← België

Notaris G.C. contra VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211014.1N.7 Rolnummer: F.20.0081.N Zaak: Notaris G.C. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 1210 - laatst gezien 2026-06-16 19:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211014.1N.7 Fiches 1 - 2 Artikel 1174 Oud Burgerlijk Wetboek betreft de zuiver potestatieve opschortende voorwaarde, namelijk de opschortende voorwaarde waarvan de vervulling uitsluitend afhangt van de wil van de partij die zich verbindt; zij verhindert niet de gewoon potestatieve opschortende voorwaarde, dit is de opschortende voorwaarde waarvan de vervulling weliswaar in de macht van de schuldenaar ligt, maar ook afhangt van externe factoren, en verhindert evenmin de zuiver potestatieve ontbindende voorwaarde en de gewoon potestatieve ontbindende voorwaarde; hieruit volgt dat een toekomstige en voor de partijen onzekere gebeurtenis als ontbindende voorwaarde kan worden bedongen, ook al is haar werking afhankelijk van de wilsuiting van de partij die zich verbindt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Vrije woorden: Ontbindende voorwaarde - Intreding - Keuzerecht van de schuldenaar Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1168, 1174 en 1183 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Ontbindende voorwaarde - Intreding - Keuzerecht van de schuldenaar Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1168, 1174 en 1183 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 459, p. 277-
  1. - AERTS, Michelle; Noot'Terugname van een ingebracht goed uit het gemeenschappelijk vermogen: verdelingsverrichting of ontbindende voorwaarde?' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 2-3, p. 257-
  2. - MELIS, Sara; Noot'De beslissingsbevoegdheid van één van de partijen verhindert niet de kwalificatie van een beding van terugname van ingebrachte goederen als ontbindende voorwaarde' RGDC-Revue générale de droit civil belge - 2023, n° 1, p. 17-
  3. - HIGNY, Mathieu; Note'Le point (à nouveau) sur la condition résolutoire: présent et futur' Fiscologue-Fiscologue - 2023, n° 1817, p. 11-
  4. - AYDOGAN, Ayfer; Note'Reprise d'un bien apporté: importance du contrat de mariage' Tekst van de conclusie F.20.0081.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  5. Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat op 12 januari 2000 tussen de heer V. en mevrouw D. een huwelijkscontract werd verleden waarin mevrouw D. verklaarde in het gemeenschappelijk huwelijksvermogen een perceel bouwgrond in te brengen, met de bedoeling dat daarop de gezinswoning zou worden opgericht. Terzake werd overeengekomen dat “ingeval het huwelijk ontbonden wordt door echtscheiding, Mevrouw D. het recht heeft de grond terug te nemen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn dienaangaande, doch wel mits vergoeding van de opgerichte gebouwen aan het gemeenschappelijk huwelijksvermogen.” De echtgenoten huwden op 5 februari
  6. Bij vonnis van 15 mei 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen werd de echtscheiding tussen voornoemde echtgenoten uitgesproken. In hetzelfde vonnis werd eiser als notaris aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of de onverdeeldheden en tot vereffening van de wederzijdse vergoedingen. Op 25 september 2013 werd door eiser een akte van vereffening-verdeling ten titel van dading verleden van het ontbonden gemeenschappelijk huwelijksvermogen en van de onverdeeldheden bestaande tussen de echtgenoten. In deze akte verklaarde mevrouw D. gebruik te willen maken van haar in het huwelijkscontract vervatte recht van terugname met betrekking tot het perceel bouwgrond. Inzake deze akte ontstond discussie tussen eiser en de belastingadministratie omtrent het toepasselijke registratierecht. Eiser is van oordeel dat op deze akte enkel het ‘algemeen vast recht’ was verschuldigd omdat de terugnameclausule volgens hem diende te worden gekwalificeerd als een ontbindende voorwaarde. De administratie is evenwel van mening dat deze akte aan het verdeelrecht onderhevig is, en vestigde een aanslag in hoofde van mevrouw D. ten bedrage van 7.500 euro (verdeelrecht) en een aanslag in hoofde van eiser ten bedrage van 1.500 euro (belastingverhoging). Volgens de administratie ging het niet over een ontbindende voorwaarde omdat het recht op terugname door mevrouw D. ‘optioneel’ was. Eiser tekende tegen beide aanslagen bezwaar aan, doch dit bezwaar werd door de administratie afgewezen. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent, wees bij vonnis dd. 22 oktober 2018 de vordering van eiser af als ongegrond. Bij arrest dd. 28 januari 2020 bevestigde het hof van beroep te Gent het eerste vonnis. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  7. Bespreking van het enig middel. 2.
