← België

P. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211207.2N.3 Rolnummer: P.21.1091.N Zaak: P. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-12-28 Raadplegingen: 912 - laatst gezien 2026-06-18 17:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.3 Fiches 1 - 2 De rechter oordeelt onaantastbaar of de titularis van de nummerplaat van het motorvoertuig waarmee de overtreding werd begaan, erin slaagt het op hem op grond van het hier toepasselijke artikel 67bis Wegverkeerswet rustende vermoeden te weerleggen; hij kan daartoe alle feitelijke gegevens in aanmerking nemen waarvan hij de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt, waaronder de omstandigheid dat de titularis van de nummerplaat vóór de dagvaarding niet in kennis werd gesteld van de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken, hij aldus niet in staat was de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten kenbaar te maken en dit, gelet op het tijdsverloop, thans niet meer redelijkerwijze van hem kan worden verwacht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67bis Vrije woorden: Weerlegbaar vermoeden - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeerswet - Artikel 67bis - Weerlegbaar vermoeden - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 4 Tenzij in het hier niet toepasselijke geval dat het proces-verbaal met de vastgestelde verkeersinbreuken zelf vermeldt wanneer het werd verzonden, beoordeelt de rechter eveneens onaantastbaar op basis van de stukken van het strafdossier, die aan de rechter werden voorgelegd en vatbaar zijn voor tegenspraak, of en wanneer dit proces-verbaal naar de titularis van de nummerplaat werd verzonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Toezending van het proces-verbaal aan de overtreder of titularis van de nummerplaat - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wegverkeer - Wegverkeerswet - Artikel 62 - Toezending van het proces-verbaal aan de overtreder of titularis van de nummerplaat - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.21.1091.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 juni
  1. I. De procedurele voorgaanden.
  2. Verweerster werd door het openbaar ministerie gedagvaard voor de volgende verkeersinbreuken: Te Antwerpen, op 25 september 2018: A. als weggebruiker of bestuurder van een voertuig op de openbare weg, nagelaten te hebben zich te gedragen naar de verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen, regelmatig naar de vorm, voldoende zichtbaar en overeenkomstig de voorschriften van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg aangebracht, namelijk: een witte doorlopende streep te hebben overschreden. (art. 5 en 72.2, lid 1 van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg; art. 29, §1, lid 2, en 38, §1.3° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer - KB tot coördinatie van 16 maart 1968). B. zonder het bij artikel 38, §3 voorgeschreven onderzoek uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen van 6 september 2016, met goed gevolg te hebben ondergaan, op de openbare weg een motorvoertuig behorende tot de categorie bedoeld in de beslissing van de vervallenverklaring te hebben bestuurd of een bestuurder met het oog op de scholing te hebben begeleid (art. 48, lid 1.2° Wegverkeerswet) met de omstandigheid dat de gedaagde zich in staat van herhaling bevindt, daar hij binnen drie jaar voor het misdrijf door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen op 14 februari 2017 wegens een overtreding op artikel 48 van deze wet veroordeeld werd, vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan (art. 48, 1id 2 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, KB tot coördinatie van 16 maart 1968) C. als weggebruiker of bestuurder van een voertuig, op de openbare weg, nagelaten te hebben zich te gedragen naar de verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen, regelmatig naar de vorm, voldoende zichtbaar en overeenkomstig de voorschriften van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg aangebracht, namelijk: het verkeersbord C31a of C31b (verbod aan het volgend kruispunt af te slaan in de richting door de pijl aangegeven). (artt. 5 en 68 van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg; art. 29, §2 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer - KB tot coördinatie van 16 maart 1968). Uit het bestreden vonnis blijkt dat de verbalisanten vaststelden dat een voertuig Mitsubishi Space Star met kentekenplaat 1THZ661, ingeschreven op naam van verweerster, een doorlopende witte streep overschreed en een verkeersbord C31 negeerde (telastleggingen A en C). Volgens de memorie van eiser zou aan verweerster (als titularis van de kentekenplaat) voor deze verkeersinbreuken (telastleggingen A en C) bij toepassing van artikel 65 Wegverkeerswet een onmiddellijke inning aangeboden zijn dewelke niet betaald werd. Na een herinnering werd door het openbaar ministerie een minnelijke schikking voorgesteld dewelke eveneens niet betaald werd. Vervolgens ging het openbaar ministerie over tot dagvaarding voor de telastleggingen A, B en C.
