← België

F. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211021.1N.8 Rolnummer: C.20.0391.N Zaak: F. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 677 - laatst gezien 2026-06-18 08:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211021.1N.8 Fiche 1 De kortgedingbevoegdheid van de vrederechter voor woninghuurgeschillen op grond van artikel 43, § 2, eerste lid, Vlaams Woninghuurdecreet is van toepassing op kortgedingprocedures over woninghuurgeschillen die worden ingeleid vanaf 1 januari 2019, ook ingeval de schriftelijke woninghuurovereenkomst werd gesloten vóór die datum

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Woninghuurdecreet - Overgangsregeling - Kortgedingbevoegdheid vrederechter - Toepassing Wettelijke bepalingen: Decreet 9 november 2018 houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan - 09-11-2018 - Artt. 43, § 2, eerste lid, en 83 - 01 ELI link Pub nr 2018015087 Fiches 2 - 3 De exceptie van onbevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding, omwille van de bevoegdheid van de vrederechter op grond van artikel 43, § 2, eerste lid Vlaams Woninghuurdecreet, moet vóór alle exceptie of verweer worden aangevoerd. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Woninghuurdecreet - Overgangsregeling - Kortgedingbevoegdheid vrederechter - Voorwaardelijke volheid van bevoegdheid voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding - Exceptie van materiële onbevoegdheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, eerste lid, en 854 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 9 november 2018 houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan - 09-11-2018 - Art. 43, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2018015087 Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: Woninghuurdecreet - Overgangsregeling - Kortgedingbevoegdheid vrederechter - Voorwaardelijke volheid van bevoegdheid voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend in kort geding - Exceptie van materiële onbevoegdheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, eerste lid, en 854 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Decreet 9 november 2018 houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan - 09-11-2018 - Art. 43, § 2, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2018015087 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2022, n° 3, p. 44-
  1. - DE LEVAL, Georges; Note'La plénitude de compétence du juge civil des référés est-elle inconditionnelle ou conditionnelle?' RW-Rechtskundig weekblad - 2021-22, nr. 29, p. 1146-
  2. - DAMBRE, Maarten; Noot'De kortgedingbevoegdheid van de vrederechter in woninghuurzaken' Tekst van de conclusie C.20.0391.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  3. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eisers sedert 2013 een appartement huren van verweerder. Verweerder zegde eind 2019 de huurovereenkomst op tegen 31 mei 2020 voor het uitvoeren van substantiële renovatiewerken. Omdat verweerder volgens eisers weigerde de verwarming en de lift in het gebouw te doen functioneren gingen eisers op 9 maart 2020 over tot dagvaarding in kort geding voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Deze verklaarde zich bij beschikking van 26 maart 2020 bevoegd op grond van artikel 584 Gerechtelijk wetboek en oordeelde dat de vordering toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond was. Op het hoger beroep van verweerder oordelen de appelrechters dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd verklaarde nu het geschil gelet op artikel 43, § 2 van het Woninghuurdecreet onder de bevoegdheid van de vrederechter valt. Tegen dit arrest van 16 juni 2020 van het hof van beroep te Antwerpen voeren eisers één middel aan bestaande uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de kortgedingbevoegdheid van de vrederechter inzake woninghuurgeschillen zoals bepaald in artikel 43, § 2, eerste lid van het Vlaams decreet van 9 november 2018 houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen (hierna Woninghuurdecreet) ook van toepassing is op onderhavig geschil niettegenstaande niet betwist vaststaat dat de schriftelijke huurovereenkomst tussen partijen dateert van voor 1 januari 2019 en het Woninghuurdecreet in artikel 83 bepaalt dat het decreet niet van toepassing is op schriftelijke huurovereenkomsten gesloten voor 1 januari
  4. In de memorie van antwoord voert verweerder aan dat eisers aan artikel 83 Woninghuurdecreet een te ruime draagwijdte toekennen, nu dit artikel enkel verwijst naar de regels die de inhoud en de gevolgen van de woninghuurovereenkomsten regelen, maar niet naar het procesrecht dat hierbuiten valt.