  8. Eiser voert de schending aan van de artikelen 1134, 1135, 1168, 1170, 1174, 1175, 1183, 1319, 1320 en 1322 B.W.; en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 11, lid 3 en 13, 2° en 3° W. Reg. (Vlaams); evenals van artikel 2.10.1.0.1, artikel 2.10.3.0.1 en artikel 3.18.0.0.11, 1° van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Eiser in cassatie verwijt de appelrechter het hoger beroep ongegrond te hebben verklaard omdat, volgens de rechter, niet het algemeen vast recht van toepassing was, maar wel het verdeelrecht. De onderliggende redenering van de appelrechter steunt op de gedachte – net zoals de administratie aanvoerde – dat de clausule in het kwestieuze huwelijkscontract geen ontbindende voorwaarde kan uitmaken omdat deze geen ‘automatisme’ inhoudt door de beslissingsbevoegdheid van mevrouw D. om al dan niet een beroep te doen op de clausule indien er sprake is van een echtscheiding. Zo oordeelt de appelrechter: “Het zou tegen de interpretatieregels opgenomen in het Burgerlijk Wetboek ingaan mocht het hof voormelde clausule interpreteren als een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde die een van rechtswege overgang tot gevolg heeft, louter op basis van extrinsieke elementen die zouden bestaan uit de beslissing van de administratie genomen op 11 december 1995, (…) overgenomen door de rechtsleer en de zgn. administratieve praktijk. De uitdrukkelijke bewoordingen van de bepaling alsook de bedoeling van de partijen (zoals die blijkt uit de dading) ondersteunen een dergelijke interpretatie niet. Uit niets blijkt overigens dat de voormalige echtgenoten het standpunt verwoordt in deze beslissing zouden hebben willen toepassen op de kwestieuze bepaling opgenomen in hun huwelijkscontract. Van een administratieve praktijk dat elk beding van terugname als een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde met van rechtswege overgang kwalificeert, ligt geen bewijs voor. Aangezien de terugname van de ingebrachte grond volgt uit een nieuwe juridische handeling gesteld door mevrouw D. en niet automatisch of van rechtswege op grond van de bepaling opgenomen in het huwelijkscontract, stelt [verweerder] terecht dat het verdeelrecht van toepassing is. […] Uit deze beslissing kon niet afgeleid worden dat elk beding van terugname (kwalificeert als een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde en, althans in de periode 1995-2002,) onderhevig was aan het algemeen vast recht. […] Dit Vlaams standpunt voegt niets toe aan de wet of aan de reeds bestaande standpunten, als gevolg waarvan enige ‘retroactieve toepassing’ (…) geen sprake kan zijn”. Uit deze zienswijze kan worden afgeleid dat de appelrechter vereist, opdat er sprake is van een ontbindende voorwaarde die retroactieve werking heeft bij de vervulling ervan, deze niet (mede) onderhevig kan zijn aan een beslissingsmogelijkheid van één van de partijen. Dit zou, volgens de appelrechter, het automatisme en het ‘van rechtswege’ karakter van de ontbindende voorwaarde ontnemen. Eiser bekritiseert dit standpunt door te stellen dat het beding eigenlijk kwalificeert als een dubbele ontbindende voorwaarde: 1) de wilsuiting van de echtgenoot-inbrenger en 2) het zich realiseren van een echtscheiding. Tezamen zouden deze voorwaarden geen zuiver potestatieve voorwaarde uitmaken, die aan de inbreng in het huwelijksvermogen is gekoppeld. Beide voorwaarden dienen immers vervuld te zijn. Het feit dat de vrouw nog een wilsuiting dient te doen, ontneemt volgens de eiser dan ook niet de kwalificatie van het beding als ‘ontbindende voorwaarde’ dat automatisch retroactieve werking heeft bij het vervuld zijn van de onderliggende voorwaarden. Vanaf het ogenblik dat de beide voorwaarden voldaan zijn, zal het beding volgens eiser automatisch (en retroactief) uitwerking krijgen, waardoor het algemeen vast recht en niet het verdeelrecht van toepassing zou moeten zijn. De ontbindende voorwaarde. 2.
