← België

F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 Rolnummer: P.21.0958.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 754 - laatst gezien 2026-06-18 22:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om de uitspraak van veroordeling op te schorten volgt niet dat de rechter verplicht is die maatregel toe te kennen; de rechter oordeelt onaantastbaar over de wenselijkheid ervan en er bestaat immers geen recht op opschorting van de uitspraak van veroordeling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verplichting - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Verplichting - Beoordeling - Wijze Fiches 3 - 4 Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de rechter een verzoek om de opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende redenen daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing, maar die motivering mag beknopt zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Weigering - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Weigering - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Uit de samenlezing van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Aanvoering van concrete elementen betreffende de gevolgen van een straf - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Aanvoering van concrete elementen betreffende de gevolgen van een straf - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 7 - 8 De rechter mag bij de beoordeling van de vraag van een beklaagde om opschorting van de uitspraak van veroordeling wel degelijk het gegeven betrekken dat hij geen concrete gegevens verstrekt betreffende zijn persoonlijke situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Beoordeling - Gebrek aan concrete gegevens - Redenen Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verzoek tot opschorting - Beoordeling - Gebrek aan concrete gegevens - Redenen Tekst van de conclusie P.21.0958.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: Het middel. Eerste onderdeel. 1. Eiseres voert in het eerste onderdeel van haar enig middel de schending aan van artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Eisers stelt dat het bestreden arrest, met het oordeel dat de opschorting niet van aard is om eiseres afdoende te wijzen op haar maatschappelijke beperkingen en verplichtingen en dat eiseres niet aantoont dat een veroordeling (deels met uitstel van tenuitvoerlegging) voor haar een onevenwichtige sociaal-economische declassering zou meebrengen, niet in concreto heeft onderzocht of een effectieve bestraffing nadelig kan zijn op dat vlak. Met verwijzing naar een arrest van het Hof van 25 november 1997
(1)stelt eiseres dat de toekenning of weigering van opschorting nauwkeurig moet gemotiveerd zijn en van de rechter vereist dat hij een afweging maakt tussen enerzijds de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de dader en anderzijds de nadelige effecten van de strafrechtelijke interventie voor de reclassering en de resocialisering van de veroordeelde. Eiseres verzocht op gemotiveerde wijze, met de nodige stavingstukken, om haar de gunst van de opschorting toe te kennen. Het arrest onderzocht volgens eiseres niet in concreto in welke mate een effectieve bestraffing een sociaaleconomische declassering zou teweeg brengen in het licht van de door haar aangehaalde pertinente en concrete redenen. Het arrest beantwoordt bijgevolg dit verzoek niet op een wijze zoals vereist door artikel 3, vierde lid, tweede zin van de Probatiewet. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van 8 mei 2018
(2).
  1. Artikel 3, vierde lid, tweede zin, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij de opschorting en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, met redenen omkleed moet zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering - dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep - vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  2. De bijzondere motiveringsplicht overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering van de beslissingen die de opschorting verlenen of deze die ze weigeren, werd ingevoerd bij wet van 10 februari 1994 tot wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
(3)
(4). De draagwijdte van deze motiveringsverplichting heeft aanleiding gegeven tot uitgebreide rechtspraak van uw Hof
(5). 4. Uit een analyse van de rechtspraak van uw Hof, meen ik een aantal principes te kunnen afleiden die van belang lijken te zijn voor de beoordeling van de door eiseres aangevoerde grieven. Vooreerst oordeelde uw Hof dat artikel 3 Probatiewet geen verplichting oplegt om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling uit te spreken, ook al zijn de door de wet gestelde voorwaarden vervuld. De rechter beoordeelt mitsdien, op onaantastbare wijze een verzoek van een beklaagde strekkende tot opschorting
