← België

H. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 december 2021

Art. 856

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN Vrije woorden: Schenkingen - Inbreng - Inbreng in waarde - Interesten Wettelijke bepalingen: oud

Art. 856

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 De rechter die de genotswaarde en de opbrengstwaarde van het goed evalueert, bepaalt de eventuele vergoeding die bijkomend moet worden ingebracht; de omstandigheid dat de inbrengwaarde van het goed zelf wordt bepaald dan wel geactualiseerd naar het tijdstip van de verdeling van de nalatenschap, sluit niet uit dat bijkomend een vergoeding moet worden ingebracht van hetzij de genotswaarde, hetzij de opbrengstwaarde van het goed voor de periode vanaf het overlijden van de erflater tot de verdeling van diens nalatenschap

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: Waardering geschonken goed Wettelijke bepalingen: oud

Art. 856

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Vrije woorden: – Vergoeding van genotswaarde of opbrengstwaarde geschonken goed Wettelijke bepalingen: oud

Art. 856

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 461, p. 373-

  1. - BLOMME, Céline; Noot'Schenking onroerend goed als voorschot op erfdeel met vrijstelling van inbreng in natura' Tekst van de conclusie C.20.0555.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
  2. Probleemstelling De discussie betreft de modaliteiten van de inbreng van de waarde van een geschonken onroerend goed na het openvallen van de nalatenschap rekening houdend met de reglementering zoals van toepassing vóór de wijzigingen doorgevoerd in 2017

