id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 november 2021
§2
, en 172 van de Grondwet miskent, alsook de artikelen 1, §
§2
, 220, enig lid, 1°, 221, enig lid, 1°, 249, 251 en 253 van het WIB92, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel inzake de voorrang van de hogere rechtsnorm. Door op die gronden enkel na te gaan of de onbebouwde percelen waarvan eiser het kadastrale inkomen heeft belast, behoren tot het openbaar domein of het privaat domein en bestemd zijn voor een openbare dienst zou de appelrechter eveneens de bevoegdheid tot belastingheffing van eiser miskend hebben, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 170, inzonderheid §
§2
, en 172, tweede lid, van de Grondwet, alsook de artikelen 1, §
§2
, 220, enig lid, 1°, 221, enig lid, 1°, 249, 251 en 253 WIB92 en het algemeen rechtsbeginsel van de hogere rechtsnorm. 2.2. Op grond van artikel 253,3° WIB92, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest voor het aanslagjaar 2007, wordt van de onroerende voorheffing vrijgesteld het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. Uw Hof oordeelde reeds dat de vrijstelling van de drie voorwaarden samen afhankelijk is en dat het onproductief zijn van het onroerend goed, als één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van onroerende voorheffing als nationaal domeingoed, niets anders is dan de ongeschiktheid van het onroerend goed om het voorwerp te zijn van een privatief genot vanwege de openbare dienst die er eigenaar van is. Deze ongeschiktheid vloeit voort uit de bestemming die aan het onroerend goed wordt gegeven
(1), en dus niet uit de aard ervan. Opdat een onroerend goed een productief karakter verkrijgt, volstaat het dat het onroerend goed op zichzelf iets opbrengt. De omstandigheid dat de belastingplichtige met betrekking tot het onroerend goed kosten draagt die zijn opbrengst overstijgen, heeft niet tot gevolg dat het onroerend goed op zichzelf niets opbrengt
(2). Auteur M. VERVOORT poneert dat de vraag of een onroerend goed improductief is of niet, volledig onafhankelijk is van de vraag of wat er gebeurt in dat goed al dan niet een bron van inkomsten is
(3). De vereiste van improductiviteit “op zichzelf” laat inderdaad toe te besluiten dat de voorwaarde niet slaat op de in het betrokken goed uitgeoefende dienst, maar wel op het betrokken onroerend goed. Waar de derde vrijstellingsvoorwaarde vooral betrekking heeft op de werkzaamheden of activiteiten die zich in het goed afspelen (openbare dienst/dienst van algemeen nut), heeft de tweede voorwaarde derhalve vooral betrekking op wat er met het goed zelf gebeurt. VERVOORT merkt dan ook terecht op dat beide voorwaarden elk op zich moeten worden beoordeeld en niet mogen worden vermengd
(4). Artikel 253, 3° WIB92 voorziet niet in een vrijstelling indien het onroerend goed slechts gedeeltelijk aan de voorwaarden voldoet. De vrijstelling geldt alleen indien het onroerend goed, dat een kadastraal perceel uitmaakt, in zijn geheel beantwoordt aan de wettelijke vrijstellingsvoorwaarden
(5). 2.3. Verweerder verwijst voor wat betreft het principe van belastingvrijdom van goederen die tot het openbaar domein behoren onder meer naar een arrest van Uw Hof dd. 23 februari 2018
(6). Hierin werd geoordeeld: “De openbare-domeingoederen van de Staat en zijn private-domeingoederen die bestemd zijn voor een openbare dienst of een dienst van openbaar nut, zijn, uit hun aard, niet aan belasting onderworpen. Hieruit volgt dat, enerzijds, die goederen slechts aan belasting zijn onderworpen als een wettelijke bepaling daarin uitdrukkelijk voorziet en dat, anderzijds, artikel 172, tweede lid, Grondwet, dat bepaalt dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet, daarop niet van toepassing is.” Auteur DE JONCKHEERE vraagt zich n.a.v. dit arrest af of dit nu impliceert dat enkel bij federale fiscale wet kan worden afgeweken van belastingvrijdom, dan wel dat dit ook kan gebeuren bij een decreet of ordonnantie, of zelfs bij een norm van lokale besturen
(7). Aansluitend bij de visie van auteur VERVOORT meen ik dat “de vermeende belastingvrijdom” zich in ieder geval niet kan uitstrekken tot vrijstellingen van onroerende voorheffing: “De federale wetgever beschikt niet langer over de bevoegdheid om te oordelen of die vrijstellingen, ook voor de publieke sector, noodzakelijk zijn. Een vaag (vermeend) algemeen rechtsbeginsel kan aan die bevoegdheidsverdeling geen afbreuk doen. Of duidelijker in de woorden van het Grondwettelijk Hof: “De bevoegdheid van vrijstelling die aan de gewesten onder meer ten aanzien van de onroerende voorheffing is toegekend, is in artikel 4, §2 van de bijzondere financieringswet in algemene bewoordingen omschreven. In die bevoegdheidstoewijzing wordt geen voorbehoud gemaakt naar gelang van de persoon, eigenaar van het betrokken onroerend goed." Daarbij werd al expliciet bevestigd dat een gewest de vrijstelling van onroerende voorheffing voor nationale domeingoederen kan beperken, ook ten aanzien van (andere) gewesten, gemeenschappen, federale overheid en openbare instellingen. Uiteraard voor zover daarbij andere grondwettelijke beginselen (zoals het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel) of unierechtelijke bepalingen (bv. inzake staatssteun) worden gerespecteerd”
(8). 2.
- De appelrechter die in voorliggend geval beslist dat de betreffende gronden, die gedeeltelijk aan een landbouwer in concessie zijn gegeven tegen een vergoeding, vrij zijn van onroerende voorheffing omdat zij onveranderd en onverminderd een bestemming hebben blijven behouden om te dienen voor de openbare dienst die door de verweerder ter plaatse wordt uitgeoefend op het vliegveld, heeft bij zijn beoordeling geen rekening gehouden met het vereiste van het onproductief zijn als een bijkomende voorwaarde voor de vrijstelling. Aldus worden m.i. eisers’ bevoegdheid tot belastingheffing en het artikel 253, 3° WIB92 miskend. Het onderdeel komt mij gegrond voor.
- Besluit: Vernietiging. ___________________________
(1)Cass. 15 maart 2018, AR F.16.0141.N, AC 2018, nr. 183, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180315.6.
(2)Cass. 24 maart 2017, AR F.16.0057.N, AC 2017, nr. 211, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170324.5.
(3)VERVOORT, M., “De overheid als belastingplichtige”, 2016, 293-294, nr. 420.
(4)VERVOORT, M., “Onroerende voorheffing en nationale domeingoederen een oud (en nieuw) zeer”, TFR, 2020, afl. 589, 893.
(5)Cass. 16 februari 2012, AR F.11.0002.N, arrest niet gepubliceerd.
(6)Cass. 23 februari 2018, AR F.16.0102.F, AC 2018, nr. 120, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.2.
(7)DE JONCKHEERE, M., “De belastingvrijdom van de staat” ten aanzien van lokale belastingen: 130 jaar later”, (noot onder Cass., 23 februari 2018), TFR, 2018, afl. 548, 883-884.
(8)VERVOORT, M., “Onroerende voorheffing en nationale domeingoederen een oud (en nieuw) zeer”, TFR, 2020, afl. 589, 896, met verwijzing naar GwH 5 maart 1996, nr. 12/96. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211125.1N.73 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211125.1N.73 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170324.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180223.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180315.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div