(6). Het lijkt mij evident dat bij afwezigheid van een daartoe strekkend verzoek, de rechter er niet toe kan gehouden zijn te motiveren waarom hij deze gunst niet verleent
(7). Trouwens uit artikel 3, eerste lid, Probatiewet volgt dat de rechter de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet wettelijk kan gelasten zonder instemming van de verdachte. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat wanneer een beklaagde een conclusie heeft ingediend tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling, die conclusie regelmatig wordt beantwoord door met opgave van redenen een straf op te leggen
(8). Enigszins genuanceerder oordeelde het Hof dat de afwijzing van een verzoek tot opschorting door de beklaagde zonder opgave van eigen of specifieke redenen regelmatig wordt gemotiveerd en wettelijk gerechtvaardigd door het uitspreken van een straf
(9). Het Hof oordeelt dat uit artikel 3, vierde lid, laatste zin, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt, eensdeels, dat de rechter die een gevraagde opschorting weigert, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, weze het dat die motivering beknopt mag zijn, en, anderdeels, dat de rechter door het opleggen van een straf en het met redenen omkleden van die straf overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bovendien de redenen opgeeft waarom niet kan worden ingegaan op de vraag tot opschorting
(10). Dienaangaande kan ook verwezen worden naar de rechtspraak van uw Hof inzake het al dan niet opleggen van een werkstraf, autonome probatiestraf of (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging. In een arrest van 4 februari 2020
(11)werden bovenstaande principes als volgt verwoord: “De rechter kan, indien om een werkstraf, een autonome probatiestraf of (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging wordt verzocht en de beklaagde voldoet aan de wettelijk bepaalde voorwaarden, zijn afwijzende beslissing motiveren, hetzij door daartoe specifieke redenen op te geven, hetzij door tegen de beklaagde een of meerdere andere straffen uit te spreken en de keuze voor die straf of straffen en hun maat te motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; artikel 149 Grondwet, de artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet verplichten de rechter niet om de weigering een werkstraf of een autonome probatiestraf uit te spreken of de modaliteit van het (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, steeds autonoom met een op zichzelf staande redengeving, te motiveren en dit maakt de motiveringsverplichting niet inhoudsloos aangezien het noodzakelijk maar voldoende is dat de beklaagde weet waarom hij tot een of meerdere straffen is veroordeeld en bijgevolg ook weet waarom hij niet werd veroordeeld tot een werkstraf of een autonome probatiestraf of hem geen (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging werd verleend”. In recente arresten van het Hof van 14 september 2021 werd deze bijzondere motiveringsplicht nog verduidelijkt. Het Hof oordeelde dat de rechter, hoewel hij aan de bijzondere motiveringsplicht voorzien in artikelen 3, vierde lid, en 8, vierde lid, Probatiewet, alsook artikel 195 Wetboek van Strafvordering kan voldoen door nauwkeurig het opleggen van een effectieve straf te motiveren, uit zijn motieven niettemin moet laten blijken dat hij het verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling en om uitstel van tenuitvoerlegging en de redenen die de beklaagde daartoe heeft aangevoerd in aanmerking heeft genomen
(12). Met andere woorden ik leid uit de rechtspraak van uw Hof af dat aan de motiveringsplicht van de afwijzing van een verzoek tot opschorting kan voldaan worden door op een gemotiveerde wijze die nauwkeurig, maar beknopt kan zijn, een straf op te leggen, maar dat bij deze motivering de strafrechter blijk moet geven dat hij het verzoek van een beklaagde tot opschorting en de redenen die een beklaagde daartoe aanvoert, in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing. Dit hoeft mijns inziens niet noodzakelijk met een autonome redengeving noch moet mijns inziens elk daartoe aangevoerd argument beantwoord te worden. 5. De redenen die een beklaagde ter staving van zijn verzoek om opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan aanvoeren, kunnen in de praktijk divers zijn. Vandaar ook dat de rechtspraak van het Hof vaak een casuïstische benadering is van de problematiek. De negatieve gevolgen die een bestraffing zou kunnen hebben voor de reclassering en resocialisering van de betrokkene, kan één van deze redenen zijn. Dit brengt mij tot het eerste onderdeel van het middel van eiseres. In het arrest van 25 november 1997 waarnaar door eiser wordt verwezen, oordeelde het Hof dat de appelrechters die overwogen dat de bewezen feiten te ernstig zijn en de veroordeling noch de declassering van eiser tot gevolg zal hebben noch zijn reclassering zal