id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211007.1N.4 Rolnummer: C.20.0323.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT contra VERREYDT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Unierecht Invoerdatum: 2021-12-30 Raadplegingen: 852 - laatst gezien 2026-06-18 16:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.4 Fiche 1 Een betrokkene heeft het recht om een klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen een verwerkingspraktijk waarvan hij meent dat deze inbreuk maakt op zijn rechten uit hoofde van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, zelfs wanneer de persoonsgegevens van de betrokkene zelf niet worden verwerkt maar hij het voordeel of de dienst niet heeft verkregen doordat hij zijn toestemming met de verwerking heeft geweigerd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Algemene verordening gegevensbescherming - Verwerking van persoonsgegevens - Weigering toestemming - Verlies van voordeel of dienst - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Artt. 2, eerste lid, 4, 2), 5, eerste lid, c), en 57 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Preambule, punt 141 Fiche 2 De Gegevensbeschermingsautoriteit die na onderzoek van een klacht vaststelt dat een praktijk daadwerkelijk aanleiding geeft tot een inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens is bevoegd om corrigerende maatregelen te nemen ook al werden de persoonsgegevens van de klager zelf niet verwerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Inbreuk op grondbeginselen van bescherming van persoonsgegevens - Gegevensbeschermingsautoriteit - Klacht - Geen verwerking van persoonsgegevens van de klager - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Artt. 4, § 1, eerste lid, 63, 72 en 100, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 3 - 4 Het verlies van een voordeel of dienst bij weigering van toestemming kan de mogelijkheid van een echte vrije keuze doen ontbreken en een nadelig gevolg uitmaken in de zin van punt 42 van de preambule bij de Algemene Verordening Gegevensbescherming
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Rechtstreeks toepasselijk - Algemene verordening gegevensbescherming - Verwerking van persoonsgegevens - Weigering toestemming - Verlies van voordeel of dienst - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 288, tweede lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Artt. 4, 11), en 6, eerste lid Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Verwerking van persoonsgegevens - Weigering toestemming - Verlies van voordeel of dienst - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 288, tweede lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Artt. 4, 11), en 6, eerste lid Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021, nr. 437, p. 16. - VAN GREMBERGHE, Thomas; Noot'E-ID als klantenkaart: enkele lessen' Tekst van de conclusie C.20.0323.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts SITUERING 1. Op 18 oktober 2019 werd door verweerster hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof (hierna “het Marktenhof”), tegen een beslissing van 17 september 2019 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, naar aanleiding van een klacht van een cliënte van verweerster. Met deze beslissing (hierna “de aangevochten beslissing”) werd een inbreuk vastgesteld in hoofde van verweerster op de artikelen 5.1 c), 6.1, 13.1 en 13.2 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna “AVG”). Als sancties werd aan verweerster bevolen de verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de voormelde bepalingen AVG, werd haar een administratieve geldboete van 10.000 euro opgelegd en werd de bekendmaking bevolen van de beslissing op de website van eiseres, na anonimisering. Bij arrest uitgesproken door het Marktenhof op 19 februari 2020 werd het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en gegrond verklaard en werd de aangevochten beslissing vernietigd. 2. Met een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres, met twee middelen, op tegen het arrest van 19 februari 2020. BESPREKING Eerste middel Tweede onderdeel 3. De appelrechters overwegen dat er “door de klaagster in casu geen EID-kaart [is] aangeboden en er (…) dus geen enkele verwerking van haar gegevens gebeurd (is). Derhalve toont [eiseres] geen daadwerkelijke inbreuk in verband met persoonsgegevens aan”. Eiseres voert aan dat door op deze grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 5.1
