← België

D. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.3 Rolnummer: C.20.0341.N Zaak: D. contra L. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-28 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-19 15:02 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.3 Fiches 1 - 4 Wanneer de partij die de procedure eerst bij een gerecht van een lidstaat aanhangig heeft gemaakt, zich er in een later aanhangig gemaakte procedure voor het gerecht van een andere lidstaat toe verbindt om afstand te doen van het geding in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, maar zij vervolgens nalaat die afstand van geding uit te voeren, zodat geen einde komt aan de procedure in de lidstaat van het eerst aangezochte gerecht, blijven de aanhangigheidsregels krachtens artikel 19 Brussel IIbis-Verordening gelden en blijft de situatie van litispendentie voortbestaan zodat het laatst aangezochte gerecht de partijen naar het eerst aangezochte gerecht moet verwijzen, wanneer de bevoegdheid van dit gerecht vaststaat, zoniet zou dit leiden tot parallelle procedures met mogelijk tegenstrijdige beslissingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANHANGIG GEDING Vrije woorden: Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Vrije woorden: Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel IIbis-verordening - Regels van aanhangigheid - Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Brussel IIbis-verordening - Regels van aanhangigheid - Aanhangige procedure in een Lidstaat - Later aanhangig gemaakte procedure in een andere Lidstaat - Voorgenomen afstand van de eerste procedure - Geen uitvoering van de afstand - Gevolg Wettelijke bepalingen: EG-Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - 27-11-2003 - Art. 19, tweede en derde lid Tekst van de conclusie C.20.0341.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier 1. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat medio 2018 tussen partijen relationele moeilijkheden ontstonden. Eiseres legde in die context op 2 juli 2018 een verzoekschrift neer voor de jeugdrechtbank te Monza (Italië) tot het verkrijgen van het exclusief verblijfsrecht met opschorting van de contacten met de vader, alsook tot het bekomen van een financiële regeling. Op 20 juli 2018 legde verweerder een verzoekschrift neer voor de familierechtbank van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel met het oog op de toekenning van het exclusief ouderlijk gezag, het hoofdverblijf en een financiële regeling voor het kind. Hangende deze procedure legden partijen op 16 oktober 2018 een akkoordconclusie neer voor de familierechtbank te Brussel. Deze akkoordconclusie werd bij akkoordvonnis van 24 oktober 2018 bekrachtigd en eiseres verbond er zich aldus toe afstand van geding en van vordering te laten acteren voor de Italiaanse rechter. Hierna vertrok eiseres met het kind naar Italië en kreeg verweerder zijn dochter niet meer te zien. Op 22 maart 2019 legde verweerder op grond van de blijvende saisine van de familierechtbank overeenkomstig artikel 1253ter/7Gerechtelijk wetboek, bij de familierechtbank te Brussel een verzoek neer tot vaststelling van de zaak. Bij vonnis van 25 juli 2019 verwijst de rechter partijen naar de rechtbank te Monza voor verdere behandeling en dit in toepassing van artikel 19, derde lid van de Brussel IIbis-Verordening
(1). Op het hoger beroep van verweerder oordeelt de appelrechter echter dat de Belgische rechtbanken wel rechtsmacht hebben zodat er geen reden is om overeenkomstig artikel 19, derde lid Brussel IIbis-Verordening partijen te verwijzen naar de Italiaanse rechtbank, nu eiseres onvoorwaardelijk afstand van geding heeft gedaan en zij zich minstens vanaf datum van het akkoordvonnis niet meer kan beroepen op het bestaan van de voorheen ingeleide procedure voor de Italiaanse rechtbank om de internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken af te wijzen. Tegen dit arrest van 25 februari 2020 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres 1 middel aan, waarin zij de appelrechter verwijt met dit oordeel de Brussel IIbis Verordening te schenden nu de afstand van geding niet werd vastgesteld door de Italiaanse rechter. Bespreking Het middel doet de vraag rijzen of de proceshouding van een partij, erin bestaande dat die partij een door haar in de tweede lidstaat aangegaan akkoord tot afstand van geding i.v.m. ouderlijke verantwoordelijkheid in de eerste lidstaat niet nakomt, kan verhinderen dat die partij nog beroep mag doen op de eerdere aanhangigmaking in de eerste lidstaat en er dus toe leidt dat de toepassing van de regels van aanhangigheid van artikel 19, lid 2 en 3, Brussel IIbis-Verordening uitgeschakeld worden. Deze vraag lijkt mij, in het licht van wat volgt, ontkennend te moeten worden beantwoord. 2.1. Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, krachtens artikel 19, lid 2 van de Brussel IIbis-Verordening, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid vaststaat van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Wanneer die bevoegdheid vaststaat verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht de partijen, overeenkomstig artikel 19, lid 3 van die Verordening, naar dat gerecht. De partij die de procedure aanhangig maakte bij het laatst aangezocht gerecht kan dan die vordering aanhangig maken bij het eerst aangezocht gerecht. Deze regels van aanhangigheid hebben tot doel parallelle procedures en mogelijk onverenigbare uitspraken te vermijden en kaderen volledig binnen de geest van de Brussel IIbis-Verordening die steunt op de basisbeginselen van samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen rechterlijke instanties van verschillende lidstaten, die moeten leiden tot een wederzijdse erkenning (van rechtswege) van rechterlijke beslissingen
(2). Om problemen op het gebied van aanhangigheid op te lossen beoogde de Uniewetgever een duidelijke en afdoende regeling die gebaseerd is op de chronologische volgorde waarin de zaak bij de gerechten is aangebracht. Deze aanhangigheidsregels hebben een dwingend karakter, wat gerechtvaardigd wordt door het voormeld doel ervan
(3). Deze basisbeginselen van samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen lidstaten vinden ook hun reflectie in artikel 24 Brussel IIbis-Verordening dat verbiedt dat gerechten van lidstaten de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst toetsen
(4). In dit licht vermeldt ook overweging 21 van de Brussel IIbis-Verordening dat “de erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen gebaseerd dienen te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven.” Het beginsel van samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen lidstaten wordt, ook door het Hof van Justitie
(5), zo fundamenteel geacht dat, zelfs bij schending van de aanhangigheidsregels, de eerst aangezochte rechter de definitief geworden beslissing van de laatst aangezochte rechter op grond van dit wederzijds vertrouwen en het vermoeden van juiste toetsing van de bevoegdheidsregels, moet erkennen. Dit wordt geïllustreerd door het arrest van 16 januari 2019
(6)waar in de zaak die toen voorlag eerst een procedure in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voor de Italiaanse rechtbank aanhangig was gemaakt en, terwijl die eerste procedure nog aanhangig was, een tweede procedure voor de Roemeense rechtbank werd ingeleid. Deze rechtbank velde in het kader van die tweede procedure een definitief geworden vonnis, in strijd met artikel 19, lid 2, van de Verordening, op grond waarvan hij als laatst aangezochte gerecht zijn uitspraak moest aanhouden totdat de bevoegdheid van de Italiaanse rechtbank, het eerst aangezochte gerecht, vaststond. In het kader van de eerste procedure weigerde de Italiaanse rechter het Roemeense definitieve vonnis dan ook te erkennen wegens strijdigheid met de openbare orde, krachtens de artikelen 22, a), en 23, a), Brussel IIbis-Verordening, nu dit vonnis de aanhangigheidsregels had miskend. Het Hof van Justitie oordeelde echter dat “de