← België

M. contra IVERLEK’

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 oktober 2021

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Internationale rechtshulp - Uitvoering van een rogatoire commissie - Overmaken van stukken aan de Belgische overheid - Ontbreken van machtigingen van de rechter in de aangezochte staat - Toelaatbaarheid van het bewijs bekomen in het buitenland - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Internationale rechtshulp - Uitvoering van een rogatoire commissie - Overmaken van stukken aan de Belgische overheid - Ontbreken van machtigingen van de rechter in de aangezochte staat - Toelaatbaarheid van het bewijs bekomen in het buitenland - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... - 09-12-2004 - Art. 13 - 40 ELI link Pub nr 2004009876 Annotaties Publicaties: PR-Politie recht - 2023, nr. 1, p. 40-

  1. - VAN DAELE, Dirk; MERGAERTS, Lore; Noot'Het recht van verdediging ten aanzien van in het buitenland verkregen bewijs' Tekst van de conclusie P.21.0965.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De beoordeling van het verzoek tot het voegen van stukken om de regelmatigheid na te gaan van bewijsmateriaal bekomen in het buitenland”.
  2. Het bestreden arrest heeft eisers veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 32.000€ wegens verkoop van amfetamines in vereniging (A), voorbereidende handelingen voor de aanmaak of verkoop van cannabis in vereniging (B) en deelname aan een criminele organisatie (E.1). Tweede eiser werd ook veroordeeld voor diefstal van elektriciteit, waarbij bij gehouden is tot schadevergoeding aan verweerster (D).
  3. Het cassatieberoep van eiser II (K.) is niet ontvankelijk op burgerlijk gebied, bij gebrek aan tijdige betekening aan de burgerlijke partij, gelet op artikel 427 Wetboek van Strafvordering.
  4. Eiser II voert geen middel aan. Uit het bestreden arrest blijkt dat eiser afstand deed van zijn grief over de schuldigverklaring voor feit E.1 en voor hem het debat beperkt bleef tot de grieven over ‘strafmaat’ en ‘burgerlijke vordering’ (blz. 12, 14 en 27).
  5. Eiser I (M.) voert een middel aan over de schuldigverklaring. Hij vroeg in beroepsconclusie de voeging van ‘de officiële antwoorden met de resultaten van zeven rechtshulpverzoeken van de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten’. Aan het strafdossier zijn er geen machtigingen gevoegd van de rechter-commissaris om een observatie uit te voeren en om elektronische communicatie af te luisteren. Er is wel een stuk toegevoegd van de Officier van Justitie met processen-verbaal van de Nederlandse politie, op basis van de EU-rechtshulpovereenkomst van 29 mei
  6. Het bestreden arrest wees het verzoek tot voeging van bijkomende stukken over de uitvoering van de rogatoire commissies af om reden dat (blz. 17) 1° er geen vermoeden bestaat tot bewijs van het tegendeel dat de inlichtingen vervat in de gevoegde Nederlandse PV’s onrechtmatig in Nederland zijn bekomen, 2° eiser op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat vermelde informatie op een onrechtmatige of onwettige wijze werd bekomen en 3° eiser geenszins werd belemmerd in de uitoefening van zijn recht van verdediging, omdat hij over de inhoud van het volledige dossier tegenspraak kon voeren. Het arrest stelt: “het louter gegeven dat beklaagde (M.N.) zich vragen stelt omtrent de rechtmatigheid van de in de betreffende PV’s vermelde informatie en zich afvraagt of er voor de Nederlandse onderzoeksdaden wel de vereiste rechterlijke machtigingen voorhanden waren, brengt niet mee dat met de vereiste inlichtingen geen rekening mocht of mag worden gehouden”.
  7. Eiser I voert als enig middel miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en een schending van artikelen 6.1 EVRM en art. 13 Wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering, BS 24 december 2004 (Wet Internationale Rechtshulp). Eiser stelt dat er slechts enkele processen-verbaal zijn overgemaakt door de Nederlandse autoriteiten, zonder de vereiste rechterlijke machtigingen over de dwangmiddelen, en die informatie hem niet toelaat in concreto de regelmatigheid te betwisten van de in Nederland verrichte observatie en afluistering van gesprekken.
