id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 Rolnummer: P.21.0738.N Zaak: J. Verbraeken en Zonen Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2021-11-29 Raadplegingen: 1190 - laatst gezien 2026-06-18 21:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.5 Fiche 1 De dimona-aangifteplicht opgelegd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling is een aangelegenheid als bedoeld door artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek, ook al wordt die regelgeving niet uitdrukkelijk in deze laatste bepaling vermeld
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16, met concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgever inzake sociale zekerheid - Aangifte van verschuldigde bijdragen (Dimona) - Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank - Samenstelling van het strafrechtscollege in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 580, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Fiches 2 - 3 De vraag rijst of uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat zij daarmee onweerlegbaar aantoont dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld met artikel 13.1 Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en dit ter bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel en of de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door dat gegeven gebonden zijn; verder rijst de vraag of de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling een wegvervoersvergunning naast zich kunnen neerleggen omdat ze werd verkregen met bedrog, dan wel of die autoriteiten op grond van die vaststelling eerst de intrekking van de wegvervoersvergunning moeten vragen aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt; het antwoord op de voorgestelde vragen vereist een uitlegging van artikel 13.1, b), i), Verordening (EG) nr. 883/2004, de artikelen 3.1.a), 11.1, 12.1 en 13.3 Verordening (EG) nr. 1071/2009 en artikel 4.1.a), Verordening (EG) nr. 1072/2009; waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, er is derhalve grond om overeenkomstig artikel 267.3 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag te stellen, geformuleerd als volgt: “
- Moeten artikel 13.1, b), i), van de Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de artikelen 3.1, a), en 11.1, van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en artikel 4.1.a), van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg zo worden uitgelegd dat uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 1071/2009 en nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, volgt dat daarmee onweerlegbaar is aangetoond dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld door artikel 13.1 van de voormelde Verordening nr. 883/2004/EG, ter bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel en of de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling zijn gebonden?” en
- “Kan de nationale rechter van de lidstaat van tewerkstelling die vaststelt dat de bedoelde wegvervoersvergunning werd verkregen door bedrog die vergunning naast zich neerleggen, of dienen de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling op grond van de vaststelling van bedrog eerst de intrekking van die vergunning te vragen aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt?”
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16, met concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 over de communautaire vervoersvergunning - Duurzame vestiging van een transportfirma in een lidstaat - Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 over de communautaire vervoersvergunning - Duurzame vestiging van een transportfirma in een lidstaat - Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie Tekst van de conclusie P.21.0738.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het gebruik van een transportfirma gevestigd in een EU-lidstaat voor tewerkstelling van chauffeurs die hoofdzakelijk arbeid in loondienst verrichten in België. Moet voor het bepalen van de zetel van de tewerkstellende onderneming, als criterium voor het toepasselijke sociale zekerheidsstelsel, worden gelet op de communautaire vervoersvergunning (Verordeningen (EG) 883/2004 en 1071/2009)”?
- Feiten en voorafgaande procedure.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zijn de feiten als volgt samen te vatten: J. VERBRAEKEN EN ZONEN BVBA is een transportfirma gevestigd te Melle, met in 2016 zeven werknemers, en met als zaakvoerder F.V.D. Op 12 juni 2014 werd chauffeur V.Y van Oekraïense nationaliteit bij een wegcontrole in België tegengehouden, door inspecteurs van de Scheepvaartpolitie. Hij reed rond met een trekker die was ingeschreven op naam van de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F. maar waarop was vermeld “Internationaal transport Van Daele BVBA, 9090 Melle”. Hij verklaarde dat hij werkte voor de transportfirma Van Daele te Litouwen en zijn baas F.V.D. in België woonde. Hij stelde al 6 maanden in zijn vrachtwagen te leven en dat hij de vrachtwagen parkeerde op de terreinen van de firma Van Daele te Melle. Chauffeur V.Y. contacteerde tijdens de controle eiser 2 over ontbrekende documenten van de oplegger. Op 29 juli 2014 deed de sociale inspectie een onaangekondigde controle van het bedrijf J. Verbraeken en Zonen Bv. Verantwoordelijke F.V.D. verklaarde dat hij regelmatig een beroep deed op een Litouwse onderaannemer UAB VAN DAELE F. (waarvan hij mede-eigenaar is, een onderneming geleid door de Litouwer V.K.) om Litouwse chauffeurs in te schakelen voor ritten vanuit België richting Frankrijk, Luxemburg of Duitsland. Het onderhoud van de vrachtwagens gebeurt volgens hem in Litouwen. Op de bedrijfsterreinen stonden twee trekkers met Litouwse nummerplaten. Uit verder onderzoek blijkt dat de firma UAB VAN DAELE F. in Litouwen is geregistreerd in 2006 en is gespecialiseerd in transport en logistieke diensten. Op 4 december 2014 vond een huiszoeking plaats op de zetel van J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV, op bevel van de onderzoeksrechter. Tijdens de vaststellingen kwamen er vier Litouwse chauffeurs aangereden, met vrachtwagens met Litouwse nummerplaten en met als opschrift ‘Van Daele BVBA-Internationaal Transport-Verhuizingen’. Op de terreinen van de vennootschap is er een hangar met wasplaats en een container ingericht als wooneenheid. In het bureel werden stempels aangetroffen van UAB VAN DAELE F., met zetel te Vilnius, en documenten aangaande Litouwen (mappen met opschrift ‘Chauffeurs in dienst’, mappen met arbeidsovereenkomsten van chauffeurs, een schrift met ritten voor vrachtwagens van J. VERBRAEKEN EN ZONEN bv en UAB VAN DAELE F., documenten over financiële gegevens van UAB VAN DAELE F; loonberekeningen van de chauffeurs, facturen en boetes gericht aan UAB VAN DAELE F. en betaalde lonen per vrachtwagenchauffeur vanaf januari 2015). Er werden ook tachograafschijven van UAB VAN DAELE F. gevonden en blanco vrachtbrieven met UAB VAN DAELE F. als hoofdvervoerder. Uit de verhoren van de vier chauffeurs, allen van Litouwse nationaliteit, valt af te leiden dat zij hun arbeid in loondienst verrichten vanuit Melle, F.V.D. hen per SMS-berichten opdrachten geeft om ritten uit te voeren in België of de buurlanden, en de vervoersdocumenten en tachograafschijven ook worden geregeld op kantoor van F.V.D. in Melle. Zij hebben geen weet van sociale zekerheidsbijdragen in België. Uit analyse van de smartphone van F.V.D. blijkt dat hij dagelijks, vanuit Melle, korte berichten toezond aan Litouwse vrachtwagenchauffeurs.
- Eiser in cassatie F.V.D. is na de huiszoeking en analyse van elektronische communicatie niet verhoord, wel zoon F.V.D. die eveneens is betrokken bij de onderneming J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV en (ook) optreedt als dispatcher. F.V.D. stelde dat de Litouwse chauffeurs op kantoor in Melle hun documenten in ontvangst nemen en daar een vrachtwagen bekomen van UAB VAN DAELE F. Hij leest de tachograafschijven uit en lost problemen op met de Litouwse chauffeurs. De Litouwse chauffeurs worden gecontacteerd via GSM- toestellen met een Belgisch oproepnummer. Verder blijkt, zoals vastgesteld door de eerste rechter, dat de chauffeurs worden aangeworven via K.V. namens de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. en dan meteen naar België vertrekken, om er bij J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV hun arbeidsovereenkomsten te tekenen, hun vrachtwagen en materiaal in ontvangst te nemen. Brandstof en tolgelden worden betaald door J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV te Melle. De chauffeurs vertrekken vanuit de bedrijfsterreinen van J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV, rijden hoofdzakelijk in België en de buurlanden en keren naar die Firma terug voor verplichte rust. Op de trekkers, hoewel eigendom van de Litouwse firma UAB VAN DAELE F., staat geschreven “Internationaal transport VAN DAELE BVBA-9090 MELLE”, met een telefoonnummer 09/.
- Eisers worden vervolgd voor de telastlegging A om met inbreuk op artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, met het oogmerk ofwel ten onrechte een sociaal voordeel te bekomen of te doen bekomen, te doen geloven aan het bestaan van een valse onderneming, door een Litouwse postbusvennootschap onder de benaming UAB VAN DAELE F. te hebben opgericht, via dewelke vier chauffeurs vanuit België werden tewerkgesteld in de periode van 1 juli 2011 tot en met 4 december
- Eisers worden ook vervolgd voor de telastlegging B om met inbreuk op artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4, 5, 6, 7, 8 en 9bis KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de vereiste gegevens voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen (Dimona-aangifte) niet te hebben meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm, uiterlijk de dag waarop de werknemers hun prestaties aanvatten, met betrekking tot vier chauffeurs. Dat tijdstip was bepaald op 24 augustus 2015 voor P.L., 15 maart 2014 voor J.S., 1 september 2008 voor A.P. en 19 november 2010 voor O.D.
