← België

J. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.11 Rolnummer: P.21.0852.N Zaak: J. contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-16 Raadplegingen: 910 - laatst gezien 2026-06-18 21:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.11 Fiches 1 - 3 De rechter die een beklaagde bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis op strafgebied heeft veroordeeld wegens een feit omschreven als het misdrijf bepaald in de artikelen 392, 398 en 399 Strafwetboek, zou zijn rechtsmacht overschrijden indien hij dat feit, bij de uitgestelde behandeling van de erop gesteunde burgerlijke rechtsvordering, zou omschrijven als een misdrijf bepaald in de artikelen 392, 399 en 400 Strafwetboek; in dat geval heeft de rechter zijn rechtsmacht over die omschrijving immers definitief uitgeput in zijn vonnis op strafgebied, zodat die omschrijving nadien niet meer bij hem aanhangig is en evenmin nog aanhangig kan worden gemaakt bij de appelrechter

(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Rechterlijke beslissing over alleen de burgerlijke rechtsvordering na een definitieve veroordeling op strafgebied - Hoger beroep ingesteld door de burgerlijke partij - Betwisting over de toepasselijke strafbaarstelling - Rechtsmacht van de rechter in hoger beroep - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 399 en 400 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Opzettelijke slagen en verwondingen met een ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg - Definitieve veroordeling op strafgebied - Afhandeling van burgerlijke belangen - Toekenning van een schadevergoeding op basis van de telastlegging opzettelijke slagen en verwondingen met een ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Verzoek om de feiten te heromschrijven naar opzettelijke slagen en verwondingen met blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg - Rechtsmacht van de rechter in hoger beroep - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 399 en 400 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Rechterlijke beslissing over alleen de burgerlijke rechtsvordering na een definitieve veroordeling op strafgebied - Hoger beroep ingesteld door de burgerlijke partij - Betwisting over de toepasselijke strafbaarstelling - Rechtsmacht van de rechter in hoger beroep - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 399 en 400 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Het onderlinge verband tussen de artikelen 399 en 400 Strafwetboek houdt in dat een door opzettelijke verwondingen of slagen veroorzaakte ziekte die niet ongeneeslijk lijkt, valt onder de constitutieve bestanddelen van artikel 399 Strafwetboek, ongeacht de periode van die ziekte; de enkele omschrijving van een feit als het misdrijf bedoeld in artikel 399 Strafwetboek sluit bijgevolg niet uit dat de kosten van de erdoor veroorzaakte ziekte in oorzakelijk verband staan met dat misdrijf en dus voor vergoeding in aanmerking komen, ook wanneer die ziekte betrekking heeft op een periode van meer dan vier maanden na het plegen van het feit
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Opzettelijke slagen of verwondingen - Veroorzaken van een ziekte die niet ongeneeslijk lijkt - Ziekte die langer duurt dan vier maanden na het feit - Invloed op de schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 392, 399 en 400 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.21.0852.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De geneesbare ziekte als verzwarende omstandigheid van opzettelijke slagen en verwondingen (art. 399 Sw.)”
  1. De jeugdkamer van het hof van beroep te Gent oordeelde dat de veroordeling op strafgebied op basis van de artikelen 392 en 399 Strafwetboek definitief is en er geen enkele mogelijkheid is om de feiten te kwalificeren naar een zwaarder misdrijf, met als grondslag artikel 400 Strafwetboek. De jeugdkamer bevestigde het bedrag van de schadevergoeding bestemd voor het minderjarig slachtoffer, om reden dat 1° de initieel opgelopen letsels relatief beperkt waren en 2° de behandeling bij een psycholoog meer dan 4 maanden na de feiten werd opgestart. De terugbetaling van kosten voor psychologische begeleiding, ontstaan meer dan 4 maanden na de opzettelijke slagen, werd afgewezen.