- c)AVG niet bewezen is en de bestreden beslissing te vernietigen, daar waar een daadwerkelijke verwerking van de gegevens van de klager geen noodzakelijke vereiste is opdat de Gegevensbeschermingsautoriteit onderzoekend en sanctionerend kan optreden, en het volstaat dat een praktijk wordt vastgesteld die aanleiding kan geven tot een inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking, de appelrechters de artikelen 2.1, 4 2), 5.1
- c)en 57.1 a),
- f)en
- h)AVG, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met artikel 288, tweede lid VWEU, en de artikelen 4, §1, 63, 72 en 100, §1 van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit schenden. In ondergeschikte orde verzoekt eiseres het Hof om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Dient artikel 57.1, inzonderheid de bepalingen a),
- f)en h), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, aldus te worden begrepen dat de toezichthoudende autoriteit die een klacht ontvangt, en die na onderzoek van de klacht vaststelt dat sprake is van een praktijk die aanleiding geeft tot een inbreuk op grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, hoewel er specifiek met betrekking tot de klager geen daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens is gebeurd nu hij daarvoor zijn toestemming niet had gegeven, niet sanctionerend kan optreden met betrekking tot de vastgestelde praktijk?” 4. Uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 2, lid 1, 4, 2), 5, lid 1,
- c)en 57 AVG, van punt 141 van de preambule AVG en van de artikelen 4, §1, eerste lid, 63, 1°, 2° en 6°, 72 en 100, §1 van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, volgt mijns inziens dat een betrokkene het recht heeft om een klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen een verwerkingspraktijk waarvan hij meent dat deze inbreuk maakt op zijn rechten uit hoofde van de AVG, zoals het recht om zijn persoonsgegevens minimaal te laten verwerken, krachtens artikel 5, lid 1, c), AVG, opdat hij van een voordeel of dienst kan genieten. Ik meen dat dit ook het geval is wanneer de persoonsgegevens van de betrokkene zelf niet werden verwerkt, maar deze het voordeel of de dienst niet heeft verkregen, doordat hij, precies omwille van het bestaan van de vermeend inbreukmakende praktijk, zijn toestemming met de verwerking heeft geweigerd. Uit punt 141 van de preambule bij de AVG en de wetsgeschiedenis bij de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit blijkt dat de toetssteen voor het recht om een klacht in te dienen, is dat een betrokkene meent dat “inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van de AVG”
(1). In dit licht lijkt eveneens inbreuk te worden gemaakt op de rechten van een betrokkene uit hoofde van de AVG wanneer deze verplicht wordt om zijn persoonsgegevens te laten verwerken volgens een praktijk die aanleiding geeft tot een inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens. – zoals het beginsel van de minimale gegevensverwerking vervat in artikel 5, lid 1, c). – opdat hij van een voordeel of dienst kan genieten. De betrokkene kan weliswaar weigeren om zijn instemming te verlenen met deze onwettige persoonsverwerking, maar dan verliest hij ook het voordeel of de dienst
(2). Op grond van de AVG heeft de betrokkene het (subjectief) recht om zijn persoonsgegevens minimaal te laten verwerken, te weten beperkt tot wat ter zake dienend en strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van de verwerking, opdat hij van het voordeel of de dienst kan genieten. Wanneer de betrokkene meent dat door een verwerkingspraktijk inbreuk wordt gemaakt op dit (subjectief) recht, heeft hij het recht om tegen die praktijk een klacht in te dienen bij de toezichthoudende autoriteit. Wanneer de Gegevensbeschermingsautoriteit, na onderzoek van een dergelijke klacht, vaststelt dat de praktijk daadwerkelijk aanleiding geeft tot een inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking vervat in artikel 5, lid 1, c), AVG, is zij bevoegd om corrigerende maatregelen te nemen en desgevallend een administratieve geldboete op te leggen, ook al werden de persoonsgegevens van de klager zelf niet verwerkt. Het lijkt mij de opzet van de AVG uit te hollen en in te gaan tegen de geest van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, wanneer de Gegevensbeschermingsautoriteit niet onderzoekend en/of sanctionerend zou mogen optreden tegen dergelijke inbreukmakende verwerkingspraktijk, doch de betrokkene eerst zelf zijn gegevens op een onwettige wijze zou moeten laten verwerken (in strijd met het beginsel van minimale gegevensverwerking), alvorens hij tegen die praktijk een klacht zou kunnen indienen. 5. Uit de vaststellingen van de appelrechters en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: * een klant van verweerster een klacht heeft ingediend bij eiseres nu zij, om een klantenkaart te verkrijgen en van kortingen op haar aankopen te kunnen genieten, verplicht werd om haar elektronische identiteitskaart te laten lezen in het computersysteem van verweerster en zij ten gevolge van een weigering hiervan en bij gebrek aan alternatief, zoals het verstrekken van de strikt noodzakelijke persoonsgegevens op papier, niet van het voordeel van de kortingen kon genieten;