- De correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft, gelet op de invoering van het Sociaal Strafwetboek, de feiten onder tenlastelegging B anders omschreven en opgesplitst in twee delen. In B.1 werd de verwijzing naar artikel 181 Sociaal Strafwetboek weggelaten en is het ontbreken van de Dimona-aangifte beperkt tot A.P. op 1 september 2008 (B.1.1) en O.D. op 19 november 2010 (B.1.2). In B.
- werd art. 181 Sociaal Strafwetboek wel vermeld en is het misdrijf gericht op het ontbreken van de Dimona-aangifte voor P.L. met als data 24 augustus 2015 voor P.L. (B.2.1) en 15 maart 2014 voor J.S. (B.2.2). De correctionele rechtbank heeft op 18 september 2019 eisers in cassatie veroordeeld voor de telastleggingen A, B.1.1, B.1.2, B.2.1 en B.2.
- en hen veroordeeld tot een geldboete van 24.000 euro (incl. opdecimes), waarvan 18.000 euro met uitstel 3 jaar voor eiser I en 6.000 euro met uitstel 3 jaar voor eiser
- De correctionele rechtbank oordeelde dat er bewust een constructie werd opgezet waarbij de transportactiviteiten van UAB VAN DAELE F. geleid en gerund werden vanuit Melle, vanuit de onderneming J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV (blz. 34) en dat de Litouwse zaakvoerder K.V. alleen tussenkomt bij de aanwerving van chauffeurs. Volgens de eerste rechter is UAB VAN DAELE F. alleen een ‘vehikel’, waarbij de illusie werd gecreëerd dat de chauffeurs zijn tewerkgesteld bij deze Litouwse firma, terwijl ze in werkelijkheid werkzaam waren voor J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV te Melle en voor het grootste deel arbeid in loondienst hebben verricht in België. Het feit dat UAB VAN DAELE F. over een communautaire wegvervoersvergunning beschikte ten tijde van de feiten, uitgereikt in Litouwen, doet aan de sociale fraude geen afbreuk, temeer daar het Unierecht niet kan dienen om misbruiken van ondernemers toe te dekken (blz. 35). De correctionele rechtbank stelde vast dat de Litouwse chauffeurs geen substantieel gedeelte van hun arbeid verrichtten in hun woonland, zodat voor het bepalen van het sociale zekerheidssysteem moet worden gelet op de zetel van de tewerkstellende onderneming, gelet op art. 13.1.b) Verordening (EG) 883/
- Deze zetel is volgens de rechtbank niet het adres van inschrijving of van de zetel van UAB VAN DAELE F. in Litouwen, maar het adres waar de voornaamste beslissingen worden genomen, de (Litouwse) vennootschap effectief wordt geleid (blz. 39), in casu J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV. Het was dan ook J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV die bijdragen voor de sociale zekerheid in België verschuldigd was voor de chauffeurs die officieel door UAB VAN DAELE F. zijn tewerkgesteld.
- Op de hoger beroepen van eisers heeft het hof van beroep te Gent op 18 maart 2021 de veroordelingen van eisers bevestigd voor de telastlegging A, weliswaar met een beperkte incriminatieperiode (van 1 juli 2011 tot en met 19 januari 2014). Voor de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015 werd telastlegging A niet weerhouden omdat in die periode de vier Litouwse chauffeurs beschikten over A1-attesten van tewerkstelling, uitgereikt in Litouwen (blz. 30). Het hof van beroep heeft telastlegging A verduidelijkt in die zin dat op de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. een beroep werd gedaan om chauffeurs in België te werk te stellen teneinde geen Belgische sociale zekerheidsbijdragen in die periode voor die chauffeurs te moeten betalen (blz. 12). Het hof van beroep nam de redenen over van de eerste rechter en stelde dat sociale zekerheidsbijdragen werden ontweken doordat J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV een beroep deed op vrachtwagenbestuurders van de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F., alleen met de bedoeling om chauffeurs in België tewerk te stellen zonder Belgische sociale zekerheidsbijdragen te betalen. Tegen deze beslissing, op tegenspraak gewezen, hebben eisers tijdig cassatieberoep ingesteld.
- Middelen van eiseres I. 1.
- Samenstelling van het hof van beroep.
- De Dimona-plicht opgelegd bij KB van 5 november 2002 is een aangelegenheid van sociale zekerheid waarvoor de arbeidsrechtbank bevoegd is, gelet op artikel 580, 1° Gerechtelijk Wetboek. Aan de berechting van misdrijven die te maken hebben met sociale zekerheid moet een raadsheer bij het Arbeidshof deelnemen. Het Hof oordeelde in die zin op 29 juni 2021
(1). Het eerste middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, en is gesteund op onder meer art. 101, § 2 Ger. W., faalt naar recht.
- Het tweede middel voert aan dat het arrest de motieven van de eerste rechter overneemt en stelt dat eiseres ze niet weerlegt, maar toch tot een gedeeltelijke vrijspraak beslist, terwijl de eerste rechter een gehele veroordeling uitsprak. De aangevoerde tegenstrijdigheid in motieven heeft betrekking op onderdelen van de vrijspraak van het bestreden arrest. Mij komt voor dat het middel gesteund op art. 149 Grondwet niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan belang. 1.
- De Dimona-aangifte van werknemers met een A1-attest.
- Het gegeven dat de chauffeurs die bij controle in 2014 aanwezig waren op de bedrijfsterreinen van J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV te Melle arbeid in loondienst hebben verricht, staat niet ter discussie
(2). Er is wel betwisting over welke werkgever instaat voor bijdragen voor de sociale zekerheid en welk sociaal zekerheidsrecht van toepassing is. Voor dit laatste aspect is het relevant te weten of de buitenlandse werknemers beschikken over een A1-tewerkstellingsattest. 9. Artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt
(3): "Juridische waarde van in een andere lidstaat afgegeven documenten en bewijsstukken”
- De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.
- Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en, indien noodzakelijk, de intrekking van het document.
- Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, voor zover dit mogelijk is, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats.
- Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het orgaan dat het document heeft ontvangen zijn verzoek heeft ingediend. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.
- Het bestreden arrest stelt vast dat in een deel van de oorspronkelijke incriminatieperiode van telastlegging A (sociale fraude via een valse onderneming) de chauffeurs beschikten over A1-tewerkstellingsattesten uitgereikt in Litouwen. Met die periode (van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015) werd geen rekening meer gehouden. Voor de telastlegging B over de Dimona-verplichting, het aangeven van tewerkstelling in België, bleef de volledige incriminatieperiode behouden.
- De appelrechters namen voor telastlegging B aan dat de Dimona-plicht (KB 5 november 2002) ook geldt voor buitenlandse werknemers die zijn tewerkgesteld door een buitenlandse onderneming en beschikken over een A1-document, wanneer zij effectief arbeid in loondienst hebben verrichten voor een Belgische onderneming. Reden is dat de Dimona-plicht niet uitsluitend betrekking heeft op verplichtingen inzake het (Belgische) socialezekerheidsrecht, maar ook op “de verplichting tot het bijhouden van sociale documenten, dus minstens op het sociaal handhavingsrecht”, waarvoor het niet van belang is te weten of een buitenlandse werknemer beschikt over een A1-attest. Het hof van beroep stelt dat de regels over de Dimona-plicht weliswaar de sociale zekerheid raken, doch art. 4, § 1 KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten stelt dat het algemeen en bijzonder personeelsregister en de individuele rekening als sociale documenten moeten worden bijgehouden door de werkgever.
- Deze visie lijkt mij niet te stroken met de regels over A1-attesten. Het Hof oordeelde op 2 februari 2016 dat de Dimona-reglementering, voortvloeiend uit het KB van 5 november 2002, de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen en enkel geldt voor de tewerkstelling van de personen waarop die bepalingen van toepassing zijn. Zij geldt bijgevolg niet ten aanzien van personen die beschikken over een A1-attest van een lidstaat van de Europese Unie op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten
(4). 13. Ook het Hof van Justitie stelde dat A-1 attesten uitgereikt in een andere lidstaat in beginsel bindend zijn voor de lidstaat van effectieve tewerkstelling van de gedetacheerde werknemers, voor wat betreft het toepasselijke stelsel van sociale zekerheid
(5). Zolang een A1-document niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard in de lidstaat van de zetel van de tewerkstellende onderneming, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer effectief arbeid verricht er rekening mee te houden dat die werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat het orgaan van de staat van effectieve tewerkstelling de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen
(6). Personen die in meerdere lidstaten arbeidsprestaties verrichten in loondienst, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat zijn onderworpen (art. 11.1 Verordening 883/2004). 14. Het Hof van Justitie oordeelde dat een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst A1-verklaringen slechts buiten beschouwing laten “wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde houdt in dat het orgaan dat deze verklaringen heeft afgegeven en dat door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst onverwijld is verzocht om opnieuw te onderzoeken of die verklaringen terecht zijn afgegeven, heeft nagelaten om een dergelijk nieuw onderzoek te verrichten in het licht van de door het laatstgenoemde orgaan meegedeelde gegevens, alsmede om binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over dat verzoek door die verklaringen in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken. De tweede voorwaarde behelst dat die rechterlijke instantie op basis van die gegevens, met inachtneming van de waarborgen die inherent zijn aan het recht op een eerlijk proces, in staat is om vast te stellen dat de verklaringen in kwestie op bedrieglijke wijze verkregen of ingeroepen zijn”
(7).