  3. De verweerster werd bij verstekvonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 17 juni 2020 schuldig verklaard voor alle haar ten laste gelegde feiten en veroordeeld. Tegen dit verstekvonnis werd verzet aangetekend en bij vonnis op verzet van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 oktober 2020, werd verweerster opnieuw schuldig verklaard voor alle haar ten laste gelegde feiten en veroordeeld. Verweerster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis op verzet. Het bestreden vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 juni 2021, sprak verweerster vrij van de feiten onder de telastleggingen A, B en C op grond van gerede twijfel. Het bestreden vonnis motiveerde haar beslissing als volgt: "Bij toepassing van artikel 67bis Wegverkeerswet wordt een inbreuk op de Wegverkeerswet en haar uitvoeringsbesluiten vermoed te zijn begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel. De rechter ten gronde beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de gegevens die door beklaagde worden aangebracht tot tegenbewijs. Beklaagde betwist dat zij het voertuig MITSUBISHI SPACE STAR bestuurde op het ogenblik van de feiten. Zij verklaart nooit een onmiddellijke inning te hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat uit niets blijkt dat beklaagde na de vaststellingen door de verbalisanten in kennis werd gesteld van de haar ten laste gelegde verkeersrechtelijke inbreuken. Het gegeven dat het proces-verbaal door de verbalisanten op 1 oktober 2018 digitaal werd overgemaakt aan de dienst verkeersboetes te Brussel en dat deze dienst vervolgens de documenten aanmaakt en verstuurt naar de overtreder, zoals de verbalisanten stellen in hun navolgend proces-verbaal AN94.LB.494074/21, bewijst niet dat beklaagde als overtreder in kennis werd gesteld van de haar ten laste gelegde inbreuken. Er ligt geen bewijs van verzending voor van een onmiddellijke inning dan wel een afschrift van het aanvankelijk proces-verbaal met antwoordformulier, zodat beklaagde alleszins nooit in staat was om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten kenbaar te maken aan de verbalisanten. Thans, meer dan tweeënhalf jaar na de feiten, kan dit van beklaagde evenmin worden verwacht, net als van enig ander redelijk persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden. Bovendien stelt de rechtbank vast dat beklaagde op geen enkel ogenblik werd verhoord, dan wel werd uitgenodigd voor een verhoor door de verbalisanten. In die omstandigheden wordt beklaagde vrijgesproken van de feiten onder de tenlasteleggingen A, B en C, op grond van gerede twijfel.” I. Het middel
  4. Eiser voert de schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 62, lid 1, en 8, Wegverkeerswet, artikel 65 Wegverkeerswet en artikel 11 van het KB van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake wegverkeer. In zijn memorie schetst de eiser vooreerst het geautomatiseerde werkproces voor de afhandeling van een “onmiddellijk inning” van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer, en de (niet onbelangrijke) rol die Bpost als externe partner hierin vervult bij het beheer van de briefwisseling, de verzending van het afschrift van het proces-verbaal, de onmiddellijke inning, de rappel van de onmiddellijke inning, de minnelijke schikking en de financiële opvolging van de betalingen
(1). Dit werkproces betreft de zogenaamde “Crossborder” procedure. De grote meerwaarde van “Crossborder” ligt volgens eiser in het feit dat de politie en de parketten ontlast zouden worden doordat een externe partner de administratieve afhandeling van de onmiddellijke inningen overneemt. In onderhavige zaak betrof het een onmiddellijke inning die voorgesteld werd voor een overtreding begaan door een persoon met een woonplaats of vaste verblijfplaats in België die niet werd onderschept. Aan de hand van schermafdrukken uit het computersysteem van het parket (MaCH) schetst eiser het verloop van het strafdossier, waaruit zou blijken dat zowel het aanvankelijk proces-verbaal, de onmiddellijke inning, de rappel van de onmiddellijke inning én de minnelijke schikking van het openbaar ministerie door Bpost werden verzonden aan verweerster. Uit de gevoegde