beïnvloeden, met deze motiveringen de andere, eventueel strijdige feitelijke aanvoeringen van eiser verwerpen en de beslissing de gunst van opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet te verlenen naar recht verantwoorden. Uw Hof oordeelde eveneens in een arrest van 31 oktober 2017 dat de opschorting verantwoord is wanneer een veroordeling, zelfs met uitstel, de verbetering, die reeds werd bereikt of die men van de beklaagde kan verwachten, en zijn reclassering nadelig zou kunnen bevinden. De rechter zal dan ook een afweging dienen te maken tussen, eensdeels, de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de dader, en, anderdeels, de nadelige effecten van de strafrechtelijke interventie voor de reclassering en de resocialisering van de veroordeelde
(13). In het arrest van 8 mei 2008
(14)waarnaar eiser verwijst kwam het Hof tot de conclusie dat de rechter had dienen te onderzoeken of een effectieve bestraffing nadelig kon zijn voor de reclassering en resocialisering van de betrokkene. L. CLAES leidt uit gemelde arresten van 31 oktober 2017 en 8 mei 2008 af dat het gevaar voor declassering een prominente plaats inneemt als toetsingscriterium bij de inhoudelijke motiveringsplicht van de strafrechter bij zijn weigering om opschorting te verlenen en is van oordeel dat volgens het Hof de rechter steeds een afweging zal dienen te maken tussen enerzijds de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de dader, en anderzijds de nadelige effecten van de strafrechtelijke interventies voor de reclasseringen en de resocialisering van de veroordeelde
(15). Eiseres voert dit in het eerste onderdeel van haar middel ook zo aan. Ik meen dat deze gevolgtrekking niet zonder meer kan gemaakt worden. In de zaken die aanleiding gaven tot de bovengemelde arresten van 27 november 1997 en 8 mei 2018 werden door de beklaagde concrete elementen aangevoerd betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering. In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 27 november 1997 voerde de beklaagde aan dat hij een blanco strafrechtelijk verleden had en door de uitgesproken veroordeling in zijn integriteit en zijn sociale reclassering ernstig aangetast wordt. Dat zelfs sprake is van een ernstig gevaar voor zijn declassering en de betrokken betichtingen "C" en "D" geenszins van die aard zijn dat een ingrijpende wijziging in zijn leven kunnen rechtvaardigen, in die zin dat de met een veroordeling gepaard gaande maatschappelijke verstoting eigenlijk een bijkomende straf zou uitmaken. Het arrest van 8 mei 2018 had betrekking op een beklaagde die gemotiveerd heeft verzocht om opschorting van de uitspraak van veroordeling en tot staving van dit verzoek heeft aangevoerd dat hij in IJsland een onberispelijk strafrechtelijk verleden heeft, als zelfstandige een internationale vishandel runt en een effectief opgelegde straf door een buitenlandse jurisdictie zou worden opgenomen in het Ijslands strafregister met zijn mogelijke sociale declassering tot gevolg. Dit brengt mij tot de conclusie dat uit deze rechtspraak enkel af te leiden is dat, indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling te bekomen, concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van een straf voor zijn reclassering, uit de rechterlijke beslissing die een verzoek tot opschorting weigert, een afweging zal moeten blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. Dit vloeit voort uit de bepalingen van artikel 149 Grondwet, artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht. 6. In casu verzocht eiseres in haar appelconclusie in ondergeschikte orde de opschorting van de uitspraak. Zij verwees naar haar blanco strafregister, het gegeven dat zij intussen haar rechtenstudie hervat heeft en in het tweede jaar bacheloropleiding Rechten zit en een vermelding op haar strafregister haar toekomst in zeer belangrijke mate zou hypothekeren. Zij is gehuwd en heeft met haar echtgenoot een dochter van 5 maanden. Met andere woorden eiseres heeft in haar appelconclusie ter staving van haar verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling een aantal concrete elementen aangevoerd betreffende haar strafrechtelijk verleden, haar actuele en professionele situatie en de mogelijke gevaren die een veroordeling daarop zou hebben. Het arrest wijst het verzoek van de eiseres om opschorting van de uitspraak van veroordeling af op de volgende gronden: - een dergelijke gunstmaatregel is niet van aard om de eiseres afdoende te wijzen op haar maatschappelijke beperkingen en verplichtingen; - deze maatregel is een buitengewone gunst die er onder meer toe strekt te voorkomen dat een veroordeling buiten haar normalerwijze te voorziene gevolgen en onder andere door de eraan verbonden publiciteit voor de beklaagde een onevenwichtige sociaal-economische declassering zou meebrengen; - de eiseres toont niet aan dat