  5. Bespreking. 2.
  6. Tot 1 juli 2014 was het woninghuurrecht een federale materie
(1). De bevoegdheid inzake huisvesting, inclusief de verhuring van sociale woningen, was daarentegen al in 1980 overgedragen naar de gewesten
(2). Deze gefragmenteerde bevoegdheidsverdeling bemoeilijkte het voeren van een coherent woonbeleid
(3). Om aan deze bevoegdheidsversnippering te verhelpen en toe te laten een meer coherent beleid te voeren, werd in het kader van de zesde staatshervorming de woninghuurwetgeving geregionaliseerd
(4). Sinds 1 juli 2014 zijn de gewesten bevoegd geworden voor “de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan”
(5). Wat de omvang betreft van de geregionaliseerde bevoegdheid geldt dus dat de gewesten slechts een bijzonder gedeelte van het huurrecht, met name de woninghuur, kunnen regelen
(6). Het algemeen verbintenissen- en contractenrecht, inclusief het gemeen huurrecht, blijft tot de federale bevoegdheden behoren. Anderzijds is de bevoegdheidsoverdracht inzake woninghuur wel volledig en zal het gewestelijke woninghuurrecht voorrang krijgen op het federale algemeen verbintenissenrecht op basis van het principe ‘lex specialis derogat lege generali’. De actuele inhoud van de bestaande federale teksten kan daarbij worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen
(7). Naast het reguleren van de materieelrechtelijke verhouding tussen huurders en verhuurders van een goed dat bestemd is voor bewoning, grijpt het Woninghuurdecreet ook in op het procesrecht. Een volledig hoofdstuk 5 – getiteld ‘Betwistingen’ – wordt gewijd aan de regeling van de bevoegdheid en de rechtspleging bij geschillen over huurovereenkomsten voor hoofdverblijfplaatsen
(8). Hoewel de omschrijving van de bevoegdheden van de rechtscolleges en het vaststellen van procedureregels tot de principiële bevoegdheid behoort van de federale wetgever op grond van zijn residuaire bevoegdheid
(9), blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de decreetgever uit zijn bevoegdheid voor het materiële woninghuurrecht ook, als accessorium, de bevoegdheid put voor de procesrechtelijke aspecten van woninghuur
(10)en – voor zover dat niet het geval zou zijn – deze materie door het gewest in elk geval kan betreden worden op grond van de impliciete bevoegdheden. Als redenen voor het ingrijpen op de materie van het procesrecht haalt de decreetgever enerzijds de betrachting aan om zoveel mogelijk bepalingen met betrekking tot woninghuur, die eertijds verspreid stonden over de Woninghuurwet, het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek, “op een gestructureerde wijze in één tekst” samen te brengen. Anderzijds beoogde de decreetgever een “wisselwerking” mogelijk te maken tussen het procesrecht en het materieel recht, waarbij de beiden worden ingezet als instrument om de doelstellingen van het woonbeleid te bevorderen
(11). Net zoals dat geldt voor de materieelrechtelijke regels, hebben de procedureregels van het Woninghuurdecreet als lex specialis voorrang op de algemene, federale procedureregels
(12). 2.2. Het is een van deze bijzondere, decretale procedureregels, met name de kortgedingbevoegdheid van de vrederechter voor woninghuurgeschillen, die in voorliggende zaak centraal staat. Deze bevoegdheid ligt vervat in artikel 43, § 2, eerste lid, Woninghuurdecreet krachtens hetwelk de vrederechter, in afwijking van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, bij voorraad uitspraak doet over de geschillen, vermeld in paragraaf 1
(13), die hij spoedeisend acht. Het eerste onderdeel betreft het temporeel toepassingsgebied van deze nieuwe kortgedingbevoegdheid van de vrederechter. 2.2.1. De regels van algemeen intertemporeel recht houden in dat 1° de nieuwe wet niet retroactief is, maar in principe onmiddellijke werking heeft, 2° in het contractenrecht de nieuwe wet eerbiedigende werking heeft en ze niet van toepassing is op lopende contracten 3° tenzij ze dwingend is of van openbare orde in welk geval ze toch onmiddellijke werking heeft
(14). Artikel 3 Gerechtelijk wetboek is een bijzondere toepassing van de algemene regel dat een nieuwe wet in de regel onmiddellijke werking heeft en dus van toepassing is op lopende en toekomstige rechtstoestanden