(1).
  1. Bespreking EERSTE ONDERDEEL
  2. De eiser voert aan dat de inbreng van een bedrag gelijk aan de waarde van het geschonken onroerend goed ten tijde van de verdeling de mede-erfgenamen geen compensatie biedt voor het niet onmiddellijk kunnen beschikken over dat onroerend goed bij het openvallen van de nalatenschap zodat de begiftigde erfgenaam interest verschuldigd is op basis van artikel 856 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing. Hierbij argumenteert de eiser dat die interest ertoe strekt de mede-erfgenamen te vergoeden voor het feit dat zij niet van de vruchten van de geschonken goederen hebben kunnen genieten vanaf het openvallen van de nalatenschap. De eiser voert voorts aan dat door te oordelen dat de inbrengverplichting slaat op een bedrag gelijk aan de waarde van het geschonken onroerend goed ten tijde van de verdeling alsook dat geen verdere interest is aan te rekenen in de zin van artikel 856 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing evenals dat de mede-erfgenamen hierdoor krijgen waarop zij recht hebben, de appelrechter dit artikel alsook de artikelen 843, 858, 859, 860, 861, 862, 863, 865 en 868 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing, schendt.
  3. Voor de in 2017 doorgevoerde hervorming was de inbreng in natura de regel voor onroerende goederen
(2). In een aantal omstandigheden was inbreng in waarde van onroerende goederen evenwel verplicht
(3)of mogelijk
(4). Eén van de gevallen waarin een inbreng in waarde mogelijk was, was deze waarin de erflater de begunstigde had vrijgesteld van een inbreng in natura. Het is deze hypothese die hier cf. het bestreden arrest van toepassing is
(5). De volgende vraag is dan op welk ogenblik de in te brengen waarde van een onroerend goed moet worden bepaald. Het bestreden arrest bepaalt deze op het ogenblik van de verdeling, hetgeen niet bestreden wordt in de voorziening tot cassatie. Hiermee volgt de appelrechter dan ook terecht het meerderheidsstandpunt in de rechtsleer dienaangaande
(6). Artikel 856 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing bepaalt evenwel dat de vruchten en interest van aan inbreng onderworpen zaken eerst verschuldigd zijn te rekenen van de dag dat de erfenis is opengevallen. De verdeling en het openvallen van de nalatenschap vallen noodzakelijkerwijze niet samen zodat de vraag rijst hoe beide principes. – waardebepaling op het ogenblik van verdeling enerzijds en vruchten of interesten vanaf het overlijden anderzijds. – moeten verenigd worden. 3. Een mogelijke oplossing is mijns inziens alvast niet om op de waarde bepaald op het ogenblik van de verdeling interesten te berekenen vanaf de dag van het overlijden: dit zou immers inhouden dat er van wordt uitgegaan dat het betrokken onroerend goed op de dag van het overlijden reeds dezelfde waarde had als ten tijde van de latere verdeling
(7). Hierdoor zouden de mede-erfgenamen ten onrechte verrijkt worden nu dit zou betekenen dat zij interesten zouden verkrijgen op een som die als dusdanig nooit heeft bestaan
(8). Het gaat hier immers niet om de inbreng van een som geld op zich maar wel om de inbreng van een som die overeenstemt met de waarde van het onroerend goed op het ogenblik van de verdeling. Nu de waarde van het onroerend goed maar bepaald wordt op het ogenblik van de verdeling, kan die waarde ook maar vanaf dat ogenblik interest opbrengen. Er kan mijns inziens evenmin rekening worden gehouden met de vruchten van het betrokken onroerend goed sinds het openvallen van de nalatenschap op zich nu het mij zoals A. VAN DEN BROECK opmerkt maar logisch lijkt om die als dusdanig in rekening brengen bij een inbreng in natura. Bij een inbreng in waarde hebben de erfgenamen daarentegen géén recht op het goed op zich en dus ook niet op de vruchten en inkomsten ervan als dusdanig
(9). Er dient met het oog op een correcte waardebepaling op het ogenblik van verdeling echter wél rekening te worden gehouden met de eventuele opbrengsten van het onroerend goed sinds het openvallen van de nalatenschap. Een onroerend goed dat inkomsten opbrengt of minstens kán opbrengen, is waardevoller dan een onroerend goed dat hiertoe niet in staat is. Op die manier wordt dan ook de regel in acht genomen zoals vervat in artikel 856 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing. Hiernaast ook nog eens interesten aanrekenen, zou neerkomen op het 2 maal in rekening brengen van hetzelfde voordeel. 