- De bindende kracht van A1-attesten voor instanties van de lidstaat van effectieve tewerkstelling is evenwel beperkt tot de verklaring dat de betrokken werknemer op het gebied van sociale zekerheid aan de wetgeving van de eerstgenoemde lidstaat onderworpen is voor de toekenning van prestaties die rechtstreeks verband houden met één van de takken en één van de stelsels die worden genoemd in artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/
- De A1-verklaringen hebben dus geen bindende gevolgen ten aanzien van de verplichtingen die bij het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden voor werknemers
(8). 16. Het Hof van Justitie stelde in de zaak Bouygues dat het aan de nationale rechter staat om vast te stellen of een sociaalrechtelijke verplichting tot aanmelding vóór indienstneming van een werknemer uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij één van de takken van het socialezekerheidsstelsel, in welk geval de A1-verklaringen in beginsel een bindend karakter hebben, dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, dient om de doeltreffendheid van uitgevoerde controles te waarborgen in de staat van effectieve tewerkstelling, om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en omstandigheden worden nageleefd. In dat laatste geval staat een A1-verklaring een vervolging van de onderneming van effectieve tewerkstelling wegens een inbreuk op de arbeidsbescherming niet in de weg
(9).
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat aan het bevoegde orgaan van Litouwen, de lidstaat van de tewerkstellende onderneming, is gevraagd om de A1-attesten in te trekken, overeenkomstig artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/
- Daaruit vloeit voort dat aan de A1-attesten een bindende waarde moet worden toegekend, wat betreft verplichtingen die te maken hebben met bijdragen voor de sociale zekerheid. De vraag rijst evenwel of de Dimona-verplichting, zoals aangehaald in telastlegging B, gericht is op verplichtingen van sociale zekerheid voor werknemers, of ook dient voor andere verplichtingen, inzake arbeidsbescherming.
- Artikel 4 KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 22 november 2002) bepaalt: “De werkgever deelt aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, hierna de instelling genoemd, de volgende gegevens mee: 1° het nummer waaronder de werkgever is ingeschreven bij de instelling. Zo dit nummer niet voorhanden is, vermeldt de werkgever, indien het een natuurlijk persoon betreft, zijn identificatienummer van de sociale zekerheid, bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels of, bij ontbreken daarvan, zijn naam, voornaam en hoofdverblijfplaats, ofwel andere mogelijke identificatiewijzen die worden bepaald door de instelling. Indien het een rechtspersoon betreft, vermeldt hij de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel ofwel andere mogelijke identificatiewijzen die worden bepaald door de instelling; 2° het identificatienummer van de sociale zekerheid van de werknemer, bedoeld in artikel 1, 4° van voormeld koninklijk besluit van 18 december 1996, of, zo dit nummer niet bestaat, de naam, de voornamen, de geboorteplaats en -datum en de hoofdverblijfplaats van de werknemer; 3° het nummer van de sociale identiteitskaart, bedoeld in artikel 2, derde lid, 7°, van voormeld koninklijk besluit van 18 december 1996; 4° de datum van indiensttreding van de werknemer; 5° in voorkomend geval, het nummer van het Paritair Comité waaronder de werknemer ressorteert; 6° in voorkomend geval, de datum van uitdiensttreding van de werknemer; 7° in voorkomend geval, het bewijs zoals bepaald door de instelling dat de sociale identiteitskaart elektronisch werd gelezen”.
- Deze bepaling geeft m.i. voldoende duidelijk aan dat de Dimona-verplichtingen essentieel gericht zijn op aangifte van tewerkstelling van een werknemer in België, met het oog op inning van sociale zekerheidsbijdragen. Het Verslag aan de Koning bij vermeld KB vermeldt hierover: “De veralgemeende Dimona-aangifte garandeert immers een juiste en snelle identificatie van werknemers en stelt op ondubbelzinnige en uniforme wijze de band vast tussen een werknemer en diens werkgever. Beide elementen zijn onontbeerlijk in een gemoderniseerd beheer van de sociale zekerheid. Bovendien laat de veralgemening van de Dimona-aangifte toe dat een aantal verplichtingen op het vlak van sociale documenten worden vereenvoudigd… Tenslotte laat de veralgemeende Dimona-aangifte, door het vaststellen van de relatie tussen een werknemer en een werkgever, toe dat er een interactief gegevensverkeer ontstaat tussen de werkgever en de instellingen van sociale zekerheid”.
- Verder blijkt uit de formulering van telastlegging B m.i. niet of onvoldoende dat eisers werden vervolgd voor het niet bijhouden van een personeelsregister of het niet in orde brengen van andere documenten die niet strikt verband houden met de sociale zekerheid van de werknemers, maar van belang zijn voor de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden voor werknemers, zoals gesteld in vermeld arrest Bouygues. Aan eisers wordt verweten de gegevens vereist krachtens het KB van 5 november 2002 (art. 4 tot 8 en 9bis) niet elektronisch te hebben meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer zijn prestaties aanvatte. De appelrechters hebben voor deze telastlegging eenheid van opzet aanvaard (art. 65 Sw.) met de bewezen verklaarde feiten van telastlegging A, die zij hebben aangepast in die zin dat de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. werd gebruikt om chauffeurs in België te werk te stellen ’teneinde geen Belgische sociale zekerheidsbijdragen in die periode voor die chauffeurs te moeten betalen’. Uit de samenhang van beide telastleggingen kan men afleiden dat eisers onder telastlegging B werden vervolgd voor het niet-nakomen van verplichtingen voor de sociale zekerheid van de chauffeurs die voor hen prestaties in loondienst hebben verricht.
- Zoals aangehaald, heeft het Hof op 2 februari 2016 geoordeeld dat de Dimona-reglementering de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen en bijgevolg niet geldt voor werknemers met een A1-attest
(10). In deze zaak van schijnzelfstandigheid van arbeidskrachten met Poolse A1-attesten verwierp het Hof een middel van het openbaar ministerie dat opkwam tegen de kwalificatie van de Dimona-verplichtingen als ‘louter sociale zekerheidsrechtelijk’. Het Hof nam ook aan, op 29 juni 2021, dat: “Krachtens artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid. De dimona-aangifteplicht opgelegd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling is een aangelegenheid als bedoeld door artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek, ook al wordt die regelgeving niet uitdrukkelijk in deze laatste bepaling vermeld”
(11).
- Het derde middel over schending van art. 181 Sociaal Strafwetboek en het KB van 5 november 2002 lijkt mij dan ook gegrond te zijn, althans wat betreft een deel van de incriminatieperiode van telastleggingen B.1 en B.2., namelijk de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015, aangezien in die periode de betrokken chauffeurs P.L. en J.S. beschikten over A1-attesten, zoals is gesteld in het bestreden arrest (blz. 23) over de incriminatieperiode voor de feiten van telastlegging A. 1.
- De eigen fout van de rechtspersoon (art. 5 Sw.).
- Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek, bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd
(12). 24. Het vaststellen van het moreel misdrijfbestanddeel in hoofde van een rechtspersoon houdt in dat, al naar gelang het geval, moet blijken dat de rechtspersoon heeft gehandeld met het vereiste bijzonder of algemeen opzet, onachtzaam is geweest dan wel heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet
(13). Het moreel misdrijfbestanddeel moet dus ook op het niveau van de rechtspersoon blijken
(14). De rechter oordeelt in feite of een misdrijf kan worden toegerekend aan een rechtspersoon, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. 25. Het bestreden arrest wijst op een fout in hoofde van eiseres 1, namelijk een gebrekkige organisatie in de rechtspersoon, aangezien de dispatching en planning van de vrachtwagenchauffeurs gebeurde samen met een andere vennootschap vanop dezelfde locatie en op het nalaten van eiseres I om een doortastend beleid te voeren. De motivering over het opzet in hoofde van de rechtspersoon
(15), voor de telastleggingen A en B, lijkt mij naar recht verantwoord. Het vierde middel gesteund op artikel 149 Grondwet kan niet worden aangenomen.
- Middelen van eiseres
- Het eerste middel over de samenstelling van de zetel en het tweede middel over tegenstrijdige motieven hebben dezelfde strekking als de eerste twee middelen van eiseres 1, en kunnen om dezelfde redenen worden verworpen. 2.