(15). Die bepaling voorziet dat nieuwe regels inzake de bevoegdheid van toepassing zijn “op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald”. Artikel 3 Gerechtelijk wetboek huldigt met andere woorden het principe van de ‘onmiddellijke werking’ van de nieuwe bevoegdheidsregel, met dien verstande dat hangende procedures, die op regelmatige wijze werden ingeleid, niet meer aan de rechter waarvoor zij aanhangig zijn kunnen worden onttrokken. Het principe van de onmiddellijke werking zou in voorliggend geval impliceren dat, zoals de appelrechters oordelen, de nieuwe kortgedingbevoegdheid van de vrederechter geldt voor alle kortgedingprocedures over woninghuurgeschillen die worden ingeleid vanaf 1 januari 2019. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de gedinginleidende dagvaarding in deze zaak dateert van 9 maart 2020 zodat, volgens verweerder, de kortgedingbevoegdheid van de vrederechter op dat ogenblik dan ook ten volle gold. 2.2.2. De onmiddellijke werking van de nieuwe procedurewet geldt echter “behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald”. Met andere woorden slechts indien en voor zover de wetgever naar aanleiding van de wetswijziging niet in een afwijkende overgangsregeling heeft voorzien
(16). Het is dus enkel wanneer geen bijzondere overgangsbepaling is voorzien, dat deze regels van algemeen intertemporeel recht van toepassing zijn. Indien een nieuwe wet een uitdrukkelijke overgangsbepaling bevat dan is deze als lex specialis te beschouwen ten aanzien van het algemeen intertemporeel recht
(17). Heeft de wetgever maar een deel van het intertemporeel toepassingsgebied van de nieuwe wet uitdrukkelijk geregeld is het algemeen intertemporeel recht van toepassing op het niet-geregelde gedeelte
(18). Het intertemporeel toepassingsgebied van het Woninghuurdecreet werd door de decreetgever geregeld door te voorzien in een uitdrukkelijke inwerkingtredingsbepaling via artikel 84 waarin wordt bepaald dat het decreet in werking treedt op 1 januari 2019
(19)en door via de overgangsbepaling in artikel 83 te verduidelijken dat het decreet niet van toepassing is op de schriftelijke huurovereenkomsten die werden gesloten voor de datum van inwerkingtreding. Uit de memorie van toelichting blijkt dat het referentietijdstip voor het “sluiten van de huurovereenkomst” de datum van ondertekening van de huurovereenkomst is. Voor mondelinge huurovereenkomsten geldt dat zij onmiddellijk en integraal onderworpen zijn aan de bepalingen van het Woninghuurdecreet
(20). De memorie van toelichting verduidelijkt in dit verband dat de overgangsbepaling in artikel 83 uitgaat van een eerbiedigende werking, wat het gangbare overgangsrecht is voor lopende overeenkomsten, en waardoor de nieuwe norm de oude regeling van toepassing laat op de lopende overeenkomsten, ook na inwerkingtreding van de nieuwe norm
(21). 2.2.3. Eisers en verweerder hebben uiteenlopende standpunten over de omvang van de overgangsbepaling krachtens dewelke het decreet niet van toepassing is op de schriftelijke huurovereenkomsten die werden gesloten voor de datum van inwerkingtreding. Eisers stellen vanuit een letterlijke interpretatiemethode dat de tekst van artikel 83 duidelijk is zodat het daarin vervatte principe van de eerbiedigende werking van toepassing is op zowel inhoudelijke als procedurele bepalingen van het decreet. Verweerder daarentegen voert vanuit een historische interpretatie
(22)aan dat dit artikel enkel verwijst naar de bepalingen met betrekking tot het materiële huurrecht, dus de inhoud en de gevolgen van de woninghuurovereenkomsten. De decreetgever heeft echter, aldus verweerder, niet willen afwijken van het principe van artikel 3 Gerechtelijk wetboek zodat de procedurele bepalingen onmiddellijk van toepassing zijn, ook voor huurovereenkomsten die dateren van voor 1 januari 2019. Verweerder voegt hier nog aan toe dat de rechtszekerheid noch het vertrouwensbeginsel worden geschonden door de kortgedingbevoegdheid van de vrederechter onmiddellijk te laten ingaan, aangezien dit de materiële rechten van partijen niet wijzigt, en een goede rechtsbedeling er niet mee is gediend dat de bevoegdheid van de rechtbankvoorzitter en de vrederechter nog geruime tijd