  9. Krachtens artikel 1168 Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis
(1). We onderscheiden opschortende en ontbindende voorwaarden. Een verbintenis is aangegaan onder een ontbindende voorwaarde wanneer haar tenietgaan afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad maar aan partijen nog onbekend is
(2). Karakteristiek aan de ontbindende voorwaarde is haar retroactieve werking. Een ontbindende voorwaarde doet immers in principe bij haar vervulling de verbintenis teniet
(3)en herstelt de zaken in dezelfde toestand alsof er geen verbintenis heeft bestaan
(4). Het is dit laatste aspect, de retroactieve werking van het beding, dat van belang is voor de fiscaalrechtelijke gevolgen. Door de retroactieve werking verdwijnt, bij het vervullen van de voorwaarde, het goed immers uit het huwelijksvermogen en keert het terug naar het vermogen van de inbrenger alsof het nooit deel heeft uitgemaakt van het huwelijksvermogen. Hierdoor is fiscaalrechtelijk enkel het algemeen vast recht van toepassing en dient geen verdeelrecht te worden betaald. Beslissingsbevoegdheid door één van de partijen als eliminatie-criterium? 2.3. De appelrechter onderlijnt dat bij de ontbindende voorwaarde de uitwerking van de voorwaardelijke verbintenis bij de verwezenlijking van de toekomstige en onzekere gebeurtenis automatisch of van rechtswege (en retroactief) ten einde komt. Dit automatische karakter lijkt volgens de appelrechter essentieel te zijn. Als er geen sprake is van dit automatische karakter lijkt de appelrechter uit te sluiten dat er sprake kan zijn van een ontbindende voorwaarde. Alleszins stelt de appelrechter voorop dat de keuzebevoegdheid van mevrouw D. om bij echtscheiding een beroep te doen op haar recht van terugname het beding zijn automatische karakter ontneemt en dat hierdoor gewoonweg geen sprake meer kan zijn van een ontbindende voorwaarde met retroactieve werking. Kortweg stelt de appelrechter dat de mogelijkheid tot beslissingsbevoegdheid van een van de partijen (en het ontbreken van het automatisch karakter) het beding de kwalificatie van ontbindende voorwaarde ontneemt. Een aantal auteurs lijken op het eerste gezicht dit standpunt inderdaad aan te hangen. Zo stelt STIJNS dat de verwezenlijking van de door de partijen aangegeven gebeurtenis het contract van rechtswege teniet doet, van zodra de gebeurtenis plaatsheeft, zonder tussenkomst van de rechter. DURANT en CLAVIE stellen dan weer dat het automatische karakter van de ontbindende voorwaarde het belangrijkste kenmerk is van deze clausule
(5). De partijen moeten volgens deze auteurs hiertoe, in de regel, geen initiatief nemen om aan de voorwaarde enige uitwerking geven
(6). Geen van de partijen zou over een verplichting of een bevoegdheid beschikken om een beslissing te nemen over de uitwerking van de ontbindende voorwaarde
(7). Aldus is er geen sprake van een partijbeslissing
(8). STIJNS nuanceert dit evenwel door ten eerste te stellen dat sommige contractuele clausules voorzien in een ontbindende voorwaarde die uitwerking zal hebben, tenzij de belanghebbende ervan afziet
(9). In casu is het beding juist omgekeerd opgesteld, nl. dat mevrouw D. het recht heeft om een beroep te doen op de clausule. STIJNS stelt voor wat betreft deze laatste soort bedingen dat het ook mogelijk is dat men stipuleert dat een partij bij de realisatie van de gebeurtenis zich binnen een bepaalde termijn na de gebeurtenis uitdrukkelijk op de ontbinding moet beroepen, maar dat dit soort verfijningen eerder zeldzaam zijn
(10). Ook CLAVIE en DURANT stellen uiteindelijk dat er ontbindende voorwaarden zijn, waarbij een eenvoudige wijziging van gedachte in hoofde van een contractuele partij de toekomstige onzekere voorwaarde kan uitmaken. In dit geval is het noodzakelijk een partij die zal beslissen over het vervuld zijn van de voorwaarde
(11). Deze laatste nuanceringen lijken het hierboven verdedigde standpunt, dat met betrekking tot ontbindende voorwaarden het automatisme van de werking van de clausule en de passiviteit van de partijen op een voetstuk zet, in een ander daglicht te plaatsen. Dit brengt ons tevens bij het belang van de rechtsgeldigheid van zuiver potestatieve ontbindende voorwaarden. Algemeen: zuiver potestatieve voorwaarden in het gemeen contractenrecht. 2.4. De voorwaarden worden in verschillende categorieën ingedeeld: toevallig, gewoon, gemengd of zuiver potestatief. Artikel 1169 B.W. stelt voorop dat een voorwaarde toevallig is als deze louter van toeval afhangt en niet in de macht ligt van de schuldeiser of de schuldenaar. Ook de voorwaarde die louter afhankelijk is van de wil van een derde (die niet beïnvloedbaar is door één van de partijen) is een toevallige voorwaarde
(12). Dan bestaat er ook een potestatieve voorwaarde: artikel 1170 B.W. definieert deze als de voorwaarde die de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaatshebben of te verhinderen. Artikel 1171 B.W. definieert de gemengde (potestatieve) voorwaarde als deze die afhangt tegelijk van de wil van een van de contracterende partijen en van de wil van een bepaalde derde. Verder wordt ook gewag gemaakt van de gewoon of eenvoudig potestatieve voorwaarde. Deze voorwaarde hangt af van de wil van één van de partijen en van het toeval. Een voorwaarde wordt ‘zuiver potestatief’ genoemd als deze louter afhangt van de wil van een partij (de schuldeiser of de schuldenaar)