(3)* het inspectieverslag van eiseres vermeldt dat de klantgegevens die door middel van lezing van de elektronische identiteitskaart worden bewaard, de volgende zijn: naam, voornamen, adres, geboortedatum, geslacht, vanaf wanneer de betrokkene klant is en het bedrag van de aankopen, en dat de barcode van de elektronische identiteitskaart waarin het rijksregisternummer is vervat, door verweerster gelinkt wordt aan de gegevens van de klant
(4); * eiseres in de bestreden beslissing van 17 september 2019 heeft geoordeeld dat een inbreuk op artikel 5, lid 1, c), AVG bewezen is, doordat de verwerking van de klantgegevens het beginsel van minimale gegevensverwerking niet eerbiedigt, omdat zij het gebruik van het rijksregisternummer impliceert dat is opgenomen in de barcode van de elektronische identiteitskaart, hetgeen niet ter zake dienend is, en zij de bewaring inhoudt van gegevens inzake geslacht en geboortedatum, die evenmin ter zake dienend zijn
(5).
- De appelrechters oordelen dat “er door de klaagster in casu geen eID-kaart werd aangeboden en er dus geen enkele verwerking van haar gegevens is gebeurd. Derhalve toont [de eiseres] geen daadwerkelijke inbreuk in verband met persoonsgegevens aan.” Door op die grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 5, lid 1, c), AVG niet bewezen is, en de litigieuze beslissing van eiseres op die grond te vernietigen, terwijl niet vereist is dat de persoonsgegevens van de klager daadwerkelijk verwerkt zijn opdat de eiseres naar aanleiding van een klacht corrigerende maatregelen of een administratieve geldboete kan opleggen, na de vaststelling dat een praktijk bestaat die aanleiding geeft tot een inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking, verantwoorden de appelrechters mijns inziens hun beslissing niet naar recht, doch schenden zij de in randnummer 4 vermelde bepalingen. Ik meen dat het onderdeel gegrond is. Het komt mij voor dat indien het Hof oordeelt dat het tweede onderdeel gegrond is, het eerste en het derde onderdeel niet dienen beantwoord te worden door het Hof, aangezien zij niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Vierde onderdeel
- Eiseres voert aan dat in zoverre de appelrechters aan de motieven van de bestreden beslissing een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, met name door daarin te lezen dat de juridische grondslag van de beslissing te vinden is in de Wet van 19 juli 1991 zoals gewijzigd door de Wet van 25 november 2018, daar waar uit de bewoordingen blijkt dat de juridische grondslag wel degelijk te vinden is in de artikelen 6.1 en 4.11 AVG, de appelrechters de bewijskracht van deze motieven schenden (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Eiseres stelt dat in zoverre de appelrechters niet nagaan of de in de bestreden beslissing opgenomen juridische analyse inzake de artikelen 6.1 en 4.11 AVG correct is, met name voor wat betreft de invulling van de vereiste “vrije toestemming”, de appelrechters voorts de rechterlijke motiveringsplicht miskennen (schending van artikel 149 van de Grondwet) evenals de artikelen 6.1 en 4.11 AVG, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met punt 42 van de preambule AVG en artikel 288, tweede lid VWEU.
- Artikel 288, lid 2, VWEU bepaalt dat een verordening een algemene strekking heeft. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Krachtens artikel 6, lid 1, AVG is de verwerking alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden. Krachtens artikel 4, 11), AVG wordt onder “toestemming” van de betrokkene verstaan: elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt. Punt 42 van de preambule bij deze verordening bepaalt dat “toestemming niet mag worden geacht vrijelijk te zijn verleend indien de betrokkene geen echte of vrije keuze heeft of zijn toestemming niet kan weigeren of intrekken zonder nadelige gevolgen.”