(23)naast elkaar zouden blijven bestaan, te meer omdat een centralisatie van de bevoegdheid inzake huur bij de vrederechter een uitdrukkelijk streven was van de decreetgever
(24). Deze uiteenlopende standpunten van eisers en verweerder komen ook tot uiting in de rechtsleer. Een eerste strekking stelt in lijn met het eerste onderdeel dat de overgangsregeling duidelijk is zodat het principe van de eerbiedigende werking ook van toepassing is op de procedurele bepalingen
(25). Een andere strekking leidt uit de verwijzing in de parlementaire voorbereidende werken naar “de normale wijze van inwerkingtreding bij lopende overeenkomsten” en de voordelen van dit principe van de “eerbiedigende werking” af dat de decreetgever met de overgangsregeling van artikel 83 Woninghuurdecreet enkel het (oude) federale materiële huurrecht beoogde. Bijkomend wordt erop gewezen dat het principe van de eerbiedigende werking, wat het gangbare overgangsrecht is inzake lopende overeenkomsten, diametraal staat tegenover het principe van de onmiddellijke toepassing van nieuwe procedurewetten, zodat de decreetgever, indien hij bedoeld zou hebben om af te wijken van de gemeenrechtelijke overgangsregeling van artikel 3 Gerechtelijk wetboek dit in het decreet of de memorie van toelichting zou hebben verduidelijkt
(26). 2.2.4. Hoewel de parlementaire voorbereidende werken niet expressis verbis antwoord bieden op de vraag die voorligt en juridische argumenten ter ondersteuning van de ene dan wel de andere visie kunnen aangebracht worden, komt het standpunt van eisers mij om volgende redenen gegrond voor. - De procesrechtelijke bepalingen worden niet uitdrukkelijk uitgesloten van de titel inzake het overgangsrecht zodat deze titel in principe van toepassing is op deze bepalingen
(27). Ook de tekst van artikel 83 zelf is duidelijk en biedt geen ruimte voor interpretatie. Dit voordeel van de duidelijkheid is zeker in een materie waar veel mensen in persoon, zonder advocaat, betrokken zijn een niet te verwaarlozen element. Deze duidelijkheid dient de rechtszekerheid. Men kan niet verwachten van de burger dat hij, ondanks een duidelijke wettekst, toch tot een ander besluit moet komen op basis van juridisch technische argumenten die zelfs ervaren juristen verdelen. - Dit klemt des te meer nu overgangsbepalingen geen zuiver technische maar wel een beleidsmatige kwestie vormen
(28)en uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever met het Woninghuurdecreet uitdrukkelijk opteerde voor een nieuwe eigen, gewestelijke regelgeving, eerder dan een wijzigingsdecreet te maken dat de bestaande federale wetgeving wijzigt. Men wou immers geenszins een risico op versnipperde en ontransparante regelgeving creëren
(29)Vanuit dit streven naar duidelijkheid, laagdrempeligheid en eenvoud werd gesteld: “Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de stellers van dit ontwerp om zo veel mogelijk bepalingen met betrekking tot woninghuur bij elkaar te zetten. Daarom worden de verschillende bepalingen van het woninghuurrecht, die verspreid staan over de Woninghuurwet, het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek, op een gestructureerde wijze in één tekst samengebracht. Het is daarom noodzakelijk dat ook de bepalingen met betrekking tot de rechtspleging in huurzaken mee worden opgenomen in het ontwerp, zodat huurders en verhuurders maximaal geïnformeerd worden over deze aspecten van de huurrelatie en zowel huurders als verhuurders indien nodig hun rechten kunnen afdwingen. Daarbij worden overwegend de bestaande bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek overgenomen en worden slechts op bepaalde, beperkte vlakken wijzigingen aangebracht. Deze wijzigingen hebben als doel een maximale afstemming tussen de inhoudelijke regeling en de procedurele bepalingen te bekomen, die moet zorgen voor een optimale toepassing in de praktijk van de inhoudelijke bepalingen. Door deze beperkte wijzigingen wordt de doelstelling van de specifieke procedure inzake huurgeschillen, met name een eenvoudige en laagdrempelige procedure creëren die het afdwingen van de inhoudelijke regeling ondersteunt, zoals destijds beoogd door de federale wetgever, bevestigd en versterkt”