- De waarborgen van een verhoorde persoon (art. 47bis Sv.).
- Het derde middel komt op tegen het oordeel dat de verklaringen van de vrachtwagenchauffeur V.Y. van Oekraïense nationaliteit tot stand kwamen in een dialoog met de inspecteur, niet het resultaat zijn van een verhoor in de zin van art. 47bis Sv. Deze verklaringen vermeld in het aanvankelijk proces-verbaal werden afgelegd in het Engels, zonder bijstand van een beëdigde tolk en zonder mededeling van proceswaarborgen.
- Het bestreden arrest dat de verklaringen van de chauffeur bestempelt als ‘een noodzakelijke dialoog tijdens een identiteitscontrole’, en geen verhoor in de zin van art. 47bis Sv., bevat naar mijn mening voldoende antwoord op het verweer in conclusie over het begrip verhoor. Het eerste onderdeel over een motiveringsgebrek (art. 149 Grondwet) kan aldus niet worden aangenomen.
- De ingeroepen artikelen 47bis Wetboek van Strafvordering en 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken bevatten geen definitie over het begrip ‘verhoor’, waarvoor specifieke rechten gelden zoals overleg met een raadsman en bijstand van een beëdigde tolk.
- Het Hof oordeelde op 5 november 2019: “Een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering is een geleide ondervraging over misdrijven die aan een in dat artikel bedoelde persoon ten laste kunnen worden gelegd, door een daartoe bevoegde ambtenaar geacteerd in een proces-verbaal in het kader van een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, met als doel de waarheid te vinden. Dat artikel is daarentegen niet van toepassing op spontane verklaringen of aanwijzingen van een persoon die op zijn gedrag of situatie wordt aangesproken door een daartoe bevoegde ambtenaar, wiens interpellatie enkel bedoeld is om zich een juist beeld van de vastgestelde feiten te vormen teneinde vervolgens een gepaste beslissing te kunnen nemen. Het enkele gegeven dat de vastgestelde feiten kunnen wijzen op het bestaan van een misdrijf of dat een administratieve controle kan leiden tot strafvervolging, houdt nog niet in dat een vraag die een ambtenaar in het kader van een dergelijke controle stelt, steeds een verhoor uitmaakt in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Of dit het geval is, dient te worden beoordeeld op grond van onder meer de feitelijke omstandigheden van de zaak, de aard en het doel van de administratieve controle, de bevoegdheden van de ambtenaar en in het licht van dit alles de evidentie en de omvang van de vraagstelling. Levert aldus nog geen verhoor op in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering het enkele gegeven dat een douaneambtenaar, die bij een grenspostcontrole een aanzienlijk bedrag aan contante gelden aantreft in de bagage van een reiziger die voorheen heeft ontkend iets te moeten aangeven, aan die reiziger een vraag stelt met betrekking tot de herkomst of de bestemming van de aangetroffen gelden. Dat betreft immers in die context een evidente vraag die de loutere informatiegaring waarvoor de ambtenaar bevoegd is, niet te buiten gaat”
(16).
- De strafrechter beschikt bijgevolg over enige beoordelingsmarge om een dialoog tussen een ambtenaar van een inspectiedienst en een buitenlandse chauffeur over zijn identiteit en tewerkstelling, naar aanleiding van een wegcontrole of routinecontrole, niet als een ‘verhoor’ van een getuige of verdachte op te vatten, in de zin van art. 47bis Sv. In zoverre het tweede onderdeel uitgaat dat van een andere rechtsopvatting, faalt het m.i. naar recht.
- De strafrechter oordeelt onaantastbaar of een verklaring aan een opsporingsambtenaar is afgelegd na een verhoor in de zin van vermeld artikel 47bis, met controle op de motieven door het Hof. Het bestreden arrest nam aan dat de chauffeur Y. werd staande gehouden bij een routinecontrole, voor controle van documenten, en Y heeft geantwoord op vragen over zijn identiteit en wettig verblijf in België, die niet onder de Salduz-verplichtingen vallen van art. 47bis Sv. Van de verstrekte informatie werd alleen een proces-verbaal van inlichtingen opgemaakt, gericht aan de arbeidsauditeur. Er is volgens het arrest geen sprake van een verhoor in het kader van een strafonderzoek of van het horen van getuigen in de zin van artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken. Mij lijkt het oordeel over een noodzakelijke dialoog tijdens een identiteitscontrole en een proces-verbaal van inlichtingen naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede onderdeel over schending van de artikelen 47bis § 6 Sv., 62 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken niet worden aangenomen.
- Het oordeel over een dialoog in plaats van een verhoor is naar mijn mening verenigbaar met de bewoordingen van het aanvankelijk proces-verbaal, opgesteld door de scheepvaartpolitie over de controle van vrachtwagenbestuurder V.Y. Het derde onderdeel over de miskenning van de bewijskracht van dit proces-verbaal mist aldus feitelijke grondslag.
- Artikel 62 Sociaal Strafwetboek bevat waarborgen voor een persoon die over een sociaal misdrijf wordt verhoord, in eender welke hoedanigheid. Het bestreden arrest nam aan dat bij gebrek aan verhoor deze bepaling niet is geschonden. De redenen om het gesprek met Y niet als verhoor op te vatten, maar wel als een noodzakelijke dialoog tijdens een identiteitscontrole en al dan niet wettig verblijf in België, lijken mij toereikend te zijn. Het vierde onderdeel kan niet worden aangenomen.
- Eiser vroeg voor de appelrechters het verhoor van chauffeur Y. als getuige à décharge, als de appelrechter zou twijfelen aan de aard van het gesprek van Y met inspecteurs die een wegcontrole hebben verricht. Het bestreden arrest laat over de aard van het gesprek geen twijfel bestaan, en stelt daarover dat het geen verhoor is in de zin van de artikelen 47bis Sv. en 62 Sociaal Strafwetboek. Het vijfde en zesde onderdeel over het antwoord op een verzoek tot getuigenverhoor en de waarborg van artikel 6 EVRM kunnen bijgevolg niet worden aangenomen.
- Wat het verhoor van eiser 2 zelf betreft, zonder bijstand van een advocaat, tijdens de controle van de sociale inspectie op de bedrijfsterreinen van J. VERBRAEKEN EN ZONEN op 29 juli 2014, oordeelt de strafrechter onaantastbaar of de ondervraagde persoon een verdachte en is, en op beknopte wijze kennis krijgt van de ten laste gelegde misdrijven, bij aanvang van het verhoor. Het Hof beoordeelt wel de wettigheid van de motieven over deze waarborg van artikel 47bis, § 2 Wetboek van Strafvordering. Aan eiser 2 werd meegedeeld dat zijn verhoor als voorwerp had ‘mijn transportactiviteiten’, zonder specifieke toelichting over fraude inzake de bijdragen aan de sociale zekerheid van werknemers.