schermafdrukken blijkt volgens eiser dat de door bpost verwerkte zendingen konden afgeleverd worden “aangezien in het computersysteem MaCH de retourcode niet is ingevuld”. De status van betalingen wordt eveneens door Bpost verzameld en digitaal overgemaakt aan het computersysteem MaCH. Bij de memorie werden kopieën gevoegd van de aan verweerster verzonden documenten. Verder verduidelijkt eiser dat in de verzonden documenten de overtreder, indien hij dit wenst, via de website www.verkeersboetes.be of het in de documenten vermelde callcenter een betwistingsformulier kan opvragen, invullen en versturen naar Bpost en waarin hij desgevallend de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten kenbaar kan maken. Bpost zorgt dan voor het overmaken van het formulier naar Justitie. Gelet op de mogelijkheden tot betwisting of aanvulling van het proces-verbaal is het niet noodzakelijk dat met het afschrift van het proces-verbaal ook een antwoordformulier aan de overtreder wordt verzonden, noch dat de titularis van de nummerplaat wordt uitgenodigd voor verhoor. Eiser stelt dat de rechtbank, door te eisen dat de kennisgeving van de overtreding anders dan door de verzending van de voormelde stukken moet gebeuren, een proces-verbaal met antwoordformulier moet worden verzonden en de beweerde overtreder moet worden uitgenodigd voor verhoor, ten onrechte voorwaarden toevoegt aan de in het middel vermelde wetsbepalingen. Tevens zou de rechtbank de motiveringsplicht miskennen door zelf niet aan te geven hoe het bewijs van de kennisgeving dan wel moet worden geleverd. Uit het door eiser geschetste overzicht van het verloop van het strafdossier zou aldus blijken dat “de wetgeving betreffende de onmiddellijke inning correct werd nageleefd” en de rechtbank zou de stukken van het strafdossier miskennen. 4. Voor zover eiser aanvoert dat de aan zijn memorie gehechte stukken (schermafdrukken uit MaCH en kopieën van de aan verweerster verzonden documenten) deel zouden uitmaken van het strafdossier, vereist dit een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ik kan enkel vaststellen dat uit de motivering van het bestreden vonnis af te leiden is dat deze stukken klaarblijkelijk niet gevoegd zijn aan het strafdossier en de bodemrechter hiervan klaarblijkelijk geen kennis kon nemen, hetgeen de beoordeling van de aangevoerde bewijsmiddelen uiteraard bemoeilijkt. 5. De wettelijke basis voor de (geautomatiseerde) informatie-uitwisseling van bepaalde gerechtelijke gegevens tussen de politiediensten en Bpost (voorheen “De Post”) en de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen voorgesteld door de politiediensten, ligt niet vervat in artikel 65 Wegverkeerswet of artikel 11 van het KB van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake wegverkeer. De rechtsgrond voor de (geautomatiseerde) informatieoverdracht tussen de politiediensten en Bpost werd gecreëerd door de wet houdende diverse bepalingen van 27 december 2005
(2)en de daarop volgende uitvoeringsbesluiten. Bij artikel 10 van deze wet werd artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (Wet Politieambt) aangevuld met een vijfde lid, luidende: "De Koning bepaalt de gegevens en informatie die eveneens mogen worden meegedeeld aan DE POST, onverminderd de toepassing van artikel 13, §3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, met het oog op de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat de modaliteiten van deze gegevensoverdracht bepaalt na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer." Artikel 44/1, vijfde lid, Wet Politieambt werd thans vervangen door artikel 44/11/11 Wet op het Politieambt
(3). De modaliteiten van deze geautomatiseerde informatieoverdracht werden uitgewerkt in het KB van 14 maart 2006 tot uitvoering van artikel 44/11/11 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt met het oog op de doorzending van bepaalde gegevens aan Bpost en houdende de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen, zoals gewijzigd bij KB van 28 juni 2017