(30). - Ook uit de overige overgangsbepalingen, zoals voorzien in de artikelen 79-80 van het decreet, kan een tekstueel tegenargument voor de onmiddellijke werking van de nieuwe bevoegdheidsregel gevonden worden. Die artikelen bepalen dat de Woninghuurwet wordt opgeheven, maar enkel voor schriftelijke huurovereenkomsten die worden gesloten vanaf 1 januari
  1. Aangezien hiermee dus al vaststaat dat het federale materiële woninghuurrecht van toepassing blijft op huurovereenkomsten gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van het decreet, lijkt het standpunt dat de decreetgever het toepassingsgebied van artikel 83 wou beperken tot het federale materiële woninghuurrecht onlogisch en kan worden aangenomen dat de decreetgever met die laatste bepaling daarentegen wou verduidelijken dat de totaliteit van het decreet, met inbegrip van de procesrechtelijke bepalingen, niet kan worden toegepast op schriftelijke huurovereenkomsten die dateren van vóór 1 januari
  2. - Het komt tenslotte geenszins vanzelfsprekend voor om de toepassing van artikel 3 Gerechtelijk wetboek door te trekken naar álle procesrechtelijke bepalingen van het Woninghuurdecreet. Het decreet bevat immers ook op andere punten een afwijking van het gemeen procesrecht
(31). Zo bevat artikel 44 Woninghuurdecreet een wettelijke uitzondering op artikel 1676 Gerechtelijk wetboek, welke bepaling voorziet dat ieder geschil van vermogensrechtelijke aard het voorwerp van arbitrage kan uitmaken, behoudens waar de wet anders voorziet. Krachtens artikel 44 Woninghuurdecreet zijn arbitragebedingen die worden gesloten voor of na het ontstaan van een woninghuurgeschil “van rechtswege nietig”. Neemt men ten aanzien van deze bepaling de eerbiedigende werking aan, dan blijven de arbitragebedingen die zijn opgenomen in schriftelijke huurovereenkomsten gesloten vóór 1 januari 2019 geldig. Gaat men uit van de onmiddellijke werking, dan zal de verwerende partij, in woninghuurgeschillen die worden ingeleid voor een scheidsgerecht vanaf 1 januari 2019, de exceptie van gebrek aan rechtsmacht kunnen opwerpen, ook al dateert de schriftelijke huurovereenkomst waarin het arbitragebeding is opgenomen van vóór 1 januari 2019
(32). In dat geval kan nog bezwaarlijk worden gezegd dat de onmiddellijke werking van de nieuwe (procedure)wet geen afbreuk doet aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de contractpartijen. Voor zover de onmiddellijke werking van de procedurebepaling zou verdedigd worden vanuit de redenering dat alle huurders en verhuurders baat hebben bij de mogelijkheid om op deze nieuwe eenvoudige en laagdrempelige kort geding procedure beroep te doen, kan worden opgemerkt dat dit belang eerder bijkomstig lijkt te zijn. Bepaalde rechtsleer wijst er terecht op dat die nieuwe bevoegdheid eerder overbodig lijkt in het licht van andere bepalingen van het Gerechtelijk wetboek die aan het vredegerecht voldoende mogelijkheden geven om in spoedeisende gevallen doortastend en op korte termijn op te treden
(33). Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 83 Woninghuurdecreet als specifieke overgangsbepaling een afwijking inhoudt op het beginsel van de onmiddellijke werking van nieuwe bevoegdheidsregels overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk wetboek, zodat de nieuwe bevoegdheidsregel van artikel 43, § 2 Woninghuurdecreet niet van toepassing is op kort gedingprocedures die werden ingeleid na 1 januari 2019 voor zover de schriftelijke huurovereenkomst werd gesloten voor 1 januari 2019. De appelrechters die anderszins oordelen verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het eerste onderdeel is gegrond. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _______________________________
(1)In 1991 maakte de federale wetgever van deze bevoegdheid gebruik om de Woninghuurwet toe te voegen aan de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek betreffende het huurrecht (wet van 20 februari 1991 tot uitbreiding van de bescherming van de gezinswoning, BS 22 februari 1991).