(13). Volgens artikel 1174 B.W. is iedere verbintenis nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt. Als we dit artikel naar de letter lezen, is het onduidelijk of dit zowel geldt voor opschortende als voor – de hier relevant zijnde – ontbindende voorwaarden. Niettemin is de meerderheidsstrekking in de doctrine sinds lange tijd overtuigd dat artikel 1174 B.W. enkel betrekking heeft op de opschortende voorwaarden en niet op de ontbindende voorwaarden
(14). In een cassatiearrest van 24 februari 2014 wordt dit ook bevestigd. Zo oordeelde Uw Hof dat een toekomstige gebeurtenis als ontbindende voorwaarde kan worden bedongen, ook al is het intreden ervan afhankelijk van de wil van de schuldenaar
(15). Bepaalde rechtsgeleerden lezen in deze mogelijkheid dan ook een ‘bedongen eenzijdig opzeggingsrecht in hoofde van de schuldenaar’
(16). Niettemin werkt deze ‘opzegging’ in beginsel
(17)dan retroactief, hetgeen niet typisch is aan de opzegging
(18). Dit alles betekent dat de visie, die ervoor pleit om niet te spreken van een ontbindende voorwaarde, van zodra er sprake is van een wilsuiting van een van de partijen (onder wie de schuldenaar), onder druk komt te staan. Dit wordt goed verwoord door WERY
(19). Hij stelt dat de doctrine (onterecht) enorm veel belang hecht aan het ‘automatische’ karakter van de ontbindende voorwaarde, in tegenstelling tot het (eenzijdig) uitdrukkelijk ontbindend beding en het (eenzijdig) opzeg beding. De doctrine verliest volgens deze auteur uit het oog dat de wetgever zich niet verzet tegen louter potestatieve ontbindende voorwaarden. Het vervuld zijn van dergelijke louter potestatieve ontbindende voorwaarde zal dan juist afhangen van de enkele wil van één van de partijen van de verbintenis. Hierdoor zal deze ontbindende voorwaarde niet meer van rechtswege uitwerking krijgen, volgens deze auteur. Er zal steeds het initiatief van de partij vereist zijn die een beroep mag doen op deze modaliteit. Bijgevolg zal er steeds sprake moeten zijn van een partijbeslissing om deze voorwaarde in werking te doen stellen
(20). Hierdoor veranderen geenszins de gevolgen van de uitwerking van dit beding: de verbintenissen zullen, in principe, ex tunc verdwijnen wegens de retroactieve werking van de ontbindende voorwaarde. Hoewel de appelrechter, net als WERY, benadrukt dat het beding in casu geen automatische, van rechtswege uitwerking zal krijgen, lijkt WERY hier wel helemaal andere gevolgen aan te koppelen. Volgens WERY ontneemt dit het beding niet de kwalificatie van ‘ontbindende voorwaarde’. Bijgevolg zal dit beding, bij de toepassing ervan, dan ook retroactieve werking hebben en ex tunc de verbintenissen teniet doen. M.i. kan zelfs verregaander worden gesteld dat indien de vervulling van de ontbindende voorwaarde afhankelijk is van de wil van één van de partijen dit evenmin het automatische en van rechtswege karakter van het beding ontneemt. Alleen zal dit automatische en van rechtswege karakter slechts intreden vanaf het ogenblik dat de partij diens wil heeft geuit in die zin. Zo zal er door dit automatische en van rechtswege karakter geen sprake dienen te zijn van een rechterlijke tussenkomst. Het bijzonder geval van schenkingen en optionele bedingen van terugkeer. 2.5. Van bovenstaande regels, inzake de aanvaarding van de louter ontbindende potestatieve voorwaarde, wordt evenwel afgeweken van zodra er sprake is van een schenking. In dit geval zijn ook zuiver (en volgens sommigen ook gemengd)
(21)potestatieve ontbindende voorwaarden aan de zijde van de schuldenaar (schenker) verboden
(22). Hoewel een inbreng in een huwelijksgemeenschap niet als een schenking kan worden gekwalificeerd (zie ook hieronder) – en aldus niet onderhavig is aan de net genoemde restrictieve regel
(23)– is het toch interessant om na te gaan hoe de rechtsleer omgaat met een schenking onder toevallige ontbindende voorwaarde waarbij de schenker zich bij de vervulling van de voorwaarde het recht voorbehoudt zich al dan niet hierop te beroepen. Deze situatie, namelijk de “schenking onder beding van terugkeer”, wordt ook door eiser in de toelichting bij zijn voorziening
(24)aangehaald als inspiratiebron omdat deze vele parallellen vertoont met de clausule die in deze zaak in het huwelijkscontract is opgenomen. Zo wordt hierover vooreerst gesteld dat dit geen gemengde postestatieve voorwaarde betreft omdat het niet gaat over één enkel toekomstig en onzeker gebeuren. Het zou gaan over een combinatie van twee voorwaarden
(25): een toevallige voorwaarde, waarvan de schenker de vervulling niet in de hand heeft (bv. het vooroverlijden van de begiftigde) en een beslissing die alleen van de wil van de schenker afhangt (het al dan niet beroep doen op de voorwaarde). Enkel indien de gebeurtenis zich voordoet waarop de schenker geen vat heeft, kan hij beslissen of deze wordt ontbonden of niet. Bijgevolg stelt de rechtsleer dat deze constructie niet nietig is op grond van het verbod op zuiver potestatieve ontbindende voorwaarden omdat er een onzeker element blijft spelen