(4). Artikel 2 van dit Koninklijk Besluit bepaalt de gegevens die kunnen worden meegedeeld aan Bpost en artikel 3 bepaalt dat deze gegevens enkel via een beveiligde lijn worden meegedeeld aan Bpost met het oog op: 1° het aanmaken van overschrijvingsformulieren met een gestructureerde mededeling en het geautomatiseerd printen of onder omslag brengen van deze documenten die conform de procedures onmiddellijke inning moeten worden toegezonden aan de overtreder; 2° het verzenden van de onder 1° bedoelde documenten; 3° betalingsopvolging en betalingsherinnering van de door de politiediensten voorgestelde onmiddellijke inningen; 3° /1 oprichting en beheer van een callcenter en een back office voor de behandeling van administratieve en financiële vragen inzake het verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom; 3° /2 oprichting en beheer van een website voor de betaling en betwisting van, alsmede het ter beschikking stellen van algemene informatie en de antwoorden op veel voorkomende vragen inzake, het verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom; 4° de gedetailleerde verslaggeving over de door Bpost verrichte handelingen, bedoeld onder de bepalingen 1°, 2°, 3°, 3° /1 en 3° /2, naar de politiediensten en de Federale Overheidsdienst Justitie. Iedere andere bewerking is verboden. De tussenkomst van Bpost in het “Crossborder” systeem betreft aldus een “outsourcing” (of onderaanneming) van een deel van de taken behorende tot de politiediensten en de politieparketten in het kader van de afhandeling van onmiddellijke inningen inzake verkeersboetes. De voormelde wettelijke regeling betreffende de informatieoverdracht van bepaalde gegevens naar Bpost en de taken die Bpost vervult, heeft het voorwerp uitgemaakt van diverse adviezen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (thans Gegevensbeschermingsautoriteit)
(5). Uit deze adviezen is mijns inziens af te leiden dat de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer gewezen heeft op het uitzonderlijk karakter van een overdracht van persoonsgegevens welke normaliter enkel en alleen ter beschikking zijn van politie- en veiligheidsdiensten en de gerechtelijke overheden, naar een openbare overheid, gelet op het gevoelige karakter van de over te dragen gegevens, maar dat de Commissie het principe van de gegevensoverdracht tussen politiediensten en Bpost aanvaardt, mits de nodige garanties inzake de bescherming van verwerkte persoonsgegevens en aan welke verplichtingen/sancties de onderaannemer zal gehouden zijn, bepaald worden. Ook het Grondwettelijk Hof sprak zich uit over artikel 44/11/11 Wet Politieambt en oordeelde in het arrest nr. 108/2016 van 14 juli 2016, dat artikel 44/11/11 Wet op het Politieambt geen onevenredige inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven vormt “gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling en rekening houdend, enerzijds, met de duidelijke beperking van de bevoegdheden die ter zake aan « Bpost » worden verleend en, anderzijds, met de beperkte draagwijdte van de gegevens die ter zake dienen te worden overgezonden”
(6). Ik achtte het nuttig deze regelgeving, de adviezen van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (thans Gegevensbeschermingsautoriteit) en het arrest van het Grondwettelijk Hof onder de aandacht te brengen, gezien een verdere outsourcing van taken van politie en parket en de verdere automatisering van gegevensoverdrachten naar een externe partner allerminst als een evidentie mag beschouwd worden en een degelijke wettelijke omkadering verdient. Bij dit alles wees de regering er trouwens op dat het ingerichte dienstenplatform van Bpost, naast de betalingsopvolging, eventuele betalingsherinnering, ook zal instaan voor de gedetailleerde verslaggeving naar de politiediensten over de door Bpost verrichte bewerkingen. De verslaggeving is noodzakelijk opdat er controle mogelijk is op de handelingen verricht door Bpost. Ten allen tijde moeten de bevoegde politionele en gerechtelijke autoriteiten immers kunnen weten hoe de gegevens werden verwerkt en moeten ze bijvoorbeeld kunnen controleren of wel degelijk alle voorstellen tot onmiddellijke inning verzonden zijn en of er geen manipulaties hebben plaatsgevonden
