id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211125.1N.1 Rolnummer: C.19.0544.N Zaak: BS, MIN FINANCIEN c INTERFREIGHT ANTWERP NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-06-15 05:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211125.1N.1 Fiche 1 Uit de artikelen 203.1 en 203.3 CDW volgt dat de aangever inzake de douaneregeling extern communautair douanevervoer aansprakelijk kan zijn voor de betaling van de douaneschuld wanneer de goederen niet op het kantoor van bestemming aankomen, ook wanneer dit het gevolg is van diefstal door derden en de aangever hiervoor geen schuld treft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douaneregeling extern communautair douanevervoer - Douaneschuld - Aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 203 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Fiche 2 De aangever is aansprakelijk voor de volledigheid en de juistheid van de aangifte en de douaneautoriteiten moeten de aangifte onmiddellijk aanvaarden, voor zover zij beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden; in de regel geldt de datum van aanvaarding van de aangifte als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling - Aanvaarding - Gevolg Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Artt. 59, 62, 63 en 67 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - Art. 199 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Fiche 3 De douaneautoriteiten zijn niet verplicht tot verificatie, controle of analyse van de aangifte en de aangegeven goederen over te gaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling - Verificatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 68 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Fiche 4 De douaneautoriteiten zijn niet verplicht de goederen te identificeren door verzegeling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling - Identificatie van de goederen - Verzegeling - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - Art. 349 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Fiche 5 De douaneautoriteiten kunnen afzien van een zekerheidstelling, zelfs indien het een verplichte zekerheidstelling betreft waarvoor de belanghebbende geen vrijstelling kan vragen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Aangifte tot plaatsing onder een douaneregeling - Zekerheidstelling - Verplichting Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 74 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Verordening 2454/93/EEG van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 02-07-1993 - Artt. 375 en 376 - 42 Link Justel databank 19930702-42 Tekst van de conclusie C.19.0544.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering Verweerster is een douane-expediteur en diende op 19 augustus 1997 een gecombineerde aangifte EX3 T1 in voor een partij goederen, bestaande uit 920 kartons L&M sigaretten (9.200.000 stuks), met het oog op hun uitslag uit het douane-entrepot van de NV Rhenus Belgium en hun plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer voor uitvoer naar Letland. Het is onbetwist dat op dat ogenblik de betreffende aangifte EX3 T1 nog onvolledig was (o.a. containernummer, nummerplaat van het vervoermiddel ontbraken, evenals het aantal en de nummers van de aangebrachte verzegeling(en)). Diezelfde dag heeft de dienstdoende douanebeambte de aangifte EX3 T1 als conform gevalideerd. De sigaretten zouden in containers geladen worden door NV Rhenus Belgium. De containers (vijf in totaal) werden op 20 augustus 1997 bij NV Rhenus Belgium ter beschikking gesteld met het oog op de lading ervan en verscheping (per zeeschip) naar Letland. Eén geladen container, zijnde de container waarin de hoger genoemde partij van 920 kartons L&M sigaretten zouden zijn geladen, bleef kennelijk bij NV Rhenus Belgium achter, buiten haar depot, op een niet-bewaakte parking. Deze container werd in de nacht van 20 op 21 augustus 1997 gestolen zodat verweerster, als aangever en titularis van de douaneaangifte EX3 T1, door eiser werd aangesproken in betaling van de rechten verschuldigd op de sigaretten die het voorwerp waren van de diefstal door onbekenden. Bij dwangbevel uitvoerbaar verklaard op 21 november 2001 en verzonden op 26 november 2001 vorderde eiser van verweerster de betaling van een bedrag van 76.386,68 EUR aan invoerrechten in hoofdsom, meer de intresten, alsook de verschuldigde accijnzen en bijzondere accijnzen. Verweerster vorderde bij dagvaarding van 7 december 2001 voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat het dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard. Voormelde rechtbank verklaarde bij vonnis van 30 april 2014 de vordering van verweerster gegrond. Op het hoger beroep van eiser werd voormeld vonnis door het hof van beroep te Antwerpen, bij arrest van 29 september 2015, hervormd en werd beslist dat verweerster gehouden is tot de betaling van de douaneschuld voor een bedrag van 76.386,68 EUR, meer de intresten. Naar aanleiding van dit arrest betaalde verweerster op 29 oktober 2015 aan eiser een bedrag van 196.425,80 EUR (bestaande uit voormelde invoerrechten, evenals uit accijns en bijzonder accijns) onder voorbehoud van het cassatieberoep dat door haar werd ingesteld. Het arrest van 29 september 2015 van het hof van beroep te Antwerpen werd door Uw Hof, bij arrest van 9 november 2017 (C.16.0136.N), verbroken wegens een motiveringsgebrek, met verwijzing van de zaak naar het hof van beroep te Gent. Het hof van beroep te Gent bevestigde bij arrest van 11 juni 2019 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 30 april
- Eiser werd dienvolgens veroordeeld tot terugbetaling aan verweerster van een bedrag van 196.425,80 EUR in hoofdsom, meer de intresten vanaf 29 oktober 2015 tot 30 april 2016 aan de intrestvoet van 9,6% per jaar en vanaf 1 mei 2016 aan de rentevoet van de Europese Centrale Bank vermeerderd met twee punten. Eiser komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel 2.