(26). De inbreng onder (optionele) ontbindende voorwaarde. 2.6. Zoals gezegd, dient een inbreng in een huwelijksgemeenschap – waarvan sprake is in de huidige zaak – niet als een schenking te worden gekwalificeerd, waardoor de inbreng niet aan voorgaande restrictieve regels inzake de schenking onderhavig is
(27). Bijgevolg dient teruggevallen te worden op de algemene regels van het contractenrecht inzake de geldigheid van ontbindende voorwaarden
(28). Niettemin is de vraag gerezen of een ontbindende voorwaarde tout court wel verenigbaar is met het bestendigheidsprincipe waaraan huwelijksvermogensstelsels moeten voldoen. Bepaalde auteurs zijn van mening dat hier mogelijks een onverenigbaarheid voorligt
(29). Niettemin is vandaag de meerderheidsstrekking hiervan minder overtuigd omdat de voorwaarde enkel uitwerking krijgt bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel
(30). Gesteld dat een inbreng in het huwelijksvermogen kan worden gekoppeld aan een ontbindende voorwaarde, zijn de algemene contractuele regels m.b.t. de toelaatbaarheid van (zuiver) potestatieve voorwaarden van toepassing. Aangezien het gaat over een ontbindende potestatieve voorwaarde, is artikel 1174 B.W. aldus niet van toepassing dat enkel zuiver potestatieve opschortende voorwaarden in hoofde van de schuldenaar (inbrenger in dit geval) verbiedt. Verder is er m.i. in casu ook sprake van een – net zoals bij een optioneel beding van terugkeer bij de schenking – dubbele ontbindende voorwaarde, namelijk een optionele ontbindende voorwaarde. De eerste voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een echtscheiding, hetgeen m.i. gekwalificeerd kan worden als een gemengde
(31)potestatieve voorwaarde (omdat deze afhankelijk is van de wil van één van de partijen en van de wil van een welbepaalde derde, de andere partij). De tweede voorwaarde is zuiver potestatief in hoofde van de inbrengster, namelijk wanneer zij dit recht wenst uit te oefenen. Deze dubbele (potestatieve) ontbindende voorwaarden dienen allebei vervuld te zijn opdat de inbreng ongedaan wordt gemaakt. Als beide voorwaarden voldaan zijn (nl. de echtscheiding en de wilsuiting van de inbrengster in die zin) dan zal ook de ontbindende voorwaarde automatisch en van rechtswege uitwerking krijgen. Er is geen tussenkomst van een rechter meer nodig. Verder zal de uitwerking van het ontbindend beding in casu retroactief werken omdat het beding zo is opgesteld dat de inbreng ongedaan wordt gemaakt als beide voorwaarden vervuld zijn. 2.
  1. Wat voorafgaat lijkt mij niet te stroken met de redenering van de appelrechter die vaststelde en oordeelde dat: - in het huwelijkscontract het volgende beding werd opgenomen: “ingeval het huwelijk ontbonden wordt door echtscheiding, mevrouw D. het recht heeft de grond terug te nemen zonder enige vergoeding verschuldigd te zijn dienaangaande, doch wel mits vergoeding van de opgerichte gebouwen aan het gemeenschappelijke huwelijksvermogen”; - de vraag rijst of voornoemd beding kwalificeert als de uitwerking van een ontbindende voorwaarde als gevolg waarvan de grond door de vervulling van de voorwaarde van rechtswege overgaat naar mevrouw D. waardoor enkel het vast recht van toepassing is of dat dit niet het geval is en mevrouw D. zich op haar keuze de grond heeft laten toebedelen waardoor ze handelde als een deelgenoot waardoor het evenredig verdeelrecht van toepassing is; - de fiscale behandeling van voormelde terugname aldus afhangt van de burgerrechtelijke analyse van de in het huwelijkscontract opgenomen bepaling; - bij een ontbindend beding de uitwerking van een voorwaardelijke verbintenis bij de verwezenlijking van de toekomstige en onzekere gebeurtenis automatisch of van rechtswege (en retroactief) ten einde komt; - de keuze die aan mevrouw D. wordt gegeven in het beding om op het ogenblik van echtscheiding haar recht op terugname al dan niet uit te oefenen, aan het beding zijn automatische uitwerking ontneemt; - de afwezigheid van een automatische overgang overigens ook blijkt uit de dading waarin mevrouw D. haar wens heeft bevestigd, gebruik te willen maken van haar recht van terugname met betrekking tot het ingebrachte goed; - het beding niet als een ontbindende voorwaarde kan worden geïnterpreteerd, die een van rechtswege overgang impliceert; - het verdeelrecht van toepassing is omdat de terugname van de grond niet automatisch voortvloeit uit de bepaling opgenomen in het huwelijkscontract. Het lijkt mij dat de appelrechter die aldus oordeelt dat voormelde clausule geen ontbindende voorwaarde kan uitmaken, omdat de keuze die aan mevrouw D. wordt gegeven om al dan niet haar recht op terugname uit te oefenen aan het beding zijn automatische (en retroactieve) werking ontneemt, en aldus het verdeelrecht van toepassing is, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt.