- De vraag rijst of op het moment van de controle eiser 2 als een verdachte moest worden beschouwd, in de zin van art. 47bis, § 2 Sv. Deze bepaling, in de versie voor de Wet van 21 november 2016 (BS 24 november 2016) bepaalde dat vooraleer een persoon wordt verhoord over misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, de politie hem op een beknopte wijze kennis geeft van de feiten waarover hij zal worden verhoord
(17). In de actuele versie bepaalt art. 47bis, § 2, Sv. dat ‘vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte’, de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis wordt gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. 38. Een persoon is tijdens het verhoor te beschouwen als ‘verdachte’ als blijkt dat er elementen zijn die laten vermoeden dat hem ‘feiten’ ten laste kunnen worden gelegd (art. 47bis, § 5 Sv., in de versie ten tijde van de feiten, thans art. 47bis, § 6, 5) Sv., gewijzigd door art. 3 Wet van 21 november 2016, BS 24 november 2016). Het moment waarop de verhoorde persoon een verdachte is, is een feitenkwestie
(18). Cruciaal lijkt mij het moment te zijn waarop een persoon wordt geviseerd als verdachte, er concrete gegevens naar voor komen om hem een specifiek misdrijf ten laste te leggen. 39. De term verhoor van een verdachte is in art. 47bis, § 2 Sv. niet nader toegelicht. Het College van Procureurs-generaal stelt hierover, in Omzendbrief 8/2011 (versie 2018): “Onder het begrip verhoor van een verdachte dat het recht opent op bijstand van een advocaat wordt begrepen: de door de daartoe bevoegde persoon of gerechtelijke overheid geleide ondervraging van een persoon aangaande misdrijven die hem ten laste kunnen gelegd worden”
(19), en verder: “Een verhoor kadert bijgevolg in een opsporings- of een gerechtelijk onderzoek en betreft een stelselmatige ondervraging van een verdachte door een onderzoeksrechter of een agent of officier van gerechtelijke politie met algemene of bijzondere bevoegdheid, met het oog op het verzamelen van bewijselementen en de waarheidsvinding. Een door de politie gedirigeerd “verkennend gesprek” over de feiten dat vroeger in de praktijk diende ter voorbereiding van het eigenlijk verhoor valt thans ook onder het begrip verhoor. Een door een ambtenaar (van een bijzondere inspectiedienst, bijvoorbeeld in het kader van economisch strafrecht of sociaal strafrecht, …) gevoerde ondervraging met een strafrechtelijke finaliteit zal aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen”
(20). 40. Wat niet onder de noemer valt van het verhoor van een verdachte, is volgens de omzendbrief 8/2011 “Het verzamelen van algemene inlichtingen (inwinnen van toelichtingen door gesprekken – verklaringen) tijdens de eerste fase van onderzoek op de plaats waar een wanbedrijf of een misdaad werd gepleegd, waarbij de politie tracht zich een beeld te vormen van de omstandigheden en de rol van de betrokken personen”
(21). 41. Het louter verzamelen van inlichtingen tijdens een wegcontrole of identiteitscontrole tijdens de eerste fase van het onderzoek, waarbij de politie of een inspectiedienst tracht zich een beeld te vormen van mogelijke strafbare feiten, en waarbij er een noodzakelijke dialoog ontstaat over de identiteit of werksituatie van de gecontroleerde persoon, lijkt mij geen verhoor van een verdachte te zijn, waarbij vooraf de waarborgen van art. 47bis Sv. moeten worden gerespecteerd
(22). 42. Anders is de situatie waarbij er tijdens het inwinnen van inlichtingen een verdenking ontstaat tegen de gecontroleerde persoon, en daarover gerichte vragen worden gesteld, waaruit valt af te leiden dat de ondervragers de gecontroleerde persoon als verdachte van een misdrijf beschouwen
(23). In dit geval is er wel sprake van een verhoor, en gelden de waarborgen vervat in art. 47bis Sv
(24). Het Hof stelde dat een verhoor van de verdachte veronderstelt dat “degene die verhoort op systematische wijze gerichte vragen begint te stellen”
(25). Verder nam het Hof aan: “Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering kan slechts zijn geschonden wegens het niet-naleven van de bij een verhoor in acht te nemen formaliteiten, indien een verdachte daadwerkelijk werd verhoord. Indien hij niet werd verhoord, kan deze bepaling niet zijn geschonden”
(26). De vonnisrechter beschikt over enige beoordelingsmarge om uit te maken of de verhoorde persoon een verdachte is, en of het gesprek tussen die verdachte en de opsporingsambtenaar een verhoor uitmaakt, waarbij uw Hof de wettigheid van de motieven toetst
(27).
- Het bestreden arrest oordeelde (blz. 16) dat bij een verhoor als (mogelijke) verdachte de beknopte mededeling van de feiten niet betekent dat “een uitgebreide toelichting moet worden gegeven betreffende de feiten. Dat is vaak en ook in het verhoor van eerste beklaagde F.V.D niet mogelijk, omdat in het beginstadium de feiten nog niet vaststaan en het verhoor juist tot doel heeft de feiten te reconstrueren om ze te kunnen kwalificeren. De bedoeling is de verdachte in kennis te stellen van het soort dossier waarover hij zal worden ondervraagd, in casu de transportactiviteiten die eerste beklaagde F.V.D. met zijn vennootschap ontwikkelt”.
- Aan de hand van deze redenen konden de appelrechters m.i. naar recht besluiten dat de toelichting bij aanvang van het verhoor van eiser 2 over zijn transportactiviteiten, zonder een concreet misdrijf voorop te stellen, voldeed aan het (toenmalig) art. 47bis, § 2 Sv. Het vierde middel, eerste onderdeel, over schending van art. 47bis, § 2 Sv., kan aldus niet worden aangenomen.
- De aangehaalde redenen op blz. 16 van het arrest zijn m.i. toereikend als antwoord op het verweer in conclusie over de informatieplicht over de feiten bij aanvang van een verhoor. Het tweede onderdeel over de motiveringsplicht van art. 149 Grondwet mist bijgevolg feitelijke grondslag. 2.
- De lokalisatie van het sociale zekerheidsstelsel voor vrachtwagenbestuurders in loondienst die in meerdere EU-lidstaten arbeid verrichten.
- Het vijfde middel heeft betrekking op een communautaire vervoersvergunning, vereist ingevolge Verordeningen (EG) 1071/2009 en 1072/2009 voor een onderneming die intracommunautair vervoer aanbiedt, als aanknopingspunt voor het bepalen van het sociale zekerheidsstelsel voor vier chauffeurs, tewerkgesteld bij de Litouwse vennootschap UAB Van Daele F.
- Anders dan in de zaak P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 (Cass. 29 juni 2021) is het probleem van de bindende kracht van A1-tewerkstellingsattesten in deze zaak niet aan de orde, althans niet voor telastlegging A (gebruik van een valse onderneming om sociale zekerheidsbijdragen te ontduiken). De appelrechters hielden er voor deze telastlegging A rekening mee, conform art. 5 Verordening (EG) nr. 987/2009
(28), dat de A1-attesten een vermoeden inhouden dat de betrokken werknemers regelmatig zijn aangesloten bij de sociale zekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zolang ze niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard door het bevoegd orgaan van de EU-lidstaat van de zetel van de werkgever
(29). 48. Het bestreden arrest nam correct aan, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie over de bindende kracht van A1-attesten
(30), dat de periode waarin de chauffeurs beschikten over A1-attesten uitgereikt in Litouwen, niet in de telastlegging over sociale fraude mag worden opgenomen
(31). Reden is dat er geen bewijzen voorliggen van een vraag van de Belgische overheid aan het bevoegde orgaan in Litouwen tot intrekking van de A1-attesten wegens fraude inzake bijdragen van sociale zekerheid (blz. 22). Het bestreden arrest heeft de incriminatieperiode van telastlegging A ‘van 1 juli 2011 tot en met 4 december 2015’ behouden en in functie van de A1-attesten eisers vrijgesproken voor de periode ‘van 20 januari 2014 tot en met 4 december 2015’ (blz. 23 en 34).
- Wat wel overeenstemt met de feiten in de zaak P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 (Cass. 29 juni 2021), is dat de buitenlandse firma die chauffeurs officieel tewerkstelde over een communautaire vervoersvergunning beschikte, op moment van effectieve tewerkstelling van de chauffeurs in België, gedurende de volledige incriminatieperiode. In zaak P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 werden eveneens een Belgische vennootschap en haar zaakvoerder veroordeeld wegens frauduleus gebruik van een buitenlandse vennootschap voor tewerkstelling van chauffeurs in België (art. 235 Sociaal Strafwetboek) en het niet-indienen van Dimona-aangiften (art. 181 Sociaal Strafwetboek).
- Eiser 2 (in deze zaak) voert in het vijfde middel, derde onderdeel aan dat het bestaan van een Europese wegvervoersvergunning, uitgereikt in Litouwen overeenkomstig Verordening (EG) 1071/2009, het bestaan levert van een reële en duurzame vestiging in de EU-lidstaat waar deze is verkregen. Aangezien de communautaire vervoersvergunning niet is ingetrokken door het bevoegde orgaan in Litouwen, voor de periode van de aangepaste telastlegging A, mag er volgens het middel niet van worden uitgegaan dat de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F. een postbusonderneming is, en de buitenlandse chauffeurs effectief tewerk werden gesteld door eisers in België, om daaruit af te leiden dat voor de chauffeurs sociale zekerheidsbijdragen in België verschuldigd zijn.
- Ondergeschikt verzoekt het middel volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie:
- Wordt het bestaan van een werkelijke zetel of reële en duurzame vestiging van een transportonderneming aangetoond, in het licht van onder meer artikel 3 en artikel 5 van de verordening 1071/2009, door een wegvervoersvergunning?
- Er van uitgaande dat inderdaad het bestaan van een wegvervoersvergunning het bestaan aantoont van een werkelijke zetel van een transportonderneming, in welke omstandigheden kan een nationale rechter van een andere lidstaat dan de lidstaat van uitgifte van deze wegvervoersvergunning het bestaan van dergelijke vergunning naast zich neer leggen in het licht van onder meer artikel. 13.1 van de Verordening 1072/2009? Volstaat het daarbij het bestaan van misbruik of bedrog aan te tonen of dient de vooreerst de intrekking van de vergunning te worden gevraagd aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt?
- Dient het begrip zetel van de werkgever ex art. 13.1 van de verordening 883/2004 in de sector van het wegtransport te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging ex art 3 en 5 van de verordening 1071/2009?
- Zo het begrip zetel van de werkgever ex art. 13.1 van de verordening 883/2004 in de sector van het wegtransport niet dient te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging art. 3 en 5 van de verordening 1071/2009, met welke criteria dan wel rekening dient te worden gehouden ter vaststelling van het zetelbegrip met name in de sector van het wegtransport?