(7). Dit brengt mij tot onderhavige casus waarin de verweerster verklaarde nooit een onmiddellijke inning te hebben ontvangen. 6. Zoals reeds aangehaald wordt door eiser geen schending aangevoerd van de door mij geschetste regelgeving onder randnummer 5, maar wel van artikelen 62, lid 1, en 8, Wegverkeerswet, 65 Wegverkeerswet en artikel 11 van voormeld KB van 19 april 2014, waaraan de geschetste regelgeving trouwens geen afbreuk doet. In het bestreden vonnis verwijst de rechtbank naar artikel 67bis Wegverkeerswet. Artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat een afschrift van de processen-verbaal aan de overtreders wordt toegezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van vaststelling van de misdrijven. Indien de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, mag het afschrift van het proces-verbaal vervangen worden door de informatiebrief bedoeld in artikel 5 van de richtlijn 2015/413/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen. De krachtens artikel 62 Wegverkeerswet opgestelde processen-verbaal, waarvan een afschrift aan de overtreder aldus moet worden toegezonden binnen een termijn van 14 dagen van de datum van vaststelling van de misdrijven, hebben bijzondere bewijswaarde (artikel 62, lid 1 Wegverkeerswet). Bij afwezigheid van een tijdige toezending aan de overtreder van het proces-verbaal van overtreding verliest dit proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde, maar de erin vervatte vaststellingen blijven evenwel gelden als eenvoudige inlichtingen, waarvan de rechter de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt
(8). Uw Hof heeft geoordeeld dat de bijzondere bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel die de wet hecht aan deze processen-verbaal enkel geldt voor de persoonlijk door de opsteller binnen de perken van zijn bevoegdheidsopdracht gedane zintuigelijke vaststellingen betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden, met inbegrip van de vermelding dat een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder werd gezonden en van de datum waarop dit gebeurde
(9). Terecht merkt Bruggeman op dat indien deze datum niet vermeld wordt in het proces-verbaal de overtreder tijdens zijn verdediging kan aanhalen dat hij geen afschrift van het proces-verbaal heeft ontvangen en daardoor zijn rechten van verdediging geschonden zijn, hetgeen tot een vrijspraak kan leiden
(10). Wanneer op grond van artikel 65 Wegverkeerswet een onmiddellijke inning wordt voorgesteld aan een persoon met woonplaats of vaste verblijfplaats in België die niet wordt onderschept, bepaalt artikel 11 van voormeld KB van 19 april 2014 dat voor de inning van een som een verklarend document waarin de verschillende modaliteiten voor de betaling zijn opgenomen, naar de vermoedelijke of aangeduide overtreder wordt gestuurd, overeenkomstig de artikelen 67bis en 67ter Wegverkeerswet, tegelijkertijd met het afschrift van het proces-verbaal bedoeld in artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet. De geautomatiseerde informatieoverdrachten en de uitbesteding aan Bpost van de administratieve afhandeling van onmiddellijke inningen, doen geen afbreuk aan de in artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet en artikel 11 van het KB van 19 april 2014 vermelde verplichtingen tot tijdige verzending van een afschrift van het proces-verbaal en een verklarend document aan de overtreder. Tenzij het proces-verbaal met de vastgestelde verkeersinbreuken de vermelding inhoudt wanneer het afschrift werd verzonden - welke vermelding volgens de rechtspraak van het Hof bijzondere bewijswaarde heeft - beoordeelt de rechter op onaantastbare wijze op basis van de aan hem voorgelegde en aan tegenspraak onderworpen stukken van strafdossier, of en wanneer dit proces-verbaal naar de titularis van de nummerplaat werd verzonden. Artikel 67bis Wegverkeerswet houdt op zijn beurt het wettelijk maar weerlegbaar vermoeden in dat een overtreding met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon waarvan de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, door de titularis van de nummerplaat werd begaan. Artikel 67bis, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de houder van de kentekenplaat dit vermoeden kan weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of de titularis van de nummerplaat van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan, slaagt in de weerlegging van het op hem rustende vermoeden van schuld