(2)Artikel 6, § 1, IV, BWHI regionaliseerde aanvankelijk enkel “de huisvesting en de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en gezondheid”.
(3)Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het regelen van de contractuele verhouding tussen private huurders en verhuurders te beschouwen is als een residuaire bevoegdheid, waarvoor de federale wetgever bevoegd is (GwH 17 juni 1998, nr. 73/98, r.o. B.7.2 e.v.).
(4)De bijzondere wetgever oordeelde dat een coherent woonbeleid best kan worden gegarandeerd door de versterking van het gewestelijke niveau, aangezien de woonproblematiek nauw verbonden is met een aantal gewestelijke materies, waaronder de ruimtelijke ordening, het grond- en pandenbeleid en de stads- en dorpsherwaardering (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 82).
(5)Zie huidig artikel 6, § 1, IV, BWHI, zoals gewijzigd door artikel 15 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, BS 31 januari 2014.
(6)Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 82-84.
(7)Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 2.
(8)Ook andere artikelen van het decreet bevatten procesrechtelijke bepalingen, zie bv. de artikelen 9, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, 37, § 3, eerste lid, 49, § 2, tweede lid, 42, § 2, derde tot zesde lid, en 62, § 3, eerste lid, Vlaams Woninghuurdecreet.
(9)Zie: GwH 24 februari 2011, nr. 29/2011, r.o. B.4.4-B.5.2; GwH 28 oktober 2004, nr. 168/2004, r.o. B.3.3-B.4.2; GwH 1 maart 2001, nr. 27/2001, r.o. B.4-B.5; GwH 16 december 1998, nr. 139/98, r.o. 3; GwH 14 juli 1997, nr. 46/97, r.o. B.3-B.5.
(10)Als onderbouwing voor dit standpunt, verwijst de decreetgever naar de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014, waarin wordt gesteld dat “onder meer” de regeling van “de uithuiszetting” en “de schadeloosstelling bij uithuiszetting” wordt gezien als een onderdeel van de specifieke regels inzake de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan die tot de bevoegdheid van de gewesten behoren (voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 83). Omwille van het gebruik van de woorden “onder meer”, die erop zouden wijzen dat de gegeven opsomming door de bijzondere wetgever niet limitatief werd opgevat, en het gegeven dat de uithuiszetting en de schadeloosstelling bij uithuiszetting logischerwijze volgen op een gerechtelijke procedure, concludeert de decreetgever dat de bevoegdheid tot het regelen van de procedureregels in huurgeschillen “logischerwijze mee in de bevoegdheidsoverdracht naar de gewesten” is begrepen (MvT bij het ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, nr. 1612/1, 5-6 en 22).
(11)MvT bij het ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, Parl.St. Vl. Parl. 2017-18, nr. 1612/1, 5-6.
(12)D. VERMEIR en B. HUBEAU, “Het Vlaamse Woninghuurdecreet: een algemene situering”, in Het nieuw Vlaams woninghuurdecreet. Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 8.