- Om uit te maken welke regels van sociale zekerheid van toepassing zijn op werknemers in de Europese Unie, die in meerdere lidstaten arbeid verrichten, gelden de bepalingen van de Verordening (EG) 883/2004 over de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels
(32). Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in één van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden (art. 2.1 Verordening (EG) 883/2004). Als algemeen beginsel geldt dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat zijn onderworpen (art. 11.1 Verordening 883/2004). 53. Bij het verrichten van arbeid in twee of meer EU-lidstaten, zoals grensoverschrijdend transport van goederen, is artikel 13 Verordening (EG) 883/2004 van toepassing. De criteria in deze bepaling om de toepasselijke wetgeving inzake sociale zekerheid van een loontrekkende te bepalen, worden toegelicht in artikel 17 Verordening (EG) 987/2009. Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening wordt onder degene die “in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten” verstaan, iemand die gelijktijdig of afwisselend, voor dezelfde onderneming of werkgever of voor verschillende ondernemingen of werkgevers, op het grondgebied van twee of meer lidstaten één of meer afzonderlijke werkzaamheden uitoefent (art. 14.5 Verordening 987/2009). Voor de toepassing van titel II van de basisverordening (EG) 883/2004 wordt onder “zetel of domicilie” verstaan, de zetel of domicilie waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend (art. 14.5bis Verordening 98/2009). 54. De regels van de Verordening 883/2004 lijken mij van toepassing te zijn op vrachtwagenchauffeurs in loondienst die zijn tewerkgesteld bij een Litouwse vennootschap en hoofdzakelijk prestaties leveren in België, ongeacht of deze chauffeurs beschikken over een A1-attest, uitgereikt door de bevoegde Litouwse overheid overeenkomstig art. 5 Verordening 987/2009. Een document dat van belang kan zijn om de zetel van een transportonderneming te bepalen, is de communautaire wegvervoersvergunning, aangezien deze vergunning mag worden uitgereikt aan vervoersondernemingen die werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat gevestigd zijn, betrouwbaar zijn, voldoende financiële draagkracht bezitten, en de vereiste vakbekwaamheid bezitten (art. 3.1 Verordening 1071/2009). 55. De werkelijke en duurzame vestiging van een transportonderneming in een EU-lidstaat hangt af van enkele minimale kwaliteitsnormen, met name
- a)beschikken over een vestiging in die lidstaat met ruimten waarin zij de documenten inzake haar hoofdactiviteiten bewaart, met name de boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, documenten met gegevens over de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan …,
- b)zodra vergunning is verleend, over één of meer voertuigen beschikken, hetzij in volle eigendom, hetzij uit hoofde van bijvoorbeeld een huurkoopovereenkomst of een huur- of leasingovereenkomst, die zijn ingeschreven of anderszins in het verkeer toegelaten overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat en
- c)daadwerkelijk en permanent haar activiteiten met betrekking tot de ingeschreven voertuigen verrichten met de nodige administratieve uitrusting en adequate technische voorzieningen en faciliteiten, in een in die lidstaat gelegen exploitatievestiging (art. 5 Verordening 1071/2009). 56. Over de zetel van de werkgever als aanknopingspunt voor het bepalen van het stelsel van sociale zekerheid voor vrachtwagenchauffeurs die in loondienst voornamelijk goederen vervoeren in een EU-lidstaat waar zij niet wonen, het criterium dat voortvloeit uit art. 13.1 Verordening (EG) 883/2004, oordeelde het Hof op 29 juni 2021 (P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5), vanaf RO 30: “Volgens artikel 13.1.b), i), Verordening nr. (EG) nr. 883/2004 is op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever. Artikel 13.2 Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt: "Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:
- a)de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
- b)de wetgeving van de lidstaat waar zich het centrum van belangen van zijn werkzaamheden bevindt, indien hij niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht". Artikel 14.5bis, eerste lid, Verordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt dat voor de toepassing van titel II van de basisverordening onder "zetel of domicilie" wordt verstaan, de zetel of domicilie waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Krachtens artikel 3.1.a), Verordening (EG) nr. 1071/2009 moeten ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat gevestigd zijn. Krachtens artikel 11.1 Verordening (EG) nr. 1071/2009 krijgt een vervoersonderneming die voldoet aan de eisen van artikel 3, op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer. De bevoegde instantie ziet erop toe dat een onderneming die een aanvraag indient, voldoet aan de in dat artikel vastgestelde eisen. Krachtens artikel 4.1.a), Verordening (EG) nr. 1072/2009 wordt de communautaire vergunning door een lidstaat, overeenkomstig deze verordening, afgegeven aan alle vervoerders die goederenvervoer over de weg voor rekening van derden verrichten en die zijn gevestigd in die lidstaat overeenkomstig de communautaire wetgeving en de in die lidstaat geldende nationale wetgeving. De vraag rijst of uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de Verordening (EG) nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat zij daarmee onweerlegbaar aantoont dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld met artikel 13.1 Verordening nr. 883/2004/EG om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is en dat de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling gebonden zijn. Deze vraag kan slechts worden beantwoord door uitlegging van artikel 13.1, b), i), Verordening (EG) nr. 883/2004, de artikelen 3.1.
- a)en 11.1 Verordening (EG) nr. 1071/2009 en artikel 4.1.a), Verordening (EG) nr. 1072/2009. Die uitlegging, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, is noodzakelijk voor de te wijzen beslissing. Er is derhalve grond om overeenkomstig artikel 267.3 VWEU aan het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag te stellen, zoals in het dictum is bepaald”
(33). 57. Op 29 juni 2021 stelde het Hof over het aspect van de communautaire vervoersvergunning volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moeten artikel 13.1, b), i), van de Verordening nr. 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de artikelen 3.1, a), en 11.1, van de Verordening (EG) m. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en artikel 4.1.a), van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg zo worden uitgelegd dat uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en de Verordening (EG) nr. 1072/2009 en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat daarmee onweerlegbaar is aangetoond dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat zoals bedoeld met artikel 13.1 van de voormelde Verordening nr. 883/2004/EG om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is en dat de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling zijn gebonden”
(34). 58. Het bestreden arrest stelt dat telastlegging A inhoudt “het ontwijken van sociale zekerheidsbijdragen doordat beroep werd gedaan op gedetacheerde vrachtwagenbestuurders van UAB VAN DAELE F., een Litouwse vennootschap” (blz. 18). Vervolgens neemt het arrest aan dat toepassing moet worden gemaakt van vermelde Verordeningen (EG) 883/2004
(35)en 987/2009
(36)over de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (blz. 18). Het feit dat de Litouwse overheid een communautaire vervoersvergunning heeft afgeleverd aan UAB VAN DAELE F., doet volgens het arrest geen afbreuk aan de vaststelling dat eiser F.V.D. zich schuldig heeft gemaakt aan een frauduleuze handeling om te doen geloven aan het bestaan van een valse persoon, een valse onderneming, een fictieve gebeurtenis of om op andere wijze misbruik te hebben gemaakt van het vertrouwen, namelijk door het gebruik van de Litouwse firma UAB VAN DAELE F. om chauffeurs in België te werk te stellen zonder Belgische sociale zekerheidsbijdragen in die periode voor die chauffeurs te moeten betalen (blz. 23). Hiermee geeft het bestreden arrest een uitlegging aan art. 13.1 Verordening (EG) nr. 883/2004 over het bepalen van het socialezekerheidsstelsel op werknemers die in twee of meer lidstaten arbeid verrichten, door aan te nemen dat voor de zetel van de werkgever als criterium voor toepassing van een nationaal zekerheidsstelsel er geen belang moet worden gehecht aan een niet-ingetrokken communautaire wegvervoersvergunning, uitgereikt bij vaststelling van een duurzame vestiging van een transportfirma in een EU-lidstaat (art. 3.1.a en 11.1 Verordening (EG) 1071/2009 en art. 4.1.a) Verordening (EG) 1072/2009). 59. Als een chauffeur in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht en daarbij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, rijst de vraag hoe de Belgische strafrechter het begrip ‘wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt’ (art. 13.1.b) i) Verordening (EG) 883/2004 moet interpreteren. De vraag is, zoals uw Hof aangaf op 29 juni 2021
(37), of uit de omstandigheid dat een onderneming die een wegvervoersvergunning verkrijgt in een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de Verordeningen 1071/2009
(38)en 1072/2009
(39), en dus werkelijk en op duurzame wijze in die lidstaat moet zijn gevestigd, noodzakelijk volgt dat de onderneming daarmee onweerlegbaar aantoont dat haar zetel is gevestigd in die lidstaat, zoals bedoeld met artikel 13.1 Verordening (EG) nr. 883/2004, om te bepalen welk socialezekerheidsstelsel van toepassing is en dat de autoriteiten van de lidstaat van tewerkstelling door die vaststelling gebonden zijn. Anders geformuleerd: Creëert een communautaire wegvervoersvergunning, zolang ze niet is ingetrokken door het bevoegde orgaan van de lidstaat van de zetel van de tewerkstellende transportonderneming, een vermoeden dat de chauffeurs in loondienst onderworpen zijn aan de regels van sociale zekerheid in die staat? Zo ja, dan rijst de vraag of de rechterlijke autoriteiten van de lidstaat waar de prestaties van buitenlandse chauffeurs effectief worden verricht, dit vermoeden van tewerkstelling en aansluiting bij de sociale zekerheid van de lidstaat van de zetel van de werkgever kunnen weerleggen in geval van fraude, zolang de communautaire wegvervoersvergunning niet is ingetrokken door de bevoegde instantie in de lidstaat van de zetel van de werkgever. 60. Gelet op wat het Hof heeft geoordeeld op 29 juni 2021 (P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5), komt het mij voor dat voor deze interpretatie het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, en deze uitlegging noodzakelijk is voor de te wijzen beslissing van uw Hof, gelet op artikel 267.3 EU-Verdrag
(40). Het bestreden arrest stelt toepassing te maken van art. 13.1 b) Verordening 883/2004 en geeft er m.i. een interpretatie aan, in die zin dat bij prestaties die een chauffeur in loondienst levert buiten de EU-lidstaat van zijn woonplaats, de toepassing van de term ‘wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt’ als criterium voor de lokalisatie van de sociale zekerheidsverplichtingen niet afhangt van een communautaire wegvervoersvergunning waarover de tewerkstellende onderneming beschikt, hoewel deze vergunning verplicht is ingevolge de Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 en alleen wordt uitgereikt bij een duurzame vestiging van de werkgever in de lidstaat van uitreiking van die vergunning.