  2. In een eerste middel komen eisers op tegen de weigering om de ten laste gelegde feiten op burgerlijk gebied te heromschrijven naar opzettelijke slagen en verwondingen aan een minderjarige met een arbeidsongeschiktheid van meer dan 4 maanden als gevolg (art. 400 Sw.). De plicht van de strafrechter om aan de feiten hun juiste kwalificatie te geven, geldt volgens eisers ook als de veroordeling op strafgebied definitief is, en de strafrechter alleen nog uitspraak moet doen over de burgerlijke belangen
(1). 3. Beoordeling. De rechter in hoger beroep kan slechts uitspraak doen binnen de perken van de ingestelde hogere beroepen en grievenschriften (devolutieve werking van het hoger beroep)
(2). Hij heeft het recht en de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging, aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven
(3). Op enkel hoger beroep van de burgerlijke partij is het mogelijk dat de rechter in hoger beroep aan de feiten een andere kwalificatie geeft dan de eerste rechter, voor het bepalen van de schadevergoeding, zonder dat die aanpassing invloed heeft op wat op strafgebied definitief is beslist
(4). Deze beoordelingsruimte lijkt mij wel beperkt te zijn tot het geval waarbij de burgerlijke partij hoger beroep instelt tegen een beslissing op strafgebied, waarbij de ten laste gelegde feiten zijn omschreven (schuldigverklaring of vrijspraak)
(5). 4. De situatie is anders als de strafrechter in eerste aanleg de feiten bewezen verklaart op strafgebied, de zaak voor de afhandeling van de burgerlijke belangen uitstelt en vervolgens afzonderlijk uitspraak doet over de burgerlijke vordering. Wanneer tegen de uitspraak op strafgebied geen enkele partij hoger beroep instelt, is over de strafbaarstelling definitief beslist. De eerste rechter kan op die beslissing niet meer terugkomen, door in het vonnis over de burgerlijke vordering de feiten anders te kwalificeren
(6). Ook de rechter in hoger beroep lijkt mij beperkt te zijn in zijn oordeel over de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten. In een zaak over een provisionele vergoeding toegekend door de politierechtbank oordeelde het Hof: “de correctionele rechtbank, die uitspraak doet over een geschilpunt dat door een niet-beroepen vonnis was beslecht, schendt artikel 19 Gerechtelijk Wetboek”
(7). Het eerste middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht.
  1. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel dat de psychische schade ontstaan meer dan vier maanden na de opzettelijke slagen en verwondingen niet in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde fout, namelijk opzettelijke slagen met een ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg tot vier maanden. Eisers voeren aan dat de periode van vier maanden, bepaald in artikel 400 Strafwetboek alleen geldt voor de arbeidsongeschiktheid als verzwarende omstandigheid, niet geldt voor een ‘ziekte’.
  2. Beoordeling. De artikelen 399 en 400 Strafwetboek bevatten een verzwarende omstandigheid van het misdrijf opzettelijke slagen en verwondingen zonder de dood van het slachtoffer als gevolg, al dan niet met voorbedachtheid
(8). Artikel 399 Strafwetboek is van toepassing als de opzettelijke slagen of verwondingen ‘een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hebben’. De strafverzwaring van artikel 400 Strafwetboek (gewijzigd door art. 20 Wet 5 februari 2016, BS 19 februari 2016) geldt als de opzettelijke slagen en verwondingen één van volgende vormen van schade teweegbrengt bij het slachtoffer: een ongeneeslijk lijkende ziekte, een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, het volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking. 7. Het Hof omschreef de term ‘ziekte’, als verschillend van de arbeidsongeschiktheid, als: “een aantasting van de gezondheid, namelijk een ontaarding van de normale toestand van een persoon”, waarbij de ziekte ontstaat bij de aantasting van de fysieke integriteit en ze nog kan evolueren”
(9). Daarbij is er geen onderscheid tussen een fysieke of psychische ziekte. 8. Wanneer opzettelijke slagen en verwondingen een psychisch trauma hebben veroorzaakt bij het slachtoffer, kan de strafrechter dit trauma opvatten als een ziekte in de zin van artikel 399 of 400 Strafwetboek
(10). Zolang die ziekte niet ongeneeslijk blijkt te zijn, lijkt mij art. 399 Sw. van toepassing, ook als ze zich manifesteert meer dan 4 maanden na de opzettelijke slagen of langer duurt dan deze periode
(11). Het bestreden arrest, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijkt mij om die reden niet naar recht verantwoord. Het tweede middel is m.i. gegrond. Het derde middel, dat een gelijkaardige strekking heeft, behoeft geen verder antwoord. 9. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de burgerlijke rechtsvordering gericht tegen 1e en 3e verweerders, het verlenen van de akte van afstand van het cassatieberoep tegen 2e verweerder, en verwerping voor het overige. ____________________________________
(1)Met verwijzing in de memorie naar Cass. 11 december 2001, AR P.00.0066.N, AC 2001, nr. 691 en Cass. 19 september 2001, AR P.01.0535.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010919.5, AC 2001, nr. 472.