aanhangigheidsregels van artikel 19 van Verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer in het kader van een geding betreffende huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen de laatst aangezochte rechter in strijd met deze regels een beslissing geeft die definitief is geworden, zij zich ertegen verzetten dat de gerechten van de lidstaat van de eerst aangezochte rechter om die enkele reden weigeren deze beslissing te erkennen. In het bijzonder vormt deze schending van de aanhangigheidsregels op zich geen rechtvaardiging voor de weigering om die beslissing te erkennen wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde van die lidstaat”. Die vermeende schending van artikel 19 vormde dus geen grond voor het eerst aangezochte gerecht om te weigeren een beslissing van het laatst aangezochte gerecht te erkennen wegens schending van de aanhangigheidsregels, omdat het eerstgenoemde gerecht anders de bevoegdheid van dat laatstgenoemde gerecht zou toetsen. 2.2. De situatie van litispendentie in de zin van artikel 19 van de Brussel IIbis-Verordening en dus het risico op mogelijk onverenigbare uitspraken, blijft voortduren zolang geen einde is gekomen aan één van de procedures die voor de gerechten van verschillende lidstaten aanhangig zijn. Dit wordt verduidelijkt in het arrest van 6 oktober 2015 waarbij Het Hof van Justitie
(7), werd geconfronteerd met een echtscheiding die in een eerste procedure voor het Franse gerecht werd aangebracht, en waarbij de bevoegdheid bij beschikking door die rechter kwam vast te staan waarna de zaak vervolgens in een tweede procedure voor het gerecht van het Verenigd Koninkrijk werd aangebracht. Vlak daarna kwam een einde aan de eerste, voor de Franse rechter aangebrachte, procedure doordat de bepalingen van de beschikking kwamen te vervallen omdat binnen de geldende termijn geen dagvaarding was uitgebracht. De zaak werd vervolgens in een derde procedure opnieuw voor het Franse gerecht aanhangig gemaakt. Het Hof van Justitie oordeelde dat “van litispendentie evenwel pas sprake kan zijn als de tussen dezelfde partijen ingestelde procedures die betrekking hebben op echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, gelijktijdig bij rechters van verschillende lidstaten aanhangig zijn. Wanneer twee procedures bij rechters van verschillende lidstaten zijn ingesteld, verdwijnen, als aan één ervan een einde komt, het risico op onverenigbare uitspraken en bijgevolg de situatie van litispendentie in de zin van artikel 19 van verordening nr. 2201/
  1. Hieruit volgt dat, zelfs als de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak eerst is aangebracht, lopende de eerste procedure is komen vast te staan, de litispendentie niet langer bestaat en die bevoegdheid dus niet vaststaat. Dat is het geval wanneer een einde komt aan de procedure bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Op dat tijdstip wordt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht dan het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” en dat “in een situatie waarin aan de procedure voor het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, in de eerste lidstaat een einde kwam nadat de zaak bij het tweede gerecht in de tweede lidstaat aanhangig was gemaakt, niet langer is voldaan aan de criteria voor aanhangigheid en bijgevolg de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, moet worden geacht niet vast te staan”. In de zaak die voorlag werd het gerecht van de tweede lidstaat (Verenigd Koninkrijk) dus het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, ten gevolge van de beëindiging van de procedure in de eerste lidstaat (Frankrijk). De rechter van de eerste lidstaat (Frankrijk), waarbij de zaak in een derde procedure opnieuw aanhangig was gemaakt, moest zijn uitspraak dus ambtshalve aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht van het Verenigd Koninkrijk vaststond en partijen desgevallend naar dat gerecht verwijzen, krachtens artikel 19, lid 2 en 3, Brussel IIbis-Verordening. 2.