(13)D.w.z., geschillen over huurovereenkomsten betreffende een woning die de huurder tot hoofdverblijfplaats bestemd.
(14)T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporeel recht, Intersentia 2019, p. 849.
(15)T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporeel recht, Intersentia 2019, p. 51.
(16)P. VANLERSBERGHE, “Commentaar bij art. 3 Ger.W.” in Comm.Ger. 1993, 4, nr. 2.
(17)T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporeel recht, Intersentia 2019, p. 27.
(18)T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporeel recht, Intersentia 2019, p. 29.
(19)De voorziene uitzondering voor de artikelen 37 en 79, tweede lid (betreffende de huurwaarborg), die in werking treden op de datum die de Vlaamse Regering bepaalt, werd weggewerkt door artikel 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 die de datum van inwerkingtreding ook vastlegde op 1 januari 2019 (Besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 tot instelling van een huurwaarborglening, BS 13 december 2018). Daardoor is het hele nieuwe kader op dezelfde datum in werking getreden.
(20)Parl.St. Vl. Parl. Ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, 2017-2018, nr. 1612/1, 71.
(21)Parl.St. Vl. Parl. Ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, 2017-2018, nr. 1612/1, 71.
(22)M. MEIRLAEN, Teleologische interpretatie, Mogelijkheden en grenzen, NJW, 2019496.
(23)Uit de memorie van toelichting blijkt immers dat de eerbiedigende werking ook geldt voor schriftelijke huurovereenkomsten die werden gesloten vóór 1 januari 2019 en die na die datum worden verlengd (in dezelfde zin: T. VANDROMME en D. VERMEIR, “Het Vlaamse Woninghuurdecreet: continuïteit met eigen accenten, Not.Fis.M. 2019, 59; N. VAN DAMME, “Toepassingsgebied” in (Ver)huur van studentenhuisvesting, 2019, 23-25, nrs. 28-29).
(24)MvT bij het ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, Parl.St. Vl. Parl. 2017-18, nr. 1612/1, 57.
(25)D. VERMEIR en B. HUBEAU, “Het Vlaamse Wonghuurdecreet: een algemene situering” in Het nieuw Vlaams Woninghuurdecreet. Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 19.
(26)In die zin: M. DAMBRE, De nieuwe regeling voor woninghuur en studentenhuur in het Vlaams Gewest, 2019, 7-8, nr. 16; S. RUTTEN, “Procedurele aspecten van het Woninghuurdecreet” in Het nieuw Vlaams Woninghuurdecreet. Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 132-135, nrs. 31-33.
(27)M. DAMBRE, De nieuwe regeling voor woninghuur en studentenhuur in het Vlaams Gewest, 2019,Wolters Kluwer, 7-8.
(28)T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporeel recht, Intersentia 2019, p. 195.
(29)Parl.St. Vlaams Parlement, Verslag van de commissie voor Wonen, Armoedebeleid en Gelijke kansen 2017-2018, nr. 1612/5, p. 4.
(30)Parl. St., Vlaams Parlement, Ontwerp van decreet houdende bepalingen betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan, 2017-2018, nr. 1612/1, pp. 5-6.
(31)Voor een samenvattend overzicht, zie S. RUTTEN, “Procedurele aspecten van het Woninghuurdecreet” in Het nieuw Vlaams Woninghuurdecreet. Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 133-134, nr. 32.
(32)Artikel 1690, § 2, Ger.W.; S. RUTTEN, “Procedurele aspecten van het Woninghuurdecreet” in Het nieuw Vlaams Woninghuurdecreet. Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 133, nr. 32.
(33)S. RUTTEN, Procedurele aspecten van het woninghuurdecreet, in Het nieuw Vlaams Woninghuurdecreet – Over grote en kleine wijzigingen in het woninghuurrecht, 2019, 119; zie ook M. DAMBRE, De nieuwe regeling voor woninghuur en studentenhuur in het Vlaams Gewest, 2019,Wolters Kluwer, 101. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211021.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211021.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.