(2)Over dit beginsel zie Cass. 29 oktober 2019, AR P.19.0325.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.2, AC 2019, nr. 551, met concl. OM; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0065.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.1, AC 2017, nr. 501; Cass. 26 oktober 2016, AR P.15.1587.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161026.2, AC 2016, nr. 605; Cass. 21 november 1984, AR 3822, AC 1984, nr. 183 en J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia 1985, 505-507; M. FRANCHIMONT, A. MASSET en A. JACOBS, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 1025-1028; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1224-1240; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 192-194; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging; Kluwer 2014, 1351-1367; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2019, 521-522; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 1416-1417; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1733-1743; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2021, 308-310.
(3)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; Cass. 17 november 2015, AR P.14.1274.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.3, AC 2015, nr. 682; Cass. 22 januari 2013, AR P.12.0625.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10, AC 2013, nr. 43, aangehaald in de memorie. Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 1227; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1734.
(4)Cass. 11 december 2001, AR P.00.0666.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.5, AC 2001, nr. 691. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1255.
(5)Vb. Cass. 29 april 2015, AR P.15.0148.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.4, AC 2015, nr. 283.
(6)Cass. 19 februari 2020, AR P.19.0159.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.3, AC 2020, nr. 141, met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE, “De rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij hierover in dezelfde zaak en tussen diezelfde partijen een eindbeslissing heeft gewezen, overschrijdt zijn rechtsmacht”, op datum in Pas. Zie ook R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1255.
(7)Cass. 19 februari 2020, AR P.19.0159.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.3, AC 2020, nr. 141, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas. Zie ook Cass. 10 februari 2015, AR P.13.1758.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.1, AC 2015, nr. 94, met concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER.
(8)Zie alg. P. ARNOU, “Opzettelijk doden en het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Bijzonder strafrecht voor rechtspractici, Acco 1990, 57-73; J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld. Een onderzoek naar de accuraatheid en de coherentie van de strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aangewend als reactie op fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 587-632.
(9)Cass. 24 april 2019, AR P.19.0018.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.2, AC 2019, nr. 847, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., NC 2020, 274 noot J. DE HERDT, RDP 2019, 1520.
(10)Cass. 28 juni 2000, AR P.99.1886.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000628.24, AC 2000, nr. 409, “Overwegende dat de beslissing tegenstrijdig is, wanneer zij, op de strafvordering, een beklaagde veroordeelt wegens opzettelijke slagen of verwondingen in de zin van artikel 398 van het Strafwetboek, en, op de burgerlijke rechtsvordering, een deskundige aanstelt wiens opdracht erin bestaat de psychotrauma's te beschrijven waaronder het slachtoffer nog steeds te lijden heeft en de therapie te bepalen die het slachtoffer zou toelaten geheel of gedeeltelijk van die trauma's verlost te worden; dat aanhoudende psychotrauma's die leed veroorzaken en met therapeutische middelen moeten worden behandeld, immers een ziekte zijn in de zin van de artikelen 399 of 400 van voornoemd wetboek”. Zie ook conclusie van advocaat-generaal DE SWAEF in de zaak Cass. 25 mei 2004, AR P.04.0568.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6, AC 2004, nr. 285, (over de verzwarende omstandigheden in art. 473 Sw.); A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de procédure pénale, Kluwer 2018, 338-339; A. DELANNAY, “Les homicides et lésions corporelles volontaires” in Les infractions contre les personnes, Larcier 2020, 360-361; M. DILLEN, F. VAN VOLSEM, P. KEMPS en K. DENENBOURG, Zakboekje strafrecht, Kluwer 2020, 445.
(11)J. DE HERDT, Fysiek interpersoonlijk geweld. Een onderzoek naar de accuraatheid en de coherentie van de strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aangewend als reactie op fysiek interpersoonlijk geweld, Intersentia 2014, 604: “In een aantal bepalingen (zoals bv. artikel 400 Sw.) is er sprake van een ‘ongeneeslijk lijkende ziekte’ als verzwarende omstandigheid, naast de verzwarende omstandigheid dat het geweld een ‘ziekte veroorzaakt (zoals bv. artikel 399 Sw.). Hieruit kan a contrario worden afgeleid dat onder een ‘ziekte’ een geneeslijk lijkende ziekte moet worden begrepen”. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000628.24 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010919.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011211.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161026.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200219.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.