  2. Besluit: Vernietiging. _______________________________
(1)Cass. 24 februari 2014, AR C.13.0293.N, AC 2014, nr. 143, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140224.3.
(2)Cass. 24 februari 2014, AR C.13.0293.N, AC 2014, nr. 143, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140224.3.
(3)In principe: want bij overeenkomsten met opeenvolgende verbintenissen wordt soms slechts ex nunc ontbonden.
(4)Cass. 19 januari 1995, AR C.94.0198.F, AC 1995, nr. 28, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950119.11.
(5)I. DURANT en M. CLAVIE, “La vente conditionnelle bien plus q’une abréviation de langage” in La mise en vente d’un immeuble. Hommage à N. Verheyden-Jeanmart, Brussel, Larcier 2005,
(75)122. Vgl. T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 58, nr. 92 in fine (impliciet wordt hier de loutere mogelijkheid om voor een reisorganisator indien het minimumaantal reizigers niet is bereikt om de reis te annuleren, niet beschouwd als aan ontbindende voorwaarde omdat het automatisme zou ontberen).
(6)S. STIJNS, “De beëindiging van de kredietovereenkomst: macht en onmacht van de (kortgeding-)rechter”, TBH 1996,
(100)129. Zie ook L. DEMEYERE, “Ontbindingsbedingen” in Nuttige tips voor goede contracten, Mechelen, Kluwer, 2004,
(80)80-81 (“Er is dus geen wilsuiting van de schuldeiser vereist”). Zie ook impliciet: S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, II, Brugge, die Keure 2020, 11, nr. 11 en voetnoot 49.
(7)S. STIJNS, “Uitdrukkelijk ontbindende bedingen, ontbindende voorwaarden en vervangingsbedingen” in Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia 2006,
(77)106-107; S. STIJNS en F. VERMANDER, “Jurisprudentiële ontwikkelingen rond beëindigingsbedingen” in Themis 95 Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure 2015,
(79)137, nr. 68. Zie ook in deze zin: S. STIJNS, D. VAN GERVEN en P. WERY, “Chronique de jurisprudence: les obligations: le régime général de l’obligation (1985-1995), JT 1999, nr. 5 ("Lorsque la condition s’accomplit, la résolution intervient de plein droit, sans intervention de la part d’une des parties").
(8)S. STIJNS en F. VERMANDER, “Jurisprudentiële ontwikkelingen rond beëindigingsbedingen” in Themis 95 Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure 2015,
(79)137, nr. 68.
(9)S. STIJNS, “De beëindiging van de kredietovereenkomst: macht en onmacht van de (kortgeding-)rechter”, TBH 1996,
(100)129, voetnoot 131; S. STIJNS, “Uitdrukkelijk ontbindende bedingen, ontbindende voorwaarden en vervangingsbedingen” in Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia 2006,
(77)107.
(10)S. STIJNS, “Uitdrukkelijk ontbindende bedingen, ontbindende voorwaarden en vervangingsbedingen” in Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia 2006,
(77)107; S. STIJNS en F. VERMANDER, “Jurisprudentiële ontwikkelingen rond beëindigingsbedingen” in Themis 95 Verbintenissenrecht, Brugge, die Keure 2015,
(79)138, nr. 68.
(11)I. DURANT en M. CLAVIE, “La vente conditionnelle bien plus q’une abréviation de langage” in La mise en vente d’un immeuble. Hommage à N. Verheyden-Jeanmart, Brussel, Larcier 2005,
(75)123-125.
(12)Zie bv.: M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, “Modaliteiten van verbintenissen. Voorwaarde” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2014,
(1)50, nr. 62.
(13)Stelt een alternatief criterium voor: R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia 2018, 976-968 (volgens deze auteur is een ontbindende voorwaarde (zuiver) postestatief indien dit zowel in objectieve als subjectieve zin zo is: objectief potestatief is de voorwaarde als degene die zich verbonden heeft, alleen kan beslissen dat die gebeurtenis die hem bevrijdt, zich wel verwezenlijkt. De voorwaarde is subjectief potestatief indien deze geen ingrijpend offer van de diegene die zich heeft verbonden, vereist (bv. het beëindigen van een relatie, het verhuizen, het opzeggen van een job)).