  8. Beoordeling. Wanneer aan de Belgische strafrechter informatie wordt voorgelegd die in het buitenland is verzameld, moet de regelmatigheid van het bewijs in eerste instantie worden beoordeeld conform de regels van de aangezochte staat. Een rogatoire commissie wordt immers uitgevoerd volgens het recht van de aangezochte staat, zij het dat deze staat ervoor kan kiezen het recht van de verzoekende staat toe te passen voor het verzamelen van bewijsmateriaal, op uitdrukkelijke vraag van de verzoekende staat

(1). Bewijs dat naar de voorschriften van de aangezochte staat regelmatig is bekomen, is in beginsel bruikbaar voor de Belgische strafrechter, tenzij de aanwending daarvan onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces (art. 13, 2° Wet Internationale Rechtshulp). Dit criterium van uitsluiting houdt in dat de rechter, na een onderzoek van de zaak in haar gehaal, nagaat of de rechtspleging eerlijk is verlopen
(2). 8. Bewijs dat in het buitenland is vergaard in strijd met regels van de aangezochte staat, moet niet noodzakelijk worden geweerd in een Belgische strafzaak. De Belgische strafrechter dient volgens art. 13, 1° Wet Internationale Rechtshulp in dat geval alleen bewijsmateriaal uit te sluiten als 1°de onregelmatigheid voortvloeit uit de overtreding van een voorschrift dat in de aangezochte staat op straffe van nietigheid is voorgeschreven en 2° de in het buitenland begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast
(3). Daarbij dient de rechter erover te waken dat de aanwending van het bewijs afkomstig uit het buitenland geen miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces (art. 13, 2° Wet Internationale Rechtshulp). Het Hof nam aan dat de rechter zijn oordeel over de regelmatigheid van in het buitenland bekomen bewijs (art. 13, 1° en 2° Wet Internationale Rechtshulp) kan steunen op grond van alle hem regelmatig voorgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak konden voeren, zonder dat is vereist dat hij van het (gehele) buitenlandse onderzoeksdossier kennis zou nemen
(4). 9. Het recht van verdediging vereist dat de vervolgde persoon, in de regel, voor de rechter alle gegevens die op regelmatige wijze tegen hem worden aangevoerd, vrij kan tegenspreken en dat hij alle gunstige elementen of excepties in zijn voordeel kan doen gelden
(5). Wanneer bewijsmateriaal in het buitenland is verzameld, al dan niet op vraag van de Belgische overhand, kan het voor de verdediging van belang zijn te weten of dat bewijsmateriaal is verkregen na een geldige machtiging van een buitenlandse onderzoeksrechter, rechter van het onderzoek of vervolgende instantie, zeker als die machtiging in de aangezochte staat als een substantieel vormvoorschrift wordt opgevat. Op die manier kan de rechter van de verzoekende staat nagaan of de buitenlandse politiedienst binnen de perken van de rechterlijke machtiging heeft gehandeld en of die machtiging voldoet aan het recht van de aangezochte staat en op een correcte manier het recht op privacy inperkt van de betrokken persoon, gelet op art. 8 EVRM. Indien er een onregelmatigheid aan het licht komt, is de vraag aan de orde of de in het buitenland verkregen gegevens bruikbaar zijn als bewijs in een Belgische strafzaak.
  1. Het recht van verdediging vereist evenwel niet dat de Belgische rechter moet ingaan op elk verzoek van de beklaagde om informatie op te vragen aan een buitenlandse autoriteit over hetzij het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek, hetzij het verzamelen van bewijsmateriaal in uitvoering van een rogatoire commissie, met of zonder machtiging van een buitenlandse rechterlijke autoriteit.