- Eiser voert aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de goederen vermeld in de aangifte EX3 T1 nog niet onder de douaneregeling voor extern communautair douanevervoer konden worden geplaatst, gelet op de onvolledigheid van de aangifte en bij gebrek aan de vereiste identificatie, verzegeling en zekerheidsstelling, noch wettig heeft beslist dat de aangifte ten onrechte door de douanebeambte conform was verklaard, dat er geen geldige vrijgave van de goederen kon hebben plaatsgevonden en dat het regime van tijdelijke opslag (douane-entrepot) nog niet was beëindigd. (Schending van de artikelen 4.20, 59.1, 62.1 en 2, 63, 67, 68, 71, 72, 73.1, 74.2, 77, 91, 94.1, 94.2.a), 95.3, 98, 257.1 CDW, 199, 249.1, 348.1, 349.1, 349.4 en 376 CTW). De beslissing dat verweerster, bij gebrek aan vrijgave van de goederen, niet het subject van de regeling extern communautair douanevervoer kon zijn zodat eiser verweerster ten onrechte in het dwangbevel als schuldenaar van de douaneschuld heeft beschouwd en het dwangbevel van nul en generlei waarde was, is volgens eiser niet naar recht verantwoord. (Schending van de artikelen 96, 203.1 en 3 CDW en 199 CTW in het bijzonder, alsook van de artikelen 4.20, 59.1, 62.1 en 2, 63, 67, 68, 71, 72, 73.1, 74.2, 77, 91, 94.1, 94.2.a), 95.3, 98, 257.1 CDW, 249.1, 348.1, 349.1, 349.4 en 376 CTW) 2.
- Artikel 96.1 CDW bepaalt dat de aangever het subject van de regeling extern communautair douanevervoer is en dat hij verplicht is: a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen; b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven. Artikel 199 CTW bepaalt dat de aangever aansprakelijk is voor
(1)de juistheid van de in de aangifte verstrekte gegevens,
(2)de echtheid van de bijgevoegde stukken en
(3)het nakomen van de verplichtingen die samenhangen met het plaatsen van de betrokken goederen onder de desbetreffende regeling. 2.
- Artikel 203.
- CDW bepaalt dat een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Krachtens artikel 203.3, vierde streepje, CDW is schuldenaar van de douaneschuld: "de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen". De aangever inzake de douaneregeling extern communautair douanevervoer kan bijgevolg verantwoordelijk zijn voor de betaling van de douaneschuld wanneer de goederen niet op het kantoor van bestemming aankomen, ook wanneer dit het gevolg is van diefstal door derden en de aangever hiervoor geen schuld treft
(1). 2.4. Niet-communautaire goederen met de status goederen in tijdelijke opslag waarvan de douaneaangifte voor plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten is aanvaard, kunnen pas onder die douaneregeling worden geplaatst en aldus een douanebestemming verkrijgen op het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven
(2). Artikel 4.