(14)Zie bv.: H. DE DECKER, “Opschortende en ontbindende voorwaarden” in Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia 2013,
(573)585; H. DE PAGE, Traité, I, 1962, 232, 155bis; L. CORNELIS, De theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia 2000, 199; R. KRUITHOF, H. BOCKEN, F. DE LY en B. DE TEMMERMAN, “Overzicht van rechtspraak (1981-1992) verbintenissen”, TPR 1994,
(171)219, nr. 33; S. STIJNS en S. DECLERCQ, “Het algemeen regime van de verbintenis: modaliteiten en overdracht in het nieuwe verbintenissenrecht” in Themis verbintenissenrecht 2018-19, Brugge, die Keure 2019,
(1)7; STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, II, Brugge, die Keure 2020, 21-22, nr. 24; W. VANGERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco 2010, 532; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, III, Brussel, Bruylant 2010, nr. 1216; M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, “Modaliteiten van verbintenissen. Voorwaarde” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2014,
(1)55, nr. 69; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 67, nr. 106 en 75, nr. 120. Zie uitgebreid over de meerderheidsstrekking en de minderheidsstrekking hierover: J. DE CONINCK, De voorwaarde in het contractenrecht, Proefschrift KU Leuven, 2006-07, nrs. 297 e.v. Zie evenwel genuanceerd: P.A. FORIERS, “Propos sur la condition résolutoire purement potestative” in Liber Amicorum Yvette Merchiers, Brugge, die Keure 2001,
(115)115-126 (deze auteur stelt als aanvaardingscriterium voor dat de voorwaarde niet elk nut van de overeenkomst mag ontnemen, zowel bij ontbindende als bij opschortende louter potestatieve voorwaarden).
(15)Cass. 24 februari 2014, AR C.13.0293.N, AC 2014, nr. 143, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140224.3. Het gaat in casu ook niet over een schenking waar dergelijke potestatieve voorwaarden verboden zijn, ook bij ontbindende voorwaarden.
(16)R. KRUITHOF, H. BOCKEN, F. DE LY en B. DE TEMMERMAN, “Overzicht van rechtspraak (1981-1992) verbintenissen”, TPR 1994,
(171)219, nr. 33; S. STIJNS en S. DECLERCQ, “Het algemeen regime van de verbintenis: modaliteiten en overdracht in het nieuwe verbintenissenrecht” in Themis verbintenissenrecht 2018-19, Brugge, die Keure 2019,
(1)7; STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, II, Brugge, die Keure 2020, 22, nr. 23; W. VANGERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco 2010, 532; M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, “Modaliteiten van verbintenissen. Voorwaarde” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2014,
(1)55, nr. 69; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 67, nr. 106. Vgl. (gebruikt ook de term ‘opzeggen’): L. CORNELIS, De theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia 2000, 199.
(17)De volgende auteurs geven aan dat er bv. geen terugwerkende kracht is bij overeenkomsten die voortdurende verbintenissen in het leven roepen: M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, “Modaliteiten van verbintenissen. Voorwaarde” in Artikelsgewijze commentaar Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2014,
(1)55, nr. 69.
(18)Zie ook: H. DE DECKER, “Opschortende en ontbindende voorwaarden” in Gemeenrechtelijke clausules, Antwerpen, Intersentia 2013,
(573)585.
(19)P. WERY, Droit des obligations, I, Brussel, Larcier 2011, nrs. 996 e.v.
(20)P. WERY, Droit des obligations, I, Brussel, Larcier 2011, nr. 998.
(21)Over de geldigheid van schenkingen onder gemengde voorwaarden bestaat geen consensus; terecht sluit de moderne Belgische doctrine zich eerder aan bij de Franse rechtsleer die dit mogelijk acht: R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia 2018, 976-968 (volgens deze auteur is een ontbindende voorwaarde (zuiver) postestatief indien dit zowel in objectieve als subjectieve zin zo is: objectief potestatief is de voorwaarde als degene die zich verbonden heeft (de schenker), alleen kan beslissen dat die gebeurtenis die hem bevrijdt, zich wel verwezenlijkt. De voorwaarde is subjectief potestatief indien deze geen ingrijpend offer van de schenker vereist (bv. het beëindigen van een relatie, het verhuizen, het opzeggen van een job)).
(22)M. PUELINCKX-COENE, “Schenkingen onder potestatieve voorwaarde” in handboek Estate Planning – Algemeen Deel Vermogensplanning met effect bij leven – schenking, Gent, Larcier 2009,
(483)484; M. COENE, “Art. 944 B.W.” in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2002, IV.E.
(23)B. VERDICKT, “De inbreng onder ontbindende voorwaarde. Waakzaamheid blijft geboden”, Nieuwsbrief notariaat 2009,
(1)4.