  2. Vooreerst is de vraag voor aanvullende informatie aan de aangezochte staat alleen relevant als de in het buitenland bekomen gegevens dienen als bewijs in een Belgische strafzaak, dus niet louter als inlichting, voor het opstarten of het oriënteren van een strafonderzoek in België. Het Hof oordeelde op 18 april 2017: “De enkele omstandigheid dat een buitenlandse politiedienst aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten gegevens uit een buitenlands strafonderzoek ter kennis brengt die in België geen bewijs uitmaken, maar enkel worden aangewend als inlichting om een strafonderzoek op te starten en binnen dat kader autonome bewijzen te verzamelen, verleent aan de beklaagde niet het recht het buitenlandse strafonderzoek aan een regelmatigheidscontrole te onderwerpen. Een onderzoek naar de regelmatigheid van de buitenlandse informatiegaring is immers enkel vereist wanneer de beklaagde aannemelijk maakt dat de ter kennis gebrachte gegevens op een onregelmatige wijze zijn verkregen en daardoor het gebruik ervan een aantasting uitmaakt van zijn recht op een eerlijk proces, te beoordelen over het geheel van het proces. Uit de tekst van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en van artikel 13 Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp Strafzaken volgt dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op gegevens die niet als bewijs in aanmerking worden genomen, maar enkel als inlichting. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Geen enkele bepaling vereist dat de door een strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek opgeleverde gegevens die geen bewijsmateriaal uitmaken, maar enkel worden aangewend als inlichting, bij het strafdossier worden gevoegd. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht”
(6). 12. In dezelfde zin oordeelde het Hof, op 13 april 2021, “Indien elementen uit een buitenlands strafdossier zijn gevoegd bij een Belgisch strafdossier en een beklaagde voorhoudt dat hij de regelmatigheid wil onderzoeken van de bewijsgaring in het buitenlands strafdossier en dat daartoe de integrale voeging noodzakelijk is van dit buitenlands strafdossier, staat het aan de rechter te oordelen of in het licht van de omstandigheden van de zaak die integrale voeging noodzakelijk is ter vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd. Bij die beoordeling kan de rechter ermee rekening houden dat de beklaagde zijn aanvoering dat de bewijsgaring in het buitenlands strafdossier niet regelmatig is verlopen niet enigszins aannemelijk maakt en dat de informatie uit het buitenlands strafdossier door de Belgische rechter niet wordt aangewend als autonome bewijsgegevens, maar enkel als inlichtingen die hebben toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren”
(7).
  1. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt m.i. niet dat de processen-verbaal van de Nederlandse politie alleen als inlichting zijn aangewend, om het Belgische onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren.
  2. Ten tweede beschikt de rechter over een appreciatiemarge bij zijn oordeel over de noodzaak om bijkomende gegevens op te vragen aan een buitenlandse autoriteit, zoals rechterlijke machtigingen, wanneer informatie afkomstig uit het buitenland wel als belastend bewijs wordt aangewend. Van belang hierbij is dat de beklaagde zijn bewering van onregelmatigheden begaan in het buitenland aannemelijk maakt. Het Hof oordeelde hierover, op 2 mei 2017: “Net zoals Belgische opsporings- en vervolgingsinstanties worden de Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties vermoed loyaal te zijn. Indien een beklaagde aanvoert dat uit een Nederlands strafdossier afkomstige bewijsgegevens onregelmatig zouden zijn, dient hij die bewering aannemelijk te maken. Een loutere bewering of veronderstelling volstaat niet. Die aanvoeringsverplichting creëert voor die beklaagde geen recht van toegang tot het Nederlandse strafdossier of een recht op afschrift van alle of bepaalde dossiergegevens. Het voldoen aan zijn aanvoeringsplicht is ook mogelijk zonder die gegevens. Dit levert als dusdanig geen schending op van artikel 6 EVRM of een miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een beklaagde zijn bewering aannemelijk maakt dat de uit een Nederlandse strafdossier afkomstige bewijzen onregelmatig zijn”
(8). 15. Het bestreden arrest maakt alleen melding van inlichtingen bekomen door de Nederlandse politiediensten, in gevoegde Nederlandse processen-verbaal (p. 17). De vraag van eiser tot het voegen van ‘de officiële antwoorden met de resultaten van de 7 rechtshulpverzoeken van de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten’ werd ongegrond verklaard. Wanneer in de aangezochte staat een apart onderzoek wordt gevoerd, in het kader van internationale rechtshulp, lijkt het mij voor de bewijsvoering en de rechten van verdediging logisch dat alle stukken van dat onderzoek aan de verzoekende staat worden overgemaakt, dus zowel rechterlijke beschikkingen als processen-verbaal van uitvoering van dwangmaatregelen. Op die manier kunnen de rechterlijke instanties van de verzoekende staat en de partijen nagaan of het bewijs regelmatig is bekomen in de aangezochte staat, en, zo niet, er gelet op art. 13, 1° Wet Internationale Rechtshulp reden is om de informatie vermeld in de processen-verbaal van uitvoering uit te sluiten. Daarbij komt dat bewijsinformatie wordt uitgewisseld tussen rechterlijke instanties. De verdediging beschikt aldus niet over dezelfde mogelijkheden als het openbaar ministerie om stukken te bekomen van een buitenlandse rechterlijke autoriteit