- CDW definieert de vrijgave van goederen als de terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. Overeenkomstig artikel 73.1 CDW kunnen de goederen door de douaneautoriteiten maar worden vrijgegeven wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling. Uit het Codirex-arrest dd. 27 juni 2013 volgt verder dat de loutere aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten niet volstaat voor de vrijgave van de goederen nu de goederen slechts kunnen worden vrijgegeven indien alle voorwaarden voor de plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer zijn voldaan, meer bepaald de voorwaarden inzake verificatie, identificatie of zekerheidsstelling die de douaneautoriteiten, al naar gelang het geval, kunnen treffen: “
- De goederen kunnen echter pas onder de regeling extern communautair douanevervoer staan als aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan.
- Wat deze voorwaarden betreft moet worden opgemerkt dat, naargelang het geval, de douaneaangiften moeten worden geverifieerd, maatregelen moeten worden genomen om de betrokken goederen te identificeren en zekerheid moet worden vereist voor de betaling van een eventuele douaneschuld.” “
- Aangezien de douaneautoriteiten verificatie-, identificatie- of zekerheidsmaatregelen moeten of kunnen treffen, kan niet worden gesteld dat door de enkele aanvaarding van de douaneaangifte aan alle voorwaarden voor de douaneregeling extern communautair douanevervoer kan worden voldaan.” 2.
- Verweerster verwijst naar de vaststelling van de appelrechters dat aan geen van de drie voorwaarden voor de vrijgave van de goederen voldaan was en meent dat in het arrest Codirex impliciet wordt bevestigd dat er geen geldige vrijgave kan gebeuren zonder verplichte voorafgaande verificatie van de douaneaangifte, identificatie van de goederen en zekerheidsstelling. Die stelling kan m.i. niet worden bijgetreden. 2.5.
- De aanvaarding van de aangifte lijkt mij in de eerste fase een automatische handeling, vaak elektronisch, waarna het vervolgens aan de douaneautoriteiten staat om te bepalen of de vermelde gegevens volstaan om de betreffende aangifte te aanvaarden dan wel of er verificatie-, identificatie- of zekerheidsmaatregelen nodig zijn. Hoewel het onbetwist was dat de aangifte nog onvolledig was (o.a. het containernummer, alsook de nummerplaat van het vervoermiddel ontbraken), blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de dienstdoende douanebeambte op 19 augustus 1997 de conformiteit van de op de aangifte EX3 T1 vermelde goederen heeft bevestigd. Door de aangifte als conform te valideren en geldig te maken, bevestigden de douaneautoriteiten aldus dat de gegevens vermeld in de aangifte volstonden om de betreffende aangifte EX3 T1 te aanvaarden. Eiser laat m.i. terecht gelden dat het uitsluitend aan de douaneautoriteiten toekomt om te bepalen of een aangifte die niet volledig is al dan niet kan worden aanvaard zodat het niet aan de appelrechters toekwam te beslissen dat "de aangifte EX3 T1 nr. S0048596 op 19 augustus 1997 niet kon aanvaard worden ter aanzuivering van de aangifte IM7 T1 nr.73068 van 25 juli 1997" om reden dat "de aangifte...nog onvolledig was". Aangezien artikel 199 CTW bepaalt dat de aangever aansprakelijk is voor de juistheid van de in de aangifte verstrekte gegevens, en dus ook voor de volledigheid van de verstrekte gegevens, kan de onvolledigheid van een aangifte niet verhinderen dat de douaneautoriteiten die aangifte aanvaarden en op grond van die geldig verklaarde aangifte tot vrijgave van de goederen beslissen. Door te oordelen dat de onvolledige aangifte niet kon worden aanvaard en dat deze onvolledige aangifte de vrijgave van de goederen in de weg stond, hebben de appelrechters m.i. hun beslissing niet naar recht verantwoord. 2.5.
- Artikel 72 CDW bepaalt dat de douaneautoriteiten de nodige maatregelen nemen om de goederen te kunnen identificeren wanneer deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de betrokken goederen zijn aangegeven. Anders dan de appelrechters oordelen, is voor de identificatie van de onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen niet noodzakelijk vereist dat die goederen worden verzegeld. Artikel 349.
- CTW stelt enkel dat de identificatie van goederen "in het algemeen" wordt verzekerd door middel van verzegeling, terwijl artikel 349.