(11). Uw Hof heeft eveneens geoordeeld dat het door artikel 67bis Wegverkeerswet ingevoerde vermoeden van toerekening niet kan worden ingeroepen tegen een overtreder aan wie het proces-verbaal van overtreding niet tijdig aan zijn woonplaats werd toegezonden
(12). Het lijkt mij dat de rechter bij zijn beoordeling of verweerster erin slaagt het door artikel 67bis Wegverkeerwet ingevoerde vermoeden van schuld te weerleggen, alle feitelijke gegevens in aanmerking kan nemen, waaronder de omstandigheid dat de titularis van de nummerplaat niet in kennis werd gesteld van de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken, hij aldus niet in staat was de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten kenbaar te maken en dit, gelet op het tijdsverloop, thans niet meer redelijkerwijze van hem kan worden verwacht. In zoverre het middel zou opkomen tegen deze feitelijke beoordelingen door de rechter, lijkt het mij niet ontvankelijk. 7. Uit bovenstaande blijkt het belang van het tijdig toezenden van een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder en, ingeval van een onmiddellijke inning, het verklarend document voorzien in artikel 11 van voormeld KB van 19 april 2014, dat tegelijkertijd met het afschrift van het proces-verbaal wordt toegezonden. Ingeval de door eiser geschetste “Crossborder” procedure wordt toegepast, lijkt het mij dat het aanvankelijk proces-verbaal niet zal (kunnen) vaststellen of en wanneer het afschrift van het proces-verbaal werd toegezonden aan de overtreder en naar welk adres, gezien deze verzending verzorgd wordt door Bpost. Het zal dan ook aan het openbaar ministerie toekomen om hieromtrent duidelijkheid te scheppen en alle nuttige bewijselementen voor te leggen aan de bodemrechter opdat deze laatste, met eerbiediging van het recht op tegenspraak, kan oordelen of de wettelijke bepalingen van artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet zijn nageleefd en het openbaar ministerie slaagt in zijn bewijslast. Hierbij kan gedacht worden dat het openbaar ministerie minstens, vooraleer over te gaan tot dagvaarding, naast het origineel proces-verbaal, aan het strafdossier een kopie voegt van de aan de overtreder toegezonden brief waarmee het afschrift van het proces-verbaal werd toegezonden, van het verklarend document en voorstel tot onmiddellijke inning, eventueel de navolgende herinneringsbrief en het voorstel tot minnelijke schikking en de eventuele herinnering
(13). Zoals hierboven reeds aangehaald, leid ik uit de motivering van het bestreden vonnis af dat dergelijke stukken niet gevoegd waren aan het strafdossier en de bodemrechter hiervan klaarblijkelijk geen kennis kon nemen. 8. Het is juist dat noch artikel 62, lid 1 en 8, Wegverkeerswet noch artikel 11 van voormeld KB van 19 april 2014 vereisen dat aan de overtreder een afschrift van het proces-verbaal met antwoordformulier wordt toegezonden of de overtreder dient uitgenodigd te worden voor een verhoor
(14). Het bestreden vonnis oordeelt evenwel niet dat dit nodig zou zijn, alvorens een overtreder te kunnen veroordelen voor de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken. Het bestreden vonnis oordeelt enkel dat verweerster erin slaagt het op haar rustende vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet te weerleggen bij gebrek aan bewijs van een verzonden afschrift van het aanvankelijk proces-verbaal met antwoordformulier en bij gebreke van verhoor dan wel uitnodiging tot verhoor. In zoverre lijkt het middel mij te berusten op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tot slot vereist de motiveringsplicht van de rechter vervat in artikel 149 Grondwet niet dat de rechter zelf aangeeft hoe het openbaar ministerie het bewijs moet leveren van de kennisgeving aan de titularis van de nummerplaat van de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken. Ik heb geen ambtshalve middelen en concludeer tot verwerping. ____________________________________
(1)over de onmiddellijke inningen : BRUGGEMAN, I., “De onmiddellijke inningen”, in X, Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, O 94 / 27 – O 94 / 117, Kluwer, 2017.
(2)BS 30 december 2005.