(9). Het afwijzen van een verzoek van de beklaagde om stukken op te vragen van een rogatoire commissie, alleen op grond van het vermoeden dat de buitenlandse overheid regelmatig handelde bij de bewijsgaring, kan dan ook een inbreuk vormen op het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM)
(10). Het gaat om een delicaat evenwicht, omdat de loutere bewering van de verdediging van een onregelmatigheid begaan door een buitenlandse politiedienst of rechterlijke autoriteit de rechter niet verplicht de resultaten van een rogatoire commissie als bewijs te weren. Advocaat-generaal D. Vandermeersch stelde hierover: “Het bewijs dat in het buitenland is verkregen wordt geacht op wettelijke en loyale wijze te zijn verkregen: er bestaat wat dat betreft geen vermoeden van onregelmatigheid. Eventueel staat het aan de verdediging om dienaangaande initiatief te nemen om op zijn minst een gerechtvaardigde twijfel te doen rijzen wat betreft de regelmatigheid van het in het buitenland verkregen bewijs teneinde het openbaar ministerie te verplichten het bewijs van die regelmatigheid te leveren”
(11).
  1. Het bestreden arrest stelt vast (blz. 17) dat ‘beklaagde M. N. op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat in de betreffende PV’s vermelde informatie op een onrechtmatige of onwettelijke wijze werd bekomen’. Mij lijkt het arrest de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijsmateriaal bekomen in het buitenland, en de afwijzing van het verzoek om machtigingen van rechterlijke instanties aan het dossier te voegen, alleen te steunen op het voorgelegde of geselecteerde bewijsmateriaal. Deze beoordeling is m.i. ontoereikend voor de eerbiediging van het recht van verdediging, voortvloeiend uit art. 6.1 EVRM. De beklaagde moet immers de mogelijkheid hebben om in concreto de regelmatigheid van een met een Nederlandse observatiemaatregel of afluistermaatregel verkregen bewijsmateriaal te betwisten.
  2. Het Hof oordeelde op 3 april 2012: “De rechter oordeelt of die beoordeling de voeging vergt van andere dan de tot het dossier van de Belgische strafrechtspleging behorende stukken. Bij die beoordeling dient hij erover te waken dat een beklaagde de mogelijkheid tot betwisting in concreto van het in het buitenland verkregen bewijsmateriaal niet wordt ontzegd en zo zijn recht van verdediging niet wordt miskend. De beoordeling van de regelmatigheid van een buitenlandse afluistermaatregel kan gebeuren aan de hand van de beslissing van de bevoegde buitenlandse overheid om tot de afluistermaatregel over te gaan en de uitvoeringstukken van die beslissing of van een beslissing van een bevoegde buitenlandse rechterlijke overheid die de regelmatigheid van de afluistermaatregel en de uitvoering ervan vaststelt. Het arrest grondt de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijsmateriaal, verkregen uit de in Nederland uitgevoerde afluistermaatregel, en de afwijzing van de vraag om de afluisterbeslissing zelf bij het dossier te laten voegen, in wezen op het Nederlandse bewijsmateriaal zelf en op de brief van de officier van justitie van 30 juli 2002, waarbij als antwoord op het Belgische rechtshulpverzoek van 2 juli 2002 om de Nederlandse stukken als bewijs te gebruiken, die toelating wordt verstrekt. Aldus stelt het arrest de eiser I niet in mogelijkheid om in concreto de regelmatigheid van het met een Nederlandse afluistermaatregel verkregen bewijsmateriaal te betwisten en miskent het aldus eisers recht van verdediging”
(12). 18. Mij komt voor dat de motivering op twee vlakken problemen oplevert voor het recht op tegenspraak, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Vooreerst gaven de appelrechters een ruime invulling aan de vereiste van het ‘aannemelijk maken’ van een onregelmatigheid in het buitenland. Het arrest stelt dat eiser ‘op geen enkele wijze’ een onregelmatigheid aannemelijk maakt. Wanneer dwangmaatregelen zijn toegepast, en de rechterlijke machtigingen daarvoor ontbreken, is het een redelijke vraag van de verdediging om een afschrift van die machtigingen te laten voegen aan het strafdossier, om een tot een effectieve controle op de regelmatigheid van het bewijs te bekomen. Uit de processen-verbaal van uitvoering van een rogatoire commissies valt het bestaan van een rechterlijke machtiging die aan alle normen van de aangezochte staat voldoet doorgaans niet af te leiden. Een effectieve controle is alleen mogelijk als de rechterlijke machtiging aan het dossier wordt toegevoegd. Het recht op tegenspraak veronderstelt, behoudens specifieke uitzonderingen
(13), de mogelijkheid voor de verdediging om kennis te nemen van stukken die verband houden met de regelmatigheid van de bewijsvoering, en de beoordeling ten gronde kunnen beïnvloeden
(14).