- CTW (nadien artikel 357 CTW) uitdrukkelijk bepaalt dat het kantoor van vertrek "van verzegeling (kan) afzien wanneer het, rekening houdend met eventueel andere identificatiemaatregelen, mogelijks aan de hand van de omschrijving van de goederen in het document T 1 of de bijgevoegde stukken, de goederen kan identificeren". Uit het feit dat de douaneautoriteiten de litigieuze (onvolledige) aangifte conform hebben bevonden en geldig hebben verklaard, volgt derhalve dat de douaneautoriteiten van oordeel waren dat de goederen afdoende konden worden geïdentificeerd aan de hand van de omschrijving van de goederen in die aangifte of in de bijgevoegde stukken zodat geen bijkomende identificatiemaatregelen nodig waren ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de betrokken goederen zijn aangegeven. Artikel 348.
- CTW stelt dat het kantoor van vertrek zelf de identificatiemaatregelen treft "die het nodig acht" zodat de douaneautoriteiten kunnen beslissen dat een verzegeling van de goederen niet nodig is wanneer de vermeldingen in de aangifte volstaan voor de identificatie van de goederen, ook al is die aangifte onvolledig. Het lijkt mij derhalve dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat er bij gebrek aan een verzegeling geen identificatie is gebeurd, noch wettig hebben aangenomen dat de identificatie onmogelijk was bij gebrek aan verzegeling. Het ontbreken van een verzegeling kon bijgevolg niet verhinderen dat de litigieuze goederen waren vrijgegeven door de douaneautoriteiten voor extern communautair douanevervoer. 2.5.
- De vrijgave van de goederen voor extern communautair douanevervoer kan evenmin worden verhinderd door het ontbreken van een zekerheid wanneer van de aangever, zoals in casu het geval was, door de douaneautoriteiten geen zekerheid werd geëist. Artikel 74.
- CDW bepaalt dat "Indien de douaneautoriteiten op grond van de bepalingen inzake de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, het stellen van een zekerheid eisen, (..) de vrijgave van de goederen voor de betrokken douaneregeling slechts (kan) worden toegestaan nadat deze zekerheid is gesteld". Hoewel de zekerheidsstelling in onderhavige zaak in beginsel, op grond van de bepalingen inzake de douaneregeling extern communautair douanevervoer, wettelijk was verplicht, nu er sprake was van goederen met een verhoogd risico die in bijlage 56 zijn opgenomen, werd voor deze goederen door de douaneautoriteiten geen zekerheid geëist. Indien de douaneautoriteiten het stellen van een zekerheid niet hebben opgelegd als voorwaarde voor de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer, dan kan de rechter de vrijgave van de goederen niet afhankelijk stellen van het vestigen van een zekerheid of borgstelling. Door niettemin te oordelen dat “ook dit belet dat [eiser] er zich op kan beroepen dat de goederen als vrijgegeven konden worden beschouwd en al van douaneregime veranderd (van tijdelijke opslag naar extern communautair douanevervoer”, verantwoorden de appelrechters hun beslissing m.i. niet naar recht. 2.
- Samengevat lijkt het mij derhalve dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat de goederen vermeld in de aangifte EX3 T 1 nog niet onder de douaneregeling voor extern communautair douanevervoer konden worden geplaatst gelet op de onvolledigheid van de aangifte en bij gebrek aan de vereiste identificatie, verzegeling en zekerheidsstelling. De beslissing dat verweerster, bij gebrek aan vrijgave van de goederen, niet het subject van de regeling extern communautair douanevervoer kon zijn zodat eiser verweerster ten onrechte in het dwangbevel als schuldenaar van de douaneschuld heeft beschouwd en het dwangbevel van nul en generlei waarde was, is m.i. derhalve niet naar recht verantwoord. Het middel komt mij gegrond voor.
- Besluit: Vernietiging. ___________________
(1)HvJ, 5 oktober 1983, gevoegde zaken C-186/82 en 187/82, ECLI:EU:C:1983:262.
(2)HvJ, 27 juni 2013, C-542/11, Codirex, ECLI:EU:C:2013:429. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211125.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211125.1N.1 citeert: ECLI:EU:C:1983:262 ECLI:EU:C:2013:429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div