  2. Uit wat voorafgaat volgt dat de situatie van litispendentie en dus het risico op tegenstrijdige beslissingen slechts verdwijnen wanneer één van de bij gerechten van verschillende lidstaten aanhangige procedures effectief wordt stopgezet. Pas als de procedure voor de eerst aangezochte rechter daadwerkelijk beëindigd wordt, is niet langer voldaan aan de criteria voor litispendentie en wordt de bevoegdheid van het gerecht waarvoor de zaak het eerst is aangebracht, geacht niet vast te staan. Slechts in dat geval wordt de tweede procedure voor de laatst aangezochte rechter chronologisch de eerste procedure t.o.v. een derde procedure die opnieuw zou worden ingesteld voor de oorspronkelijk eerst aangezochte rechter. Zolang dit niet het geval is, blijven de aanhangigheidsregels van artikel 19 Brussel IIbis-Verordening echter gelden. De doelstelling om parallelle procedures en mogelijk tegenstrijdige beslissingen te vermijden, blijft dan immers primeren. De voorrang van de eerst aangezochte rechter blijft dus voortduren voor zover hij zich niet onbevoegd heeft verklaard, na zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 17 van Verordening nr. 2201/2003 verplicht te hebben getoetst in iedere fase van de procedure
(8). 2.4. Toegepast op de zaak die voorligt is de beslissing van de appelrechter moeilijk te verzoenen met voormelde aanhangigheidsregels en de eraan ten grondslag liggende doelstelling. Vooreerst stelt de appelrechter zelf vast dat de procedure in de eerste lidstaat (Italië) in realiteit werd voortgezet en aldaar nog hangende is. In het licht van het eerder vermeld arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2015
(9)bestaat dus nog steeds een situatie van litispendentie en bijgevolg een risico op tegenstijdige uitspraken, nu er geen effectief einde is gekomen aan de procedure in de eerste lidstaat (Italië). Zolang de voor de Belgische rechter (beloofde) afstand van geding niet effectief wordt uitgevoerd in die eerste lidstaat, blijft de situatie van aanhangigheid voortbestaan. De eerst aangezochte Italiaanse rechter, die zijn internationale bevoegdheid bij vonnis van 18 oktober 2018 had vastgesteld, wordt dan verder bevoegd geacht. Ook na het akkoordvonnis van 24 oktober 2018 tot afstand van het geding, geveld door de Belgische rechter bleef de procedure voor de Italiaanse rechter verder lopen nu
(1)eiseres de overeengekomen afstand van geding niet uitvoerde in Italië, en
(2)de Italiaanse rechter de erkenning van dit akkoordvonnis weigerde en zich in het verdere verloop van de procedure verder bevoegd achtte als eerst aangezochte rechter. Bij gebrek aan erkenning kon dit Belgische akkoordvonnis dus niet worden afgedwongen voor de Italiaanse rechtbank. Wanneer zoals de appelrechter oordeelt, enerzijds de procedure in de eerste lidstaat blijft verderlopen maar anderzijds met die procedure geen rekening meer zou mogen gehouden worden in de tweede lidstaat ten gevolge van de proceshouding van een partij, leidt dit tot een impasse van parallelle procedures en mogelijk tegenstrijdige uitspraken, wat de Uniewetgever met de invoering van de aanhangigheidsregels in artikel 19 Brussel IIbis-Verordening en in het licht van de er aan ten grondslag liggende doelstellingen, juist heeft willen vermijden. De redenering van de appelrechter dreigt partijen dan ook precies in zulke patstelling van tegenstrijdige beslissingen te doen belanden. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt immers dat de eerste procedure voor de Italiaanse rechter bleef doorlopen en uitmondde in een vonnis van 16 mei 2019 waarbij het exclusief hoederecht aan de moeder werd toegekend en een eindvonnis op 19 december 2019, waarin aan de moeder het exclusief hoederecht en de exclusieve uitoefening van de ouderlijke macht in Italië wordt toegekend. Het bezoekrecht van de vader wordt opgeschort, het is voor de vader verboden om met het kind Italië te verlaten en de vader dient een onderhoudsbijdrage te betalen. De appelrechter in België oordeelt echter dat – ter beteugeling van de proceshouding van de eiseres – geen rekening mag worden gehouden met deze eerste procedure in Italië, waarna de maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid opnieuw ten gronde worden beoordeeld. Dit leidt tot een oordeel dat volledig tegenstrijdig is met de beslissingen van de Italiaanse rechter nu de appelrechter beslist dat partijen het ouderlijk gezag gezamenlijk moeten uitoefenen, het kind het hoofdverblijf bij de vader heeft in België, de moeder het kind onder verbeurte van een dwangsom terug naar België moet brengen, het kind een secundair verblijf bij de moeder heeft van maximum vijf aaneengesloten dagen en dit uitsluitend uit te oefenen op het Belgisch grondgebied. 2.5. Uit wat voorafgaat volgt dat wanneer de proceshouding van een partij, die mogelijks deloyaal kan worden bevonden, ertoe leidt dat geen einde komt aan de procedure voor de eerst aangezochte rechter in de eerste lidstaat, deze proceshouding op zich onvoldoende is om de aanhangigheidsregels te doorbreken. Er kan immers niet anders dan rekening worden gehouden met die nog verderlopende procedure zodat de situatie van litispendentie blijft bestaan. Gezien dus ook het risico op tegenstrijdige uitspraken blijft bestaan blijven de aanhangigheidsregels gelding hebben De appelrechter was in de gegeven omstandigheden dus verplicht om, ondanks de niet-uitvoering van het akkoord over de afstand van geding, partijen krachtens artikel 19, lid 3, Brussel IIbis-Verordening naar de Italiaanse rechter te verwijzen. De zaak is daar in realiteit namelijk nog aanhangig en de bevoegdheid van deze eerst aangezochte rechter staat dus nog vast. Bovendien lijkt de weigering door de appelrechter om rekening te houden met de procedure voor de eerst aangezochte rechter in de eerste lidstaat, om de enkele reden dat werd nagelaten de aangegane verbintenis tot afstand van het geding, mij niet verenigbaar met voormeld artikel 24 Brussel IIbis-Verordening dat de gerechten van de lidstaten verbiedt de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst te toetsen. De Belgische rechter die, in het kader van de permanente saisine de vonnissen van de Italiaanse rechter naast zich neerlegt op de grond dat deze wegens deloyale niet-uitvoering van het akkoord van afstand van geding in Italië, niet meer bevoegd zou zijn, toetst immers de bevoegdheid van die Italiaanse rechter. Ten slotte kan de appelrechter zich evenmin beroepen op prorogatie van rechtsmacht, in de zin van artikel 12, lid 3, Brussel IIbis-Verordening, om te weigeren rekening te houden met de voor de Italiaanse rechter aanhangige procedure, doordat deze in strijd met het akkoordvonnis zou zijn voortgezet. Voornoemd artikel 12, lid 3, bepaalt dat de gerechten van een lidstaat ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid van het kind, indien het kind een nauwe band met die lidstaat heeft en indien de bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. Deze prorogatie van rechtsmacht vormt een uitzondering op de algemene regel dat de rechtbank van de gewone verblijfplaats van het kind internationale rechtsmacht heeft over zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid, krachtens artikel 8 Brussel IIbis-Verordening