  1. Verder stelt het bestreden arrest dat het ‘thans voorliggende strafdossier volstaat om te oordelen over de strafvordering’, terwijl belangrijke stukken over een rogatoire commissie niet zijn overgemaakt, en net die ontbrekende stukken relevant zijn voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijs, conform art. 13 Wet 9 november
  2. Het oordeel dat eiser I ‘geenszins werd belemmerd in de uitoefening van zijn recht van verdediging’ door het niet-voegen van officiële antwoorden op rechtshulpverzoeken, louter op basis van gegevens verzameld door de politie, lijkt mij niet te voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM
(15). Het middel van eiser I is m.i. gegrond. 20. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren die kunnen leiden tot cassatie van de veroordeling van eiser II of tot een cassatie zonder verwijzing, wat betreft de veroordeling van eiser I. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak, wat betreft de veroordeling van eiser I, en verwerping van het cassatieberoep van eiser II. ___________________________________
(1)Artikel 3.1 Overeenkomst van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (BS 23 oktober 1975): “De aangezochte Partij geeft volgens de procedure voorzien in haar eigen wetgeving gevolg aan de ambtelijke opdrachten aangaande een strafzaak die tot haar worden gericht door de rechterlijke autoriteit van de verzoekende partij en die tot doel hebben het verrichten van daden van onderzoek of de toezending van stukken van overtuiging, van dossiers of van documenten; Artikel 4.1 Overeenkomst van 29 mei 2000 door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag van de Europese Unie betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid- Staten van de Europese Unie (BS 22 juni 2005), bepaalt: “Bij het verlenen van wederzijdse rechtshulp neemt de aangezochte Lid- Staat de door de verzoekende Lid- Staat uitdrukkelijk aangegeven formaliteiten en procedures in acht, tenzij deze overeenkomst iets anders bepaalt en voor zover de aangegeven formaliteiten en procedures niet strijdig zijn met de fundamentele beginselen van het recht van de aangezochte staat”. Zie ook Cass. 6 april 2005, AR P.05.0218.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1, AC 2005, nr. 206, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 23 december 1998, AR P.94.0001.F, AC 1998, nr. 534; Cass. 30 mei 1995, AR P.94.1098.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950530.10, AC 1995, nr. 265; Cass. 3 november 1993, AR P.93.0503.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931103.10, AC 1993, nr. 444 en verder T. VOGLER, “Structures et methods de la cooperation repressive international et régionale: rapport general”, RIDP 1984, 45-50; A. KLIP, Buitenlandse getuigen in strafzaken, Arnhem, Gouda Quint, 1994, 245-260; I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde misdaad, Intersentia 2003, 441-448; F. THOMAS, Internationale rechtshulp in strafzaken, APR 1998, 184-190; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 1516; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, 554; F. LUGENTZ, “Entraide judiciaire internationale en matière pénale. L’examen de la régularité des preuves receuillies à l’étranger au regard de la jurisprudence de la Cour de Cassation à propos de l’administration de la preuve”, RDP 2014, 844-845; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 2186.
(2)Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2, AC 2014, nr. 307, RDP 2014, 834 noot F. LUGENTZ, JLMB, 2014, 1367 noot M.A. BEERNAERT, RW 2015-16, 1102 met noot. Zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 296.