(3)Artikel 44/11/11 Wet Politieambt werd ingevoegd bij artikel 34 van de wet van 18 maart 2014 betreffende het politionele informatiebeheer en tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en het Wetboek van strafvordering (BS 28 maart 2014 (ed.2)) en gewijzigd bij artikel 23 van de wet van 22 mei 2019 houdende wijziging van diverse bepalingen wat het politionele informatiebeheer betreft (BS 19 juni 2019), en luidt: “Onverminderd artikel 13, § 3 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Controleorgaan, de persoonsgegevens en informatie die kunnen meegedeeld worden aan Bpost met het oog op de administratieve behandeling van de onmiddellijke inningen evenals de nadere regels van deze mededeling”.
(4)Het oorspronkelijk KB van 14 maart 2006 (BS 30 maart 2006) werd gewijzigd door het KB van 28 juni 2017 (BS 30 juni 2017), volgens het verslag aan de Koning om volgende redenen:
  1. voor de omzetting van de Richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheids-gerelateerde verkeersovertredingen; om de informatiestroom die voortvloeit uit voormelde richtlijn vlotter te laten verlopen, zal de procedure voor de inning van de verkeersboetes vereenvoudigd worden, door de aanpassing van onder andere de volgende punten: o Versturen van de brieven door de politieparketten (in plaats van de geïntegreerde politie) o Verdere automatisering van het beheer van de dossiers o Outsourcing van een deel van de taken van het politieparket naar een callcenter en een back office van Bpost o Website voor het beheer van informatie en de betaling van de verkeersboetes.
  2. voor de uitvoering van het KB van 1 september 2016 dat het zesde beheerscontract tussen de Staat en de naamloze vennootschap van publiek recht Bpost goedkeurt: overeenkomstig artikel 35 (i) van het zesde beheerscontract tussen de Staat en Bpost, moet Bpost instaan voor de administratieve en financiële behandeling van boetes op grond van de modaliteiten bepaald in een uitdiepingsovereenkomst tussen de Bpost en de Staat. Om zoveel mogelijk administratieve lasten weg te nemen bij de politiediensten, werd Bpost door de uitdiepingsovereenkomst van 29 maart 2006 belast met het ter beschikking stellen van een dienstenplatform aan de politiediensten met het oog op de administratieve behandeling van de door de diverse politiediensten voorgestelde onmiddellijke inningen. (zie Verslag aan de Koning bij het KB van 28 juni 2017 (BS 30 juni 2017)).
(5)Zie onder meer de adviezen nr. 16/2005 van 19 oktober 2005, nr. 02/2006 van 18 januari 2006, nr. 46/2014 van 11 juni 2014, nr. 52/2014 van 3 september 2014, en nr. 31/2017 van 14 juni 2017, www.gegevensbeschermingsautoriteit.be.
(6)GwH 14 juli 2016, nr. 108/2016, randnummer B.99.5.3, www.const-court.be.
(7)Verslag aan de Koning bij KB van 14 maart 2006 (BS 30 maart 2006).
(8)Cass. 12 december 2017, AR P.17.07888.N, AC 2017, nr. 709.
(9)Cass. 16 september 2014, AR P.13.1871.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140916.5, AC 2014, nr. 527.
(10)BRUGGEMAN, I., “De onmiddellijke inningen”, in X, Postal Memorialis. Lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, O 94 / 108, Kluwer, 2017.
(11)Cass. 29 september 2015, AR P.14.0900.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.3, AC 2015, nr. 561; Cass. 22 oktober 2013, AR P.13.0040.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3, AC 2013, nr. 539.
(12)Cass. 12 december 2017, AR P.17.0888.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.5, AC 2017, nr. 709.
(13)Inzake het vaststellen van de toestand van herhaling heeft uw Hof geoordeeld dat de voeging van een uittreksel uit het centraal strafregister, van een niet-getekend afschrift van het vonnis waarop de herhaling gsteund is en van twee schermafdrukken van een door de griffie gebruikt computerprogramma waartoe ook het openbaar ministerie toegang heeft, niet volgt dat de appelrechters noodzakelijk moeten aannemen dat vaststaat dat het desbetreffende vonnis is uitgesproken en dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft (Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0454.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7, AC 2021, nr. 363 en ).
(14)Ik merk op dat het model van informatiebrief als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2015/413/EU dat overeenkomstig artikel 62, achtste lid, Wegverkeerswet kan toegezonden worden indien de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wel nog een antwoordformulier omvat. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211207.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140916.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171212.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.