- Een bijkomende vraag is of het oordeel van de lidstaat over een reële en duurzame vestiging van een transportonderneming op haar grondgebied, zoals vereist is voor het uitreiken van een communautaire vervoersvergunning, ter zijde kan worden geschoven door de rechter van een lidstaat van effectieve tewerkstelling van chauffeurs verbonden aan die onderneming, op basis van vaststellingen van fraude, in die zin dat wordt aangenomen dat er geen reële en duurzame vestiging is van de transportonderneming in de Lidstaat van de zetel van de onderneming, omdat de transportonderneming volledig wordt geleid vanuit de lidstaat waar de buitenlandse chauffeurs effectief prestaties in loondienst leveren.
- Het feit dat het bestreden arrest geen uitlegging geeft aan de Verordeningen 1071/2009 en 1072/2009, om reden dat de communautaire vervoersvergunning geen afbreuk doet aan vaststellingen van fraude inzake de sociale zekerheid, lijkt mij geen reden te zijn om de prejudiciële vragen in het vijfde middel van eiser 2 niet te stellen, aangezien het bestreden arrest wel toepassing maakt van art. 13.1 Verordening (EG) 883/2004 over de zetel van de werkgever van een vervoersonderneming, en voor dit criterium voor het bepalen van het socialezekerheidsstelsel de voorwaarden gesteld in Verordening 1071/2009 voor duurzame vestiging van de vervoersonderneming van belang kunnen zijn.
- Een ander element is het beginsel van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten
(41). De lidstaat die een communautaire vervoersvergunning uitreikt, moet nagaan of de vervoersonderneming met zetel op haar grondgebied er nog steeds werkelijk en duurzaam is gevestigd, aan de nodige kwaliteitseisen voldoet (art. 10.2, 12, 13 en 14 Verordening (EG) 1071/2009). Het hof van beroep te Gent heeft met overname van de redenen van de eerste rechter de tewerkstellende firma UAB VAN DAELE F., met zetel in Litouwen, omschreven als een ‘postbusfirma’ en een ‘vehikel’ van de Belgische vennootschap J. VERBRAEKEN EN ZONEN BV, die de effectieve werkgever was van de chauffeurs die met de Litouwse firma een arbeidscontract hadden gesloten.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het bestreden arrest voor het standpunt van een Litouwse ‘postbusfirma’ rekening hield met enig onderzoek van de bevoegde overheid in Litouwen. Er werd alleen rekening gehouden met vaststellingen van Belgische opsporingsdiensten. Men kan zich dan ook afvragen of de Belgische rechter voor het bepalen van het sociale zekerheidsstelsel van buitenlandse chauffeurs mag afwijken van het criterium van de zetel van de tewerkstellende onderneming in Litouwen (art. 13.1 Verordening (EG) 883/2004) om reden dat die onderneming geen duurzame vestiging (meer) heeft in de EU-lidstaat die een communautaire vervoersvergunning heeft uitgereikt, zonder enig onderzoek in die lidstaat naar het functioneren van die vervoersonderneming, op het vlak van onder meer effectieve tewerkstelling en boekhouding, gelet op de kwaliteitsnormen vereist door art. 5 Verordening (EG) 1071/
- Ook die vraag vereist m.i. een interpretatie van art. 13.1 Verordening (EG) 883/2004, een bepaling waarmee de appelrechters rekening hielden, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is, gelet op het standpunt van het Hof in vermelde zaak P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 over de communautaire vervoersvergunning
(42).
- Voor het overige lijkt mij dat punten 3 en 4 van de voorgestelde prejudiciële vraag in deze zaak overeenstemmen met de tweede prejudiciële vraag die het Hof bij arrest van 29 juni 2021 (P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5) stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, en is het ook om deze reden aangewezen de uitspraak van het Hof aan te houden tot uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de prejudiciële vragen van eiser 2 in zijn vijfde middel tot cassatie.
- Het zesde middel van eiser 2 over de Dimona-aangifte voor buitenlandse werknemers die beschikken over een A1-tewerkstellingsattest (telastleggingen B.1.1 en B.1.2) heeft dezelfde strekking als het derde middel van eiseres 1 en kan om dezelfde reden als gegrond worden verklaard.
- Besluit. Het komt mij aangewezen voor, gelet op de samenhang en het bepalen van de omvang van de cassatie van de beslissingen voor beide eisers, de door eiser 2 voorgestelde prejudiciële vraag over de communautaire vervoersvergunning van de Litouwse vennootschap UAB VAN DAELE F. te stellen, en de uitspraak van het Hof over de middelen van eisers aan te houden in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie over vermelde prejudiciële vraag, luidend als volgt:
- Wordt het bestaan van een werkelijke zetel of reële en duurzame vestiging van een transportonderneming aangetoond, in het licht van onder meer artikel 3 en artikel 5 van de verordening 1071/2009, door een wegvervoersvergunning?
- Er van uitgaande dat inderdaad het bestaan van een wegvervoersvergunning het bestaan aantoont van een werkelijke zetel van een transportonderneming, in welke omstandigheden kan een nationale rechter van een andere lidstaat dan de lidstaat van uitgifte van deze wegvervoersvergunning het bestaan van dergelijke vergunning naast zich neer leggen in het licht van onder meer artikel. 13.1 van de Verordening 1072/2009? Volstaat het daarbij het bestaan van misbruik of bedrog aan te tonen of dient de vooreerst de intrekking van de vergunning te worden gevraagd aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt?
- Dient het begrip zetel van de werkgever ex art. 13.1 van de verordening 883/2004 in de sector van het wegtransport te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging ex art 3 en 5 van de verordening 1071/2009?
- Zo het begrip zetel van de werkgever ex art. 13.1 van de verordening 883/2004 in de sector van het wegtransport niet dient te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging art. 3 en 5 van de verordening 1071/2009, met welke criteria dan wel rekening dient te worden gehouden ter vaststelling van het zetelbegrip met name in de sector van het wegtransport? __________________________________
(1)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(2)Over dit aspect van een arbeidsrelatie Cass. 26 maart 2013, AR P.12.0387.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.4, AC 2013, nr. 211; Cass. 6 december 2010, AR S.10.0073.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101206.2, AC 2010, nr. 713.
(3)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.europa.eu. Over de interpretatie van deze bepaling zie Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(4)Cass. 2 februari 2016, AR P.15.0846.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4, AC 2016, nr. 73, JTT 2016, 470 noot Y. STOX en RW 2016-17, 189. Zie ook K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251.
(5)HvJ 14 mei 2020, Bouygues travaux publics, C-17/19, www.curia.europa.eu.
(6)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM, met verwijzing naar HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd. RO 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschif, RO 43; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, RO 41; HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics e.a, RO 39-40, www.curia.europa.eu.
(7)HvJ 2 april 2020, CRPNPAC en Vueling Airlines, C 370/17 en C 37/18, punt 78; HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics e.a, RO 43, www.curia.europa.eu.
(8)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics e.a, RO 47 en 48, www.curia.europa.eu.
(9)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics e.a, RO 47 en 48, www.curia.europa.eu.