(10). Voor zover de familierechtbank te Brussel, zijn bevoegdheid in het akkoordvonnis van 24 oktober 2018 heeft gesteund op prorogatie van rechtsmacht, - want volgens de aanhangigheidsregels had de familierechtbank partijen moeten verwijzen naar de Italiaanse rechter-, geldt dit forumakkoord in geen geval meer in de huidige rechtspleging, waarbij de zaak in het kader van de permanente saisine op grond van artikel 1253ter/7 Gerechtelijk Wetboek opnieuw werd vastgesteld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat de permanente saisine voor de familierechtbank slechts een vereenvoudigde wijze van aanhangigmaking van dezelfde zaak betreft nadat reeds een eindvonnis is gewezen, in zaken waarin de hoogdringendheid wordt verondersteld. De zaken blijven ingeschreven op de rol van de familierechtbank opdat zij in geval van nieuwe elementen opnieuw voor de familierechtbank gebracht kunnen worden middels conclusies of schriftelijk verzoek. De bedoeling is om de toegang tot de rechter te vergemakkelijken en een betere continuïteit van de gerechtelijke procedure te verzekeren
(11). Een nieuwe vaststelling van de zaak in het kader van de permanente saisine betreft dus een nieuwe aanhangigmaking van de zaak bij het gerecht, in de zin van artikel 16 Brussel IIbis-Verordening. Indien na een eindvonnis waarin de familierechtbank zijn internationale rechtsmacht heeft aanvaard, die familierechtbank opnieuw wordt aangezocht op basis van de blijvende saisine, moet hij (zelfs ambtshalve) zijn internationale rechtsmacht opnieuw onderzoeken door zich te plaatsen op de datum van de nieuwe aanhangigmaking, conform artikel 17 Brussel IIbis-Verordening
(12). Met betrekking tot een prorogatie van rechtsmacht krachtens artikel 12, lid 3, Brussel IIbis-Verordening oordeelt het Hof van Justitie
(13)dat deze “slechts geldt voor de specifieke procedure die aanhangig is gemaakt bij het gerecht ten gunste waarvan zij heeft plaatsgevonden en vervalt ten gunste van het gerecht dat krachtens artikel 8, lid 1, van die verordening over een algemene bevoegdheid beschikt, op het moment waarop de procedure die aan de prorogatie van bevoegdheid ten grondslag ligt, definitief wordt beëindigd”, d.i. wanneer “in die procedure een beslissing definitief is geworden”. Het Hof van Justitie oordeelde toen in een zaak waar een akkoord i.v.m. de ouderlijke verantwoordelijkheid werd voorgelegd aan de Spaanse rechter. Deze was niet internationaal bevoegd op basis van artikel 8 Brussel IIbis-Verordening, nu het kind zijn gewone verblijfplaats in Engeland had. De Spaanse rechter was echter wel bevoegd op basis van het akkoord tussen de ouders. Enkele maanden na de Spaanse beslissing die het akkoord tussen de ouders bevestigde, stelde de moeder een vordering in voor de rechter in Engeland tot wijziging van dit akkoord. Zij wilde de regeling over het verblijf en het contact van het kind laten veranderen. De vraag rees of de prorogatie van de Spaanse rechter nog altijd gold. Het Hof van Justitie oordeelde dat de prorogatie vervalt wanneer de beslissing in de specifieke aanhangige procedure definitief is geworden. De moeder kon nadien dus een procedure instellen in Engeland, waar het kind zijn gewone verblijfplaats had, op grond van artikel 8 Brussel IIbis-Verordening. Hieruit volgt dat wanneer de familierechtbank een definitief geworden eindvonnis velt, de betreffende procedure definitief wordt beëindigd, ook al blijft de zaak op de rol ingeschreven in toepassing van de permanente saisine. De prorogatie van rechtsmacht zal dus slechts gelden in die specifieke procedure en vervalt na het definitief worden van het eindvonnis dit is te dezen het akkoordvonnis Wanneer om een nieuwe vaststelling van dezelfde zaak wordt verzocht op basis van de permanente saisine, betreft dit een nieuwe aanhangigmaking van een nieuwe procedure, waarvoor de eerdere prorogatie van rechtsmacht niet meer zal gelden. In die zin kan de redenering in de memorie van antwoord, namelijk dat het Belgische gerecht zich ook in de huidige rechtspleging in het kader van de permanente saisine internationaal bevoegd mocht achten op grond van het forumakkoord van 24 oktober 2018, dat ook zou gelden in deze rechtspleging, niet gevolgd worden. Hierbij kan trouwens worden opgemerkt dat de appelrechter de internationale rechtsmacht van de Belgische rechter overigens niet steunt op de prorogatie van bevoegdheid krachtens artikel 12, lid 3, Brussel IIbis-Verordening, maar wel op de algemene regel van artikel 8 van die verordening, namelijk het hoofdverblijf van het kind in België, dit evenwel na het doorbreken van de aanhangigheidsregels. 