(3)Zie alg. S. BERNEMAN, “Sanctionering van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal: een inleiding tot het Antigoonarrest van 14 oktober 2003”, T. Strafr. 2004, 31-34; S. BERNEMAN, “Van relativering naar rationalisering van de bewijsuitsluitingsregel”, T. Strafr. 2005, 500-501; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 1521-1523; F. LUGENTZ, “Entraide judiciaire internationale en matière pénale. L’examen de la régularité des preuves receuillies à l’étranger au regard de la jurisprudence de la Cour de Cassation à propos de l’administration de la preuve”, RDP 2014, 843-862; O. MICHIELS en G. FALCQUE, “Les éléments de preuve receuillies à l’étranger”, JLMB 2014, 413-426; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 2194-2198.
(4)Cass. 3 april 2012, AR P.10.0973.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.5, AC 2012, nr. 212, T. Strafr. 2013, 180 noot G. BOULET; Cass. 6 april 2005, AR P.05.0218.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1, AC 2005, nr. 206, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 23 mei 2000, AR P.00.0377.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000523.5, AC 2000, nr. 315. Zie ook F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 1, Larcier 2006, 534; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 740-741; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 2196.
(5)Cass. 18 maart 2014, AR P.13.1407.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4, AC 2014, nr. 213, T. Strafr. 2014, 252. Zie M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 37.
(6)Cass. 21 mei 2019, AR P.19.0104.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5, AC 2019, nr. 306 “Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat informatie louter in aanmerking wordt genomen als inlichting die toelaat het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is geschied. Wanneer een partij aanvoert dat dergelijke inlichtingen op onregelmatige wijze zijn verkregen, dient zij dit aannemelijk te maken op een wijze die het niveau van een loutere bewering overstijgt. De rechter oordeelt onaantastbaar of die partij haar aanvoering geloofwaardig maakt”. In dezelfde zin Cass. 18 april 2017, AR P.16.1292.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12, AC 2017, nr. 261.
(7)Cass. 13 april 2021, AR P.20.1346.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.15, AC 2021, nr. 268.
(8)Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3, AC 2017, nr. 302; Cass. 1 december 2015, AR P.15.0905.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4, AC 2015, nr. 716; Cass. 2 december 2014, AR P.13.0545.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.3, AC 2014, nr. 743; Cass. 10 september 2013, AR P.13.0376.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.2, AC 2013, nr. 434; Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1789.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9, AC 2010, nr. 231; F. SCHUERMANS, “De zoektocht naar of de jacht op de herkomst van de politionele informatie als start van een strafrechtelijk vooronderzoek”, T. Strafr. 2014/1,
(47)48-50.
(9)P. MONVILLE, “Commission rogatoire internationale: que reste-t-il du contrôle de la régularité de la preuve pénale receuillie à l’étranger? », RDP 2003, 727.
(10)I. ONSEA, De bestrijding van georganiseerde misdaad, Intersentia 2003, 443.
(11)D. VANDERMEERSCH, concl. in de zaak Cass. 6 april 2005, AR P.05.0218.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1, AC 2005, nr. 206, 786, op datum in Pas., met verwijzing naar P. TRAEST, "Het gebruik van in het buitenland verkregen bewijsmateriaal", in Poursuites pénales et extraterritorialité, Les dossiers de la Revue de droit pénal et de criminologie, Brussel, Die Keure 2002, p. 200. Zie ook F. LUGENTZ, “Entraide judiciaire internationale en matière pénale. L’examen de la régularité des preuves receuillies à l’étranger au regard de la jurisprudence de la Cour de Cassation à propos de l’administration de la preuve, RDP 2014, 861.
(12)Cass. 3 april 2012, AR P.10.0973.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.5, AC 2012, nr. 212, T. Strafr. 2013, 180.
(13)Zoals bv. het vertrouwelijk dossier van bijzondere opsporingsmethoden (art. 235ter Sv.).
(14)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 1, 2006, 433-434; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 114-118, met verwijzing naar o.a. EHRM 11 december 2008, Mirilashvilli t/Rusland, § 200, www.echr.coe.int.
(15)Over de vereiste van een concreet en effectief recht op tegenspraak, als onderdeel van art. 6 EVRM zie T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 73 en 112, met verwijzing naar o.a. EHRM 27 november 2008, Salduz t/Turkije, § 51, www.echr.coe.int. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931103.10 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950530.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000523.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120403.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.