redelijk”, “loyaal”, “niet-discriminatoir” en “transparant”, waaraan het voorstel van eiseres voor het sluiten van een overeenkomst moet voldoen. Zoals reeds in herinnering gebracht, bepaalt artikel XVII.1, eerste lid, Wetboek van Economisch Recht, zoals van toepassing, dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dat wetboek. Het bevel tot staking moet de handeling waaraan het een einde wenst te stellen, op duidelijke wijze omschrijven en alle kenmerkende gegevens vermelden, zodat er bij de verweerder geen redelijke twijfel kan ontstaan over de draagwijdte van het bevel
(5). In een arrest van 29 maart 2019 oordeelde het Hof dat “het bevel tot staking op een duidelijk omschreven daad (moet) slaan. Het moet daarbij ook van aard zijn om een herhaling van een verboden praktijk te vermijden”
(6). Uit de bepalingen van de artikelen 1385bis en 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek en uit de rechtspraak van uw Hof volgt dat de veroordeling om iets te doen, waaraan, voor het geval die hoofdveroordeling niet wordt voldaan, de verbeurte van een dwangsom wordt gekoppeld, voldoende nauwkeurig moet worden bepaald
(7). Enerzijds mag een stakingsbevel geen loutere herhaling zijn van een wettelijk verbod, maar moet het een welbepaalde daad viseren. Anderzijds moet het ook niet alle omstandigheden van het geval viseren. Het mag niet zo eng geformuleerd worden dat de veroordeelde verkoper dit bevel gemakkelijk zou kunnen omzeilen
(8). Zo dient de voorzitter van de rechtbank van koophandel (thans de voorzitter van de ondernemingsrechtbank) de staking niet te beperken tot exact die daad die aan hem ter beoordeling is voorgelegd
(9). Er wordt aangenomen dat het stakingsbevel zich, in aansluiting op deze daad, op een iets meer algemene wijze mag uitstrekken tot een bepaalde praktijk. In die zin strekt het bevel zich uit over een genus van praktijk, waarvan de voorgelegde daad species is
(10). Ook wanneer het stakingsbevel betrekking heeft op een bepaalde praktijk, moet die voldoende precies omschreven zijn, zodat geen redelijke twijfel bestaat voor de veroordeelde
(11). Zo oordeelde het Hof in een arrest van 16 maart 2018
(12)dat het arrest dat de eiseres beveelt elk gebruik van een model te staken, in het bijzonder het gebruik van een hengsel met referentie 4001.04110xxx, alsook van elk model dat geen visueel globaal verschillende indruk weergeeft in vergelijking met het voormelde model van de eiseres, teneinde te voorkomen dat lichte wijzigingen die de visuele globale indruk niet zouden wijzigen, zouden worden ingeroepen teneinde zich te onttrekken aan het stakingsbevel, en dat aldus eerder een praktijk doet staken dan een welbepaalde handeling, het stakingsbevel in voldoende mate preciseert. In een ander arrest van 14 juni 2013
(13)oordeelde het Hof dat het bevel tot staking van het uitzenden van een of meerdere televisiespots en het voeren van enige andere vorm van reclame “in zoverre hierin nog vermeld zou worden of de indruk zou worden gewekt dat er bij het gebruik van Ariel Excel Gel een identiek of soortgelijk resultaat wordt gehaald wanneer gewassen wordt op een temperatuur van 15°C als wanneer gewassen wordt op een temperatuur van 40°C”, voldoende duidelijk is. In zijn arrest van 29 mei 2009
(14)oordeelde het Hof bovendien dat het bevel tot staking dat betrekking heeft op producten, niet noodzakelijk soort en merk waarop het bevel slaat moet omschrijven, wanneer die gegevens zonder determinerend belang zijn voor de vaststelling van de verboden praktijk. Ten slotte oordeelde het Hof in een recent arrest van 29 maart 2019
(15)dat door de staking te bevelen van het gebruik van de handelsnaam “Flow Tech” en van enig overeenstemmend teken zoals “Flow Technologie”, de appelrechters op duidelijke wijze de staking van een verboden praktijk bevelen om herhaling te voorkomen. De appelrechters stellen, op grond van in randnummer 10 van het bestreden arrest mijns inziens duidelijk omschreven gedragingen, een inbreuk vast door de weigering van eiseres om met goede wil te onderhandelen over het verdelen van eigen zenders van verweerster, en meer in het bijzonder, door “enerzijds te weigeren in het algemeen redelijke technische, operationele en financiële voorwaarden daarvoor voor te stellen en, anderzijds, door specifiek te weigeren de zender ‘Eleven Sports 3’ als eigen zender van de verweerster te verdelen, dan wel minstens door daaraan excessieve voorwaarden te koppelen”. Zij bevelen aan eiseres die nauwkeurig opgesomde gedragingen te staken en, als corollarium hiervan, tot het doen van “een billijk, redelijk, loyaal, niet-discriminatoir en transparant voorstel van technische, operationele en financiële voorwaarden voor het sluiten van een overeenkomst over de verdeling van eigen