- Uit het geheel van voornoemde wetsbepalingen volgt mijns inziens dat ook het verlies van een voordeel of dienst bij weigering van toestemming de mogelijkheid van een echte vrije keuze kan doen ontbreken en een nadelig gevolg kan uitmaken in de zin van punt 42 van de preambule, ten gevolge waarvan de toestemming niet wordt geacht vrij te zijn verleend, in de zin van artikel 4, 11), AVG. Dit volgt naar ik meen eveneens uit de Richtsnoeren van de Groep gegevensbescherming artikel 29 (dit is de Groep voor bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, ingesteld bij artikel 29 en 30 van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995) “inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679”, vastgesteld op 28 november 2017 en laatst herzien en vastgesteld op 10 april
- In die Richtsnoeren wordt als element van een geldige toestemming gepreciseerd dat zij “vrij/vrijelijk gegeven” moet zijn. Volgens de Richtsnoeren “impliceert het element ‘vrij’ werkelijke keuze en controle voor betrokkenen. Als algemene regel schrijft de AVG voor dat als een betrokkene geen werkelijke keuze heeft, zich gedwongen voelt om toestemming te geven of het voor hem negatieve gevolgen zal hebben als hij of zij niet toestemt, de toestemming niet geldig is. Indien toestemming wordt samengevoegd als een niet-onderhandelbaar onderdeel van voorwaarden, wordt deze verondersteld niet vrij gegeven te zijn. Bijgevolg wordt toestemming niet geacht vrij gegeven te zijn indien de betrokkene zijn of haar toestemming niet zonder nadelige gevolgen kan weigeren of intrekken”
(6). Een toestemming wordt bijgevolg niet vrijelijk gegeven, wanneer de weigering voor de betrokkene “negatieve gevolgen” zal hebben. Uit de logica van deze tekst en uit de ruime en doeltreffende bescherming die de Europese regelgever met het vereiste van een vrije, specifieke, geïnformeerde, ondubbelzinnige en actieve toestemming aan de betrokkene wil geven, volgt mijns inziens dat een toestemming evenmin wordt geacht vrij te zijn gegeven, wanneer de betrokkene een voordeel zou verliezen ten gevolge van een weigering van toestemming (zoals het voordeel van kortingen of van een bepaalde dienstverlening). Er ligt dan namelijk ook een zekere “dwang” of “druk” op de toestemming van de betrokkene, die niet werkelijk over een vrije keuze beschikt, nu hij bij weigering het voordeel of de dienst zou verliezen. Dit verlies van een voordeel bij weigering van toestemming lijkt in de geest van de artikelen 6.1, a), en 4, 11), AVG, in samenhang met punt 42 van de preambule en zoals uitgelegd in de vernoemde Richtsnoeren, vanzelfsprekend ook een “nadelig” of “negatief gevolg” uit te maken ten gevolge waarvan een toestemming niet als vrijelijk gegeven kan worden beschouwd. Het is om die reden dat artikel 6, §4, Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten werd gewijzigd bij Wet van 25 november 2018. Het tweede lid van dit artikel luidt voortaan dat “het rijksregisternummer en de foto van de houder enkel gebruikt mogen worden indien hiertoe gemachtigd is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie. De elektronische identiteitskaart mag enkel gelezen of gebruikt worden met de vrije, specifieke en geïnformeerde toestemming van de houder van de elektronische identiteitskaart.” Het derde lid bepaalt dat “wanneer een voordeel of dienst aangeboden wordt aan een burger via zijn elektronische identiteitskaart in het kader van een informaticatoepassing, eveneens een alternatief dat het gebruik van de elektronische identiteitskaart niet vereist, voorgesteld moet worden aan de betrokken persoon.” Het komt mij voor dat hieruit blijkt dat de toestemming met het inlezen van een elektronische identiteitskaart met het oog op het verkrijgen van een voordeel of dienst slechts geacht wordt vrijelijk te worden gegeven, wanneer aan de burger een alternatief wordt aangeboden. Zonder zulk alternatief zou de weigering van de toestemming immers tot een nadelig gevolg leiden, namelijk tot het verlies van het voordeel of de dienst. De toestemming zou dan niet vrijelijk gegeven worden geacht. De Wijzigingswet van 25 november 2018 had precies tot doel om de Wet van 19 juli 1991 aan te passen aan de voorschriften van de AVG