(24)Voorziening in cassatie eiser, p. 13-14.
(25)M. PUELINCKX-COENE, “Schenkingen onder potestatieve voorwaarde” in handboek Estate Planning – Algemeen Deel Vermogensplanning met effect bij leven – schenking, Gent, Larcier 2009,
(483)486. Zie ook: M. COENE, “Art. 946 B.W.” in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2002, III in fine; M. COENE, “Art. 944 B.W.” in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer 2002, IV.E; N. GEELHAND DE MERXEM, “Vlabel belast de terugkeer van onroerende goederen bij het optioneel beding van terugkeer in een schenkingsakte”, TvRF 2016,
(14)15-16; A. VERBEKE, “Combi-schenking” in Eigenzinnig familiaal vermogensrecht, Brussel, Larcier 2005, nr. 44.
(26)M. PUELINCKX-COENE, “Schenkingen onder potestatieve voorwaarde” in handboek Estate Planning – Algemeen Deel Vermogensplanning met effect bij leven – schenking, Gent, Larcier 2009,
(483)487. Zie ook in dezelfde zin en kritisch voor de VLABEL-kwalificatie ter zake: N. GEELHAND DE MERXEM, “Vlabel belast de terugkeer van onroerende goederen bij het optioneel beding van terugkeer in een schenkingsakte”, TvRF 2016,
(14)15-16; A. VERBEKE, “Combi-schenking” in Eigenzinnig familiaal vermogensrecht, Brussel, Larcier 2005, nr.
  1. Vgl.: J. BAEL, “Grenzen aan de conventionele vrijheid in het schenkingsrecht ingevolge het principe van de onherroepelijkheid van de schenking” in Notariële actualiteit 2012, 2013, Brugge, die Keure 168, nr.
  2. Contra: R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia 1971, 542, nr. 910 (“De schenking blijft nietig, zelfs wanneer het voorbehoud om te beschikken met een toevallige voorwaarde gepaard gaat”).
(27)B. VERDICKT, “De inbreng onder ontbindende voorwaarde. Waakzaamheid blijft geboden”, Nieuwsbrief notariaat 2009,
(1)4.
(28)B. VERDICKT, “De inbreng onder ontbindende voorwaarde. Waakzaamheid blijft geboden”, Nieuwsbrief notariaat 2009,
(1)4.
(29)G. BAETEMAN, H. CASMAN en J. GERLO, “Overzicht van rechtspraak huwelijksvermogensrecht 1989-1995” TPR 1996,
(135)248, nr. 99 (m.b.t. een beding van inbreng onder ontbindende voorwaarde van overlijden). Zie ook in deze zin: H. DE DECKER, “Verslag – Huwelijksvermogensstelsel – Inbreng van een goed in de gemeenschap onder ontbindende voorwaarde – Dossier 4379” in Verslagen en debatten van het Comité voor Studie en Wetgeving 2008-09, Brussel, Bruylant 2012,
(203)227-234; J. DE CONINCK, “Lezingsnota – Huwelijksvermogensstelsel – Inbreng van een goed in de gemeenschap onder ontbindende voorwaarde – Dossier 4379” in Verslagen en debatten van het Comité voor Studie en Wetgeving 2008-09, Brussel, Bruylant 2012,
(203)252-259.
(30)Niettegenstaande het hierboven geciteerde afwijkende verslag van Mr. DE DECKER en de nota van J. DE CONINCK aanvaardt het Comité voor Studie en Wetgeving uiteindelijk gezamenlijk de rechtsgeldigheid van de inbreng van een goed onder ontbindende voorwaarde in de gemeenschap en diens terugwerkende kracht op de vergadering van 15 maart 2008, mede gesteund op de argumenten aangebracht door: Y. LELEU, “Rapport – Apport d’un bien à la communauté sous condition résolutoire – Dossier 4379” in Verslagen en debatten van het Comité voor Studie en Wetgeving 2008-09, Brussel, Bruylant 2012,
(203)209-2018; D. MICHIELS, “Nota – Huwelijksvermogensstelsel – Inbreng van een goed in de gemeenschap onder ontbindende voorwaarde – Dossier 4379” in Verslagen en debatten van het Comité voor Studie en Wetgeving 2008-09, Brussel, Bruylant 2012,
(203)234-239. Lijkt ook niet afkerig te staan ten aanzien van deze opvatting (omdat deze verder wordt beargumenteerd): B. VERDICKT, “De inbreng onder ontbindende voorwaarde. Waakzaamheid blijft geboden”, Nieuwsbrief notariaat 2009,
(1)3-4.
(31)Zie ook in deze zin: B. VERDICKT, “De inbreng onder ontbindende voorwaarde. Waakzaamheid blijft geboden”, Nieuwsbrief notariaat 2009,
(1)4. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211014.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211014.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950119.11 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140224.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.