4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - Het bedoelde onroerend goed volgens de schenkingsakte van 29 november 1977 door de ouders aan de verweerder is geschonken als voorschot op erfenis maar met ontslag van inbreng in de toekomstige nalatenschappen; - De notaris. – vereffenaar tot het besluit komt dat de schenkers met deze clausule bedoelden te schenken als voorschot op erfdeel met vrijstelling van inbreng in natura; - Tegen deze laatste kwalificatie van de clausule geen bezwaar (meer) bestaat; - Als relevante inbrengwaarde de waarde op het ogenblik van de verdeling in aanmerking is te nemen; - Mogelijks, gelet op de verlopen tijd, een actualisering aan de orde is; - De inbrengverplichting door de clausule in de schenkingsakte slaat op een geldelijk bedrag ten belope van de actuele waarde ten tijde van de verdeling op die manier dat er geen verdere interesten in zin van artikel 856 zijn aan te rekenen; - Dit overeenkomt met de bedoeling van de ouders om hun twee kinderen, namelijk de verweerder en mevrouw L.H. gelijk te begiftigen, waarbij mevrouw L.H. een bepaalde geldsom werd geschonken met het oog op het verwerven van een onroerend goed; - De andere erfgenamen door de waardering van het onroerend goed op het ogenblik van de verdeling krijgen wat hen toekomt. De appelrechter die op grond van deze redenen beslist dat de verweerder “geen interesten is verschuldigd op de door hem in te brengen waarde ingevolge het geschonken onroerend goed waarbij deze waarde is te bepalen en mogelijk te actualiseren op de datum van effectieve verdeling”, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. TWEEDE ONDERDEEL De appelrechter oordeelt niet dat in de schenkingsakte van 29 november 1977 werd bedongen dat geen verdere interesten zijn aan te rekenen in de zin van artikel 856 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing, maar enkel dat de inbrengverplichting ingevolge de clausule in de schenkingsakte slaat op een geldelijk bedrag ten belope van de actuele waarde ten tijde van de verdeling. Vervolgens trekt de appelrechter hieruit de juridische conclusie dat geen verdere interesten in de zin van artikel 856 BW zoals hier van toepassing zijn aan te rekenen. Het onderdeel dat de miskenning van de bewijskracht van de schenkingsakte aanvoert, mist feitelijke grondslag. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. DERDE ONDERDEEL Het 3de onderdeel dat de schending van artikel 1156 en 1134 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing aanvoert, is in zijn geheel afgeleid uit de in het 2de onderdeel tevergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht en is aldus niet ontvankelijk. VIERDE ONDERDEEL Het 4de onderdeel dat de schending van de artikelen 931, 932, 1319, 1341 en 1353 Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing aanvoert, is eveneens in zijn geheel afgeleid uit de in het 2de onderdeel tevergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht en is aldus niet ontvankelijk. Conclusie: verwerping. __________________________
(1)Wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, B.S. 1 september 2017, in werking getreden op 1 september 2018. Artikel 66, §1 van die wet bepaalt dat zij maar van toepassing is op de nalatenschappen die openvallen na de inwerkingtreding. In casu zijn de betrokken nalatenschappen opengevallen in respectievelijk 1982 en 2007 zodat de oude regeling hier nog moet toegepast worden.
(2)Zie artikelen 858 e.v. van het Oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing. Nu voorziet artikel 858 Oud Burgerlijk Wetboek in een inbreng in waarde.
(3)Zie o.m. A.-L. VERBEKE, Erfrecht en giften, Antwerpen, Intersentia, 2015, 96-98 en A.-C. VAN GYSEL, Précis du droit des successions et libéralités, Brussel, Bruylant, 2008, 570-575.
(4)Zie o.m. A.-L. VERBEKE, Erfrecht en giften, Antwerpen, Intersentia, 2015, 98 en A.-C. VAN GYSEL, Précis du droit des successions et libéralités, Brussel, Bruylant, 2008, 575-576.
(5)“Volgens de schenkingsakte van 29 november 1977 werd het bedoelde onroerend goed aan [verweerder] geschonken als voorschot op erfenis maar met ontslag van inbreng in de toekomstige nalatenschappen. Uiteindelijk komt de notaris–vereffenaar tot het besluit dat de schenkers met deze clausule hebben bedoeld te schenken als voorschot op erfdeel maar met vrijstelling van inbreng in natura. Daartegen is als zodanig geen bezwaar (meer).”
(6)Zie o.m. Y.-H. LELEU, “La reduction et le rapport en valeur, réflexions critiques en vue d’une réforme legislative in KONINKLIJKE FEDERATIE VAN BELGISCHE NOTARISSEN (ed.), De erfrechtelijke reserve in vraag gesteld, II, Belgisch recht, Brussel, Bruylant, 1997, 245; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, I in Beginselen van Belgisch privaatrecht, VI, Mechelen, Kluwer, 2011, 760. Contra evenwel o.m. H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité, IX, Brussel, Bruylant, 1974, 922, nr. 1295.2°.
(7)Het Franse Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 27 januari 1987 inzake het gelijkluidende 856 C.Civ. dat bij inbreng in waarde, die waarde maar interest opbrengt vanaf het ogenblik waarop zij wordt vastgesteld. Zie Cass.Fr.civ. 27 januari 1987, AR 85-15.336, Bull. 1987, I, nr. 36, 25. Het huidige Belgische artikel 856 BW voorziet wél in de toekenning van interesten vanaf de dag van het openvallen van de nalatenschap maar dit is logisch nu de inbreng van schenkingen gelet op het huidige artikel 858, §3 BW geschiedt volgens de geïndexeerde intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking.
(8)Zie opnieuw inzake Frans recht F. TERRE en L. LEQUETTE, Droit civil. Les successions. Les libéralités., Parijs, Dalloz, 1997, 723.
(9)Zie A. VAN DEN BROECK, Gelijkheid onder erfgenamen, Antwerpen, Intersentia, 258. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211202.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211202.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.