(7). Er wordt in dit licht vermeld dat “wanneer gebruik gemaakt wordt van de identiteitskaart met het oog op het leveren van een voordeel of dienst, aan de burger een alternatieve methode voorgesteld moet worden, waarbij geen beroep gedaan wordt op de elektronische identiteitskaart, maar wel hetzelfde voordeel of dezelfde dienst verkregen kan worden, ook al is dit alternatieve voorstel misschien vervelender, zowel voor de dienstverlener als voor de burger”
(8). De appelrechters stellen vast dat de eiseres in de litigieuze beslissing van 17 september 2019 heeft geoordeeld dat een inbreuk op artikel 6, lid 1, a), AVG bewezen is, aangezien een toestemming niet geacht wordt vrij gegeven te zijn indien de betrokkene deze niet zonder nadelige gevolgen kan weigeren of intrekken en er in voorliggend geval geen sprake is van zulke vrije toestemming, doordat de klager, en bij uitbreiding alle klanten, enkel van kortingen kunnen genieten door middel van hun elektronische identiteitskaart en de verweerster geen enkel alternatief aanbiedt voor de aanmaak van een klantenkaart teneinde van dit voordeel te kunnen genieten. De appelrechters oordelen vervolgens dat: - eiseres, betreffende het ontbreken van een alternatief, verwijst naar een nog niet toepasselijke wetgeving, namelijk artikel 6, §4, Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, zoals gewijzigd bij wet van 25 november 2018, dat nog niet van toepassing was op het ogenblik van de feiten die ten grondslag lagen aan huidig geschil; - eiseres verder ten onrechte uitgaat van de onbewezen assumptie dat de klaagster een onbetwistbaar nadeel zou lijden door het feit dat ze door de aanmaak van een klantenkaart te mislopen, kortingen zou mislopen. Dit vormt geen nadeel omdat alleen een mogelijk extra voordeel verloren gaat. Door aldus niet na te gaan of de beslissing van eiseres inzake de vrije toestemming met het inlezen van de elektronische identiteitskaart om kortingen te verkrijgen, correct was op grond van de artikelen 6.1, a), en 4, 11), AVG, namelijk of krachtens die uit hoofde van artikel 288, lid 2 VWEU rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de AVG een alternatief moest worden geboden voor het verkrijgen van kortingen waarbij, specifiek krachtens die bepalingen, het verlies van het voordeel van die kortingen bij weigering van toestemming ook een nadelig gevolg kan inhouden, en op die grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 6, lid 1, a), AVG niet bewezen is, schenden de appelrechters mijns inziens de voormelde bepalingen. Ik meen dat het onderdeel gegrond is. (…) Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat een inbreuk op de artikelen 5, lid 1, c) en 6, lid 1, a) AVG niet bewezen is en de bestreden beslissing van eiseres op die grond vernietigt, met verwijzing van de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, anders samengesteld. ___________________________
(1)Zie MvT bij het wetsontwerp tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, Parl. St., Kamer, 2016-2017, nr. 54, 2648/001, 42.
(2)In casu had de klager de verwerking van zijn persoonsgegevens precies geweigerd omdat de verwerkingspraktijk – waarbij via het inlezen van de elektronische identiteitskaart beweerdelijk méér gegevens werden verwerkt dan strikt noodzakelijk – een inbreuk zou vormen op de AVG. Ten gevolge van die weigering had de klager vervolgens niet van een voordeel of dienst kunnen genieten, namelijk het verkrijgen van kortingen op aankopen
(3)Syntheseconclusie van eiseres van 10 januari 2020, p. 5 bovenaan.
(4)Bestreden arrest, p. 7, r.o. 6.
(5)Bestreden arrest, p. 10, r.o.14.
(6)http://ec.europa.eu/newsroom/article29/news?item_type=1358&tpa, p. 6.
(7)MvT bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Rijksregister en de bevolkingsregisters, Parl. St., Kamer, 2017-2018, nr. 54, 3256/1, 24 en 37-38.
(8)MvT bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Rijksregister en de bevolkingsregisters, Parl. St., Kamer, 2017-2018, nr. 54, 3256/1, 40. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211007.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div