zenders van de verweerster over het kabelnetwerk van de eiseres.” Het bevel om “met goede wil” te onderhandelen en aan verweerster een “billijk, redelijk, loyaal, niet-discriminatoir en transparant voorstel van technische, operationele en financiële voorwaarden” voor te stellen, vormt, als positieve maatregel, de keerzijde van het negatief geformuleerde stakingsbevel. De open normen die het bevel bevat, met name redelijkheid, billijkheid en transparantie, zijn de criteria die in de Kaderbeslissingen van 2011 en 2018 zelf zijn opgenomen. Het komt mij voor dat het eigen is aan deze open begrippen dat de rechter niet op een concrete, limitatieve en positieve wijze alle gedragingen kan opsommen die wel aan die criteria zouden kunnen voldoen. Het lijkt mij nuttig om in de marge van hetgeen voorafgaat te wijzen op “FRAND” voorwaarden waaraan onderhandelingen tussen ondernemingen (al dan niet in der minne) kunnen worden onderworpen teneinde betwistingen te vermijden die kunnen ontstaan naar aanleiding van een mogelijk misbruik van machtspositie (schending van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(16)) ingevolge een technologische afhankelijkheid, die leidt tot een economische afhankelijkheid. FRAND is een acroniem voor “fair, reasonable and non-discriminatory”
(17). Hoewel het regelgevend kader dat aanleiding geeft tot het voeren van FRAND-onderhandelingen inzake standaard-essentiële octrooien
(18), kortweg SEO’s, specifiek is en onderscheiden van dat waarin de betwisting tussen eiseres en verweerster kadert dat aanleiding gaf tot het bestreden arrest (zie randnummer 4), lijken de begrippen “eerlijk, redelijk en niet-discriminerend” (FRAND) en de criteria van “billijk, redelijk, loyaal, niet-discriminatoir en transparant” uit het bevel dat door de appelrechters aan eiseres werd opgelegd, mij deels identiek en voor het overige nauw bij elkaar aan te sluiten. Daarenboven is er zowel in het geval van de gebruiker van een standaard-essentieel octrooi als in het geval van verweerster, die een eigen zender wenst te verdelen over het kabelnetwerk van eiseres, sprake van een “technologische afhankelijkheid” die niet mag in de weg staan aan de vrijheid van ondernemerschap
(19)en een niet-vervalste mededinging, reden waarom het gebruik van de technologie mogelijk dient gemaakt te worden aan “eerlijke, redelijke en niet-discriminerende” voorwaarden. In zijn de conclusie van 20 november 2014 voorafgaand aan het arrest van het Hof van Justitie EU van 16 juli 2015 inzake C-170/13 Huawei Technologies Co LTD tegen ZTE Corp. stelt advocaat-generaal M. Wathelet dat het aan de houder en de gebruiker van het octrooi staat om over de draagwijdte en de voorwaarden van het gebruik van een standaard-essentieel octrooi te onderhandelen (r.o. 25 van de conclusie). Wat de specifieke voorwaarden van een FRAND-licentie betreft, meent advocaat-generaal M. Wathelet dat deze tot de bevoegdheid van partijen en eventueel van de civiele rechterlijke instanties en de scheidgerechten behoort (r.o. 40 van de conclusie). Het Hof van Justitie stelde in het arrest Huawei vast dat partijen het niet eens waren wat FRAND-voorwaarden in hun geval verlangden (r.o. 54 arrest Huawei) en dat teneinde voorwaarden in acht te nemen die een juist evenwicht tussen de betrokken belangen beogen te waarborgen, daartoe naar behoren rekening dient gehouden te worden met de specificiteit van de juridische en feitelijke omstandigheden van de zaak (r.o. 55-56 arrest Huawei). Tot op heden kregen de begrippen of voorwaarden “fair, reasonable and non-discriminatory” geen algemeen geldende invulling in abstracto in regelgeving, rechtspraak of rechtsleer
(20). Mijns inziens volstaat het dat de rechter op een negatieve wijze nauwkeurig de gedragingen omschrijft die gestaakt moeten worden, opdat aan artikel XVII.1 WER wordt voldaan. Het lijkt mij niet noodzakelijk dat de rechter op een concrete, limitatieve en positieve wijze alle gedragingen zou opsommen die wel aan de gestelde voorwaarden zouden kunnen voldoen. Ik meen dat de appelrechters het stakingsbevel met voldoende duidelijkheid omschrijven en dat het bevel daarbij van aard is om een herhaling van de als verboden aangemerkte praktijk te vermijden. De dwangsom die zij aan de nakoming van het door hen uitgesproken bevel verbinden, komt mij voor als voldoende nauwkeurig. De appelrechters schenden mijns inziens geen van de door eiseres als geschonden aangevoerde bepalingen. Ik meen dat het middel niet kan worden aangenomen. Conclusie: Verwerping van de voorziening in cassatie. ______________________________
(1)Artikel 1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bepaalt dat deze wet de omzetting vormt in Belgische recht van onder meer de Kaderrichtlijn en de Toegangsrichtlijn.