2.6. De appelrechter die geen toepassing heeft gemaakt van artikel 19, derde lid BrusselIIbis-Verordening, heeft met andere woorden zijn beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel komt gegrond voor. Eiseres besluit tot de vernietiging zonder verwijzing, minstens en voor zoveel als nodig, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep. Hoewel het op het eerste zicht lijkt dat de verwijzingsrechter, ingeval van een vernietiging met verwijzing, enkel kan vaststellen dat hij geen internationale rechtsmacht heeft en hij slechts kan bevestigen dat de eerste rechter in het vonnis a quo van 25 juli 2019 partijen terecht naar de Italiaanse rechter heeft verwezen, krachtens artikel 19, lid 3, Brussel IIbis-Verordening, kan hij evenwel meer doen dan dat. Anders dan de appelrechter heeft gedaan zou de verwijzingsrechter wel acht kunnen slaan op het eindvonnis van 19 december 2019 van de rechtbank te Monza en nagaan of dit vonnis definitief is geworden waardoor de procedure voor de Italiaanse rechter definitief werd beëindigd en er geen litispendentie meer bestaat die vereist dat partijen naar de Italiaanse rechtbank worden verwezen op grond van artikel 19, lid 3, Brussel IIbis -Verordening. De verwijzingsrechter zou dan de mogelijkheid hebben op incidentele wijze uitspraak te doen over de erkenning van dit definitief geworden vonnis krachtens artikel 21, lid 1, Brussel IIbis-Verordening. Ingeval een cassatie zonder verwijzing wordt uitgesproken zal dit eiseres nopen tot het inleiden van een nieuwe procedure voor de familierechtbank tot erkenning van het definitief geworden vonnis
(14). Conclusie: Cassatie met verwijzing. ______________________________
(1)Verordening(EG) nr.2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van Verordening(EG) nr.1347/2000.
(2)HvJ 9 november 2010, C-296/10, Purrucker; HvJ 6 oktober 2015, C-489/14, A. t. B; HvJ 15 februari 2017, C-499/15, W. t. X; Hvj 16 januari 2019, C-386/17, Liberato.
(3)HvJ 9 november 2010, C-296/10, Purrucker; HvJ 6 oktober 2015, C-489/14, A. t. B; Hvj 16 januari 2019, C-386/17, Liberato.
(4)HvJ 16 januari 2019, C-386/17, Liberato met conclusie advocaat-generaal Bot.
(5)HvJ 9 november 2010, C-296/10, Purrucker; HvJ 6 oktober 2015, C-489/14, A. t. B; HvJ 15 februari 2017, C-499/15, W. t. X; Hvj 16 januari 2019, C-386/17, Liberato.
(6)HvJ, 16 januari 2019, C-386/17 Liberato
(7)HvJ, 6 oktober 2015, C-489/14, A t. B.
(8)Conclusie van 6 september 2018 advocaat-generaal BOT bij C-386/17, r.o.58.
(9)HvJ, 6 oktober 2015, C-489/14, A t. B.
(10)T. KRUGER, “Internationale ouderlijke verantwoordelijkheid” in Personen- en familierecht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2015, nrs. 45 en 59.
(11)Wetsvoorstel betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank, Parl.St., Kamer, 2010-2011, nr. 53, 0682/001, p. 16 en 60.
(12)P. SENAEVE “Hoofdstuk VI. De blijvende saisine van de familierechtbank” in P. SENAEVE (ed.), Handboek Familieprocesrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 332, nr. 575-1.
(13)HvJ, 1 oktober 2014, C-436/13, E. t. B. bevestigd in HvJ 15 februari 2017, C-499/15, W, V. t. X.
(14)T. KRUGER, “Internationale ouderlijke verantwoordelijkheid” in Personen- en familierecht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2015, nr. 92. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.