een veroordeling, deels met uitstel van tenuitvoerlegging, voor haar een onevenwichtige sociaal-economische declassering zou meebrengen. Het arrest oordeelt tevens dat eiseres in gebreke blijft om afdoende elementen aan te reiken welke het hof van beroep kunnen toelaten te besluiten dat het oplegging van de bestraffing haar toekomst op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernstig van de gepleegde feiten, zou hypothekeren. Ik meen dat uit die nauwkeurige motivering volgt dat de appelrechters wel degelijk een afweging hebben gemaakt tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiseres en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor haar reclassering en resocialisering. In zoverre lijkt het onderdeel niet te kunnen worden aangenomen. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voert eiseres de schending aan van artikel 3 Probatiewet. Eiseres stelt dat de appelrechter, met het oordeel dat eiseres nalaat aan te tonen dat een veroordeling voor haar een onevenwichtige sociaal-economische declassering zou meebrengen, de bewijslast bij eiseres legt en een niet in de wet bepaalde voorwaarde oplegt. Het lijkt mij logisch dat bij de beoordeling van de vraag van een beklaagde om opschorting van veroordeling te verkrijgen, wel degelijk het gegeven kan betrekken dat hij geen concrete gegevens verstrekt betreffende zijn persoonlijke situatie. In zoverre het tweede onderdeel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting lijkt mij dit te falen naar recht. De appelrechters lijken mij met hun oordeel geen bewijslast op te leggen aan de eiseres, maar lijken mij enkel te oordelen dat de aangevoerde gegevens de appelrechters niet kunnen overtuigen dat een veroordeling, deels met uitstel, tot haar onevenwichtige sociaal-economische declassering zal leiden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ik heb geen ambtshalve middelen en concludeer tot verwerping. _______________________________
(1)Cass. 25 november 1997, AR P.96.0660.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.7, AC 1997, nr. 502.
(2)Cass. 8 mei 2018, AR P.17.1274.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180508.1, AC 2018, nr. 294, NC 2018, afl. 5, 490-500, met noot L. CLAES.
(3)BS 27 april 1994.
(4)Zie S. VAN OVERBEKE, “De motivering omtrent de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en omtrent het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf”, RW 1996-1997, p. 1057-1059.
(5)Zie voor een exhaustief overzicht van de rechtspraak: R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 763-766; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9de editie, 2021, II, p. 1551-1553; L. CLAES, “De weigering van de opschorting van de uitspraak van veroordeling herbekeken”, NC 2018, 491-500.
(6)Cass. 26 februari 2008, AR P.07.0033.N, arrest niet gepubliceerd, NC 2009, p. 39; Cass. 25 november 1997, AR P.96.0660.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.7, AC 1997, nr. 502.
(7)S. VAN OVERBEKE, “Nogmaals over de motivering van de beslissing nopens de opschorting en het uitstel”, RW 1996-97, 1327; zie in dezelfde zin inzake het al dan niet verlenen van een straf met uitstel: Cass. 14 mei 2014, AR P.13.2083F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140514.4, AC 2014, nr. 342; Cass. 3 mei 2011, AR P.10.1923.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110503.2, AC 2011, nr. 293.
(8)Cass. 9 januari 2018, AR P.17.0856.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5, AC 2018, nr. 17.
(9)Cass. 22 januari 2020, AR P.19.1067.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200122.2F.4, AC 2020, nr. 66.
(10)Cass. 5 februari 2019, AR P.18.1032.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.5, AC 2019, nr. 69; Cass. 30 januari 2018, AR P.16.1258.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.2, AC 2018, nr. 63.
(11)Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99.
(12)Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, AC 2021, nr. 552; Cass. 14 september 2021, AR P.21.1049.N, niet gepubliceerd.
(13)Cass. 31 oktober 2017, AR P.17.0014.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.3, AC 2017, nr. 602.
(14)Cass. 8 mei 2018, AR P.17.1274.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180508.1, AC 2018, nr. 294, NC 2018, afl. 5, 490 – 500, met noot L. CLAES.
(15)L. CLAES, “De weigering van de opschorting van de uitspraak van veroordeling herbekeken”, NC 2018, 497; zie ook P. HOET, noot onder Cass. 25 juni 2019, T.Strafrecht 2020, p. 56-58. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110503.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140514.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180508.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200122.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250528.2F.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.