(2)Bestreden arrest, p. 12 onderaan: “Dit standpunt van Telenet kan niet worden gevolgd. De verplichting om binnen de drie jaar een nieuwe marktanalyse te maken is louter en alleen een verplichting die rust op de regulatoren. Het verstrijken van die termijn leidt er geenszins toe dat de bestaande reglementaire verplichtingen zouden vervallen. Ten tijde van de feiten waren de beslissingen van 11 juli 2011 dus perfect rechtsgeldig en afdwingbaar. Thans zijn de toegangsverplichtingen van Telenet als zogenaamde SMP-operator (operator met aanzienlijke marktmacht) hernomen en zelfs verstrengd in de beslissingen van de regulatoren (CRC) van 29 juni 2018, zodat de vraag omtrent de afdwingbaarheid van de toegangsverplichtingen van Telenet in elk geval niet langer aan de orde is”.
(3)Bestreden arrest, p. 4, alinea 2.
(4)Bestreden arrest, p. 16, r.o. 10, laatste streepje.
(5)Cass. 14 juni 2013, AR C.12.0524.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130614.8, AC 2013, nr. 372; zie ook concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM vóór Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3, AC 2019, nr. 197, r.o. 4.
  1. tot 4.
  2. en Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3: “het bevel tot staking moet op een duidelijk omschreven daad slaan. Het moet daarbij ook van aard zijn om een herhaling van een verboden praktijk te vermijden”; Cass. 29 mei 2009, AR C.06.0377.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3, AC 2009, nr. 360.
(6)Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3, AC 2019, nr. 197: “het bevel tot staking moet op een duidelijk omschreven daad slaan. Het moet daarbij ook van aard zijn om een herhaling van een verboden praktijk te vermijden”
(7)Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3, AC 2019, nr. 197; Cass. 14 juni 2013, AR C.12.0524.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130614.8, AC 2013, nr. 372; Cass. 28 juni 2012, AR C.11.0744.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.15, AC 2012, nr. 425.
(8)J. STUYCK, Handels- en economisch recht. Deel 2. Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken, Mechelen, Kluwer, 2015, 131, nr. 117 en 142, nr. 132.
(9)G. PHILIPSEN, “Artikel 95 W. 14 juli 1991” in Handels- en economisch recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 39.
(10)Ibid., nr. 40.
(11)Ibid., nr. 41; J. STUYCK, Handels- en economisch recht. Deel 2. Mededingingsrecht. A. Handelspraktijken, Mechelen, Kluwer, 2015, 142, nr. 133: het stakingsbevel mag “aanverwante daden” omvatten, maar die moeten wel voldoende duidelijk omschreven zijn.
(12)Cass. 16 maart 2018, AR C.17.0117.F, arrest niet gepubliceerd.
(13)Cass. 14 juni 2013, AR C.12.0524.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130614.8, AC 2013, nr. 372.
(14)Cass. 29 mei 2009, AR C.06.0377.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3, AC 2009, nr. 360.
(15)Cass. 29 maart 2019, AR C.18.0323.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3, AC 2019, nr. 197.
(16)Artikel 102 VWEU: “Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in:
  1. a)het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
  2. b)het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
  3. c)het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
  4. d)het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten”
(17)In het Nederlands: “eerlijk, redelijk en niet-discriminerend”.
(18)Een standaard-essentieel octrooi is een octrooi dat essentieel is voor een norm die is vastgesteld door een standaardorganisatie, waaronder het Europees Telecommunicatie en Standaardisatie Instituut of “ETSI”. Volgens artikel 15, lid 6, van het beleidsdocument van ETSI inzake intellectuele-eigendomsrechten wordt het intellectueel-eigendomsrecht als “essentieel” beschouwd wanneer het om technische redenen niet mogelijk is om producten te vervaardigen die aan de norm beantwoorden zonder inbreuk op dit eigendomsrecht te maken.
(19)Gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en door artikel II.3 WER.
(20)Zie “Huwai v ZTE: naar een “redelijke” handhaving van standaard-essentiële octrooien in FRAND-onderhandelingen?”, M. Van Roey, SEW, nr. 3, maart 2016, p. 130, waarin de auteur, mijns inziens terecht, opmerkt dat het Hof van Justitie in het arrest van 16 juli 2015 inzake C-170/13 Huawei Technologies Co LTD tegen ZTE Corp niet heeft verduidelijkt wat kan worden beschouwd als een “eerlijk en redelijk” licentieaanbod in hoofde van de SEO-houder. Ook standaardisatieorganisaties zoals ETSI wagen zich er niet aan om deze FRAND-verbintenis te verduidelijken. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211007.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.15 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130614.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.