(10)Cass. 2 februari 2016, AR P.15.0846.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4, AC 2016, nr. 73, JTT 2016, 470 noot Y. STOX en RW 2016-17, 189, RO 8 en 9: “Het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling geeft uitvoering aan artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Artikel 38 van die wet bepaalt: "De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen. Hieruit volgt dat de DIMONA-reglementering de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheids-bepalingen en enkel geldt voor de tewerkstelling van de personen waarop die bepalingen van toepassing zijn. Zij geldt niet ten aanzien van personen die beschikken over een A1-attest van een lidstaat van de Europese Unie op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten”. Contra: K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251, die stelt (p. 245) dat het KB Dimona moet worden gekwalificeerd als “wetgeving ter handhaving van zowel arbeids-als socialezekerheidswetten”, niet alleen als regels over sociale zekerheid.
(11)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(12)Zie alg. C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2017, 127-145; F. DERUYCK, “Hoe eigenaardig is de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon?”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia 2013, 129-142; A. MASSET, “La responsabilité pénale des personnes morales”, Dr.pén.entr. 2011, 3-16; P. WAETERINCKX, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en zijn leidinggevenden, Intersentia 2011, 181; F. LUGENTZ en O. KLEES, “Le point sur la responsabilité pénale des personnes morales”, RDP 2008, 190-226; A. DE NAUW, Fiscaal strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2007, 32-34; F. ROGGEN, “La responsabilité pénale des personnes morales”, in Actualité de droit pénal, Bruylant 2005, 1-54; H. VAN BAVEL, “De rechtspersoon in ons schuldstrafrecht: over het moreel bestanddeel van het misdrijf in hoofde van de rechtspersoon”, in Strafrecht als roeping. Liber amicorum Lieven Dupont, Leuven, UP 2005, 125-140; A. DE NAUW en F. DERUYCK, “De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen”, RW 1999-2000, 897-914.
(13)C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2017, 137; W. RAUWS, “Strafbare deelneming in het sociaal strafrecht”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 697-711. Zie ook Wetsvoorstel tot invoering van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, ingediend door Dhr. H. VANDENBERGHE en c.s, 23 december 1998, Parl. St. Kamer, Zitting 1998-99, 1-1217/1, 5 “duidelijk moet alleszins zijn dat het ontwerp geen objectieve aansprakelijkheid voor de rechtspersoon wenst in te voeren”.
(14)Cass. 21 oktober 2014, AR P.13.0655.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.1, AC 2014, nr. 625; Cass. 23 september 2008, AR P.08.0587.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.4, AC 2008, nr. 497 en RABG 2009, 477, met noot P. WAETERINCKX.
(15)Voor een inbreuk op de Dimona-wetgeving, het verplicht aangeven van tewerkstelling voor de inning van sociale zekerheidsbepalingen (art. 181 Sociaal Strafwetboek), is een algemeen opzet vereist. Zie W. RAUWS, “Strafbare deelneming in het sociaal strafrecht”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 698.
(16)Cass. 5 november 2019, AR P.19.0384.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1, AC 2019, nr. 566, RW 2020-21,
- Zie ook Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0127.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13, AC 2019, nr. 330, Cass. 6 november 2018, AR P.18.0299.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.3, AC 2018, nr. 609 en Cass. 14 maart 2012, AR P.12.0404.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120314.1, AC 2012, nr. 169, NC 2013,
- Zie M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 431.
(17)M. MINNAERT, “Politieverhoren in het Post-Salduztijdperk”, in De Salduzregeling: theorie en praktijk, vandaag en morgen, Politeia 2012, 23-25.
(18)F. SCHUERMANS, “Het begrip ‘verdachte’ in de Post-Salduzperiode”, in De Salduzregeling: theorie en praktijk, vandaag en morgen, Politeia 2012, 119-138.
(19)Omzendbrief Col. 8/2011 “Richtlijn inzake het recht op toegang tot een advocaat”, College van Procureurs-generaal (herziene versie van 2018), p. 62, www.om-mp.be Zie hierover M. BOCKSTAELE, “Verhoren”, in Comm. Sr., Kluwer, 2019, 3-4.
(20)Omzendbrief Col. 8/2011 “Richtlijn inzake het recht op toegang tot een advocaat”, College van Procureurs-generaal (herziene versie van 2018), p. 62, www.om-mp.be.
(21)Omzendbrief Col. 8/2011 “Richtlijn inzake het recht op toegang tot een advocaat”, College van Procureurs-Generaal (herziene versie van 2018), p. 63, www.om-mp.be.
(22)In die zin M. BOCKSTAELE, “Verhoren”, in Comm. Sr. , Kluwer, 2019, 5-7.
(23)M. BOCKSTAELE, “Verhoren”, in Comm. Sr. , Kluwer 2019, 5.
(24)L. HUYBRECHTS, “Het verhoor onder de Salduzwet”, in De Salduzregeling: theorie en praktijk, vandaag en morgen, Politeia 2012, 115: “Vanaf het ogenblik evenwel dat tegen een bepaald persoon verdenking betreffende een misdrijf rijst en men hem vragen begint te stellen om de waarheid daarover te achterhalen, vangt het verhoor aan. Dat is met andere woorden het ‘eerste’ verhoor, zoals bedoeld in de Salduzwet”. Op dit punt zie ook Richtlijn 2013/48 (EU) van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming, Publ. L294, Preambule 21, www.eur-lex.europa.eu.
(25)Cass. 14 maart 2012, AR P.12.0404.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120314.1, AC 2012, nr. 169, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., NC 2013, 241. Zie ook C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2019, 1052.
(26)Cass. 16 februari 2021, AR P.20.1236.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.14, AC 2021, nr. 120.
(27)Cass. 31 december 2019, AR P.19.0480.N, arrest niet gepubliceerd, RO 3: “Het staat aan de rechter te oordelen of de mededelingen die een persoon doet aan politieambtenaren en de vragen die zij daarop stellen, kunnen worden beschouwd als een verhoor in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord”.
(28)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.europa.eu.
(29)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, RO 27 met verwijzing naar HvJ 10 februari 2000, C-202/97 Fitzwilliam Executive Search Ltd.; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschif en HvJ 6 februari 2018, C/359/16, Altun.
(30)HvJ 6 februari 2018, nr. C-359/16, Altun, JTT 2018, 1309 en HvJ 2 april 2020, nr. C-370/17, Vueling Airlines SA, www.curia.europa.eu.
(31)Over de bindende kracht van A1-attesten voor de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat van tewerkstelling van werknemers Zie alg. P. PECINOVSKY, “Sociale dumping”, noot onder Gent 19 oktober 2017, NJW 2017, 804-805; K. DECRUYENAERE, “Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek?”, RABG 2019, 264-271; L. ELIAERTS, “Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude”, RW 2017-18, 1682; M. MORSA, “La Cour de Justice de l’Union européenne contribue à la lutte contre la fraude sociale transfrontalière et le dumping social”, Dr. Pen. Entr. 2018, 193-209; T. PERDIEUS, “Quo vadis A1?”, in Expat News, Kluwer januari 2019, 5-8; G. VAN DE MOSSELAER, “Erkenning fraudeverbod in een grensoverschrijdende sociaalrechtelijke context”, in Sociale wegwijzer, Kluwer april 2018, 14-17; J. LORRE, “Sociale zekerheidscoördinatie, fraude- en misbruikbestrijding: nieuwe Europese rechtspraak”, JTT 2021, 3-13.
(32)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.europa.eu.
(33)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(34)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(35)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 april 2004, www.europa.eu.
(36)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.europa.eu.
(37)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM, RO 32.
(38)Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, Publ. 14 november 2009, www.europa.eu.
(39)Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, Publ. 14 november 2009, www.europa.eu.
(40)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM.
(41)Over het beginsel van wederzijds vertrouwen in relaties tussen EU-lidstaten, toegespitst in het domein van tewerkstelling van gedetacheerde chauffeurs van goederen over de weg, zie HvJ 10 februari 2000, Fitzwilliam Executive Search Ltd, C-202/97, al. 53-58; HvJ 26 januari 2006, Herbosch Kiere, C-2/05, al. 30-33; HvJ 27 april 2017, A-Rosa Flussschiff, C-620/15, al. 44; HvJ 6 februari 2018, Altun e.a., C-359/16, al. 40-41; HvJ 6 september 2018, HvJ 6 september 2018, Salzburger Gebietskrankenkasse e.a., C-527/16 al. 47; HvJ 2 april 2020, Caisse de retraite du personnel navigant professionnel de l’aéronautique civile t/Vueling Airlines SA, C-370/17, al. 62-63, www.curia.europa.eu. Zie ook Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, RO 26; Cass. 18 april 2017, AR P.14.1858.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.8, AC 2017, nr. 257.
(42)Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 484, met concl. OM, RO 32. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.5 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080923.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101206.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120314.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141021.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div