id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.6 Rolnummer: C.18.0060.N Zaak: D. contra J. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-01-28 Raadplegingen: 804 - laatst gezien 2026-06-19 12:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.6 Fiches 1 - 2 De rechter kan na de beëindiging van de wettelijke samenwoning geen dringende en voorlopige maatregel opleggen die gesteund is op de hulpplicht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTELIJKE SAMENWONING Vrije woorden: Beëindiging - Dringende en voorlopige maatregelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1477, §§ 2 en 3, en 1479, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Vrije woorden: Wettelijke samenwoning - Beëindiging - Dringende en voorlopige maatregelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1477, §§ 2 en 3, en 1479, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Wanneer een partij in hoger beroep aangeeft het niet eens te zijn met de, in overeenstemming met het voorstel van de andere partij, in eerste aanleg aangewezen notaris oordeelt de rechter onaantastbaar over de aanwijzing van de notaris, met in achtneming van de belangen van de partijen en de vereisten van onpartijdigheid en objectiviteit van de notaris
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: Gevorderde boedelbeschrijving - Aanstelling door de eerste rechter van de door een partij voorgestelde notaris - Geen akkoord van de tegenpartij - Taak van de rechter in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1178 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 11, p. 419-
- - VAN DEN BROECK, Ariadne; Noot'Onderhoudsuitkering na wettelijke samenwoning' T.Fam.-Tijdschrift voor familierecht - 2023, nr. 5, p. 133-
- - DE SCHRUJVER, Lynn; Noot'Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning' Tekst van de conclusie C.18.0060.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat partijen op 1 juni 2013 een verklaring van wettelijke samenwoning aflegden. Op 10 augustus 2016 legde verweerster een eenzijdige verklaring af houdende de beëindiging van de wettelijke samenwoning op grond van artikel 1476, §2, (Oud) BW. Deze verklaring werd op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Beveren aan de eiser betekend op 18 augustus
- Bij verzoekschrift van 12 augustus 2016, dus binnen de termijn van drie maanden na de beëindiging van de wettelijke samenwoning, verzocht verweerster de familierechtbank met toepassing van artikel 1479 (Oud) BW om toekenning van een aantal dringende maatregelen. Bij vonnis van 9 november 2016 kende de rechtbank in toepassing van artikel 1479 (Oud) BW en artikel 1253ter/5 Ger.W. onder meer de volgende maatregelen toe: - notaris Katherine De Wispelaere, met standplaats te Merksem, werd belast, met machtiging zich te laten bijstaan door een notaris van haar keuze bevoegd in het rechtsgebied, met het opstellen van een getrouwe inventaris van al de goederen, schulden, baten en lasten zowel van de partijen als van hun huwgemeenschap” - eiser werd veroordeeld, onder aftrok van de reeds betaalde bedragen, voor de periode vanaf 1 september 2016 tot 1 september 2017 tot betaling aan verweerster van een maandelijks onderhoudsgeld van 1.500,00 euro, voor haar persoonlijk, te betalen telkens vooraf ten laatste op de 1ste dag van elke maand en dit ten huize van verweerster. Op het hoger beroep van eiser oordeelt de appelrechter met betrekking tot bovenvermelde punten enerzijds dat eiser veroordeeld wordt “tot betaling van een persoonlijke onderhoudsuitkering tijdens de echtscheidingsprocedure aan mevrouw Jonghmans: - voor de periode van 01.09.2016 tot 30.06.2017: 1.000,00 euro per maand, te betalen elke eerste dag van de maand, betaalbaar in haar handen” en anderzijds dat er onvoldoende redenen worden opgegeven waarom een andere notaris dient aangesteld te worden. Tegen dit arrest van 14 maart 2017 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiser twee middelen aan.
- Bespreking 2.
- Eerste middel 2.1.
- De wetgever heeft slechts een beperkt aantal rechten en verplichtingen uit het primair huwelijksstelsel toepasselijk gemaakt op de wettelijk samenwonenden. Naast de bescherming van de gezinswoning en de principiële hoofdelijkheid voor de schulden ten behoeve van het samenwonen of voor de opvoeding van de kinderen betreft dit een evenredige bijdrage in de lasten van het samenwonen
(1). Tussen de wettelijk samenwonende partners bestaat derhalve krachtens artikel 1477, §3 Oud Burgerlijk wetboek een bijdrageplicht in die zin dat zij gehouden zijn bij te dragen in de lasten van het samenleven, naar evenredigheid van hun mogelijkheden
(2). Deze bijdrageplicht wordt in principe in natura uitgevoerd in de gemeenschappelijke woonplaats
(3)en inhoudelijk stemmen deze lasten van het samenleven overeen met de lasten van het huwelijk uit artikel 221 Oud Burgerlijk wetboek. Het gaat over alle kosten in verband met de organisatie en het functioneren van de samenwoning
(4). Samenwonende partners genieten echter in vergelijking met gehuwden een beperkte sociale bescherming. Tijdens het samenwonen zijn de partners er immers niet toe gehouden elkaar te laten delen in hun levensstandaard, nu er anders dan tijdens het huwelijk
(5), tussen hen geen hulpplicht bestaat
(6). Ook over de vraag of de wettelijke bijdrageplicht blijft bestaan wanneer de partners feitelijk gescheiden leven, bestaan in de rechtsleer uiteenlopende standpunten. De meerderheidsstrekking stelt evenwel dat uit niets blijkt dat de wetgever een onderscheid heeft willen maken tussen de bijdrageplicht uit het huwelijk en die uit de wettelijke samenwoning, waardoor de bijdrageplicht doorloopt tijdens de feitelijke scheiding tot aan de ontbinding van de wettelijke samenwoning
(7). Samenwonende partners doen er dus goed aan een conventionele regeling uit te werken via een samenwoningscontract waardoor de wettelijke lacune geremedieerd wordt en solidariteit tussen de samenwonenden wordt gerealiseerd, ook na het beëindigen van de samenwoning
(8). Immers, indien de wettelijke samenwoning op eenzijdige verklaring wordt ontbonden, zoals gebeurde in de zaak die voorligt, kunnen de ex-wettelijke samenwonenden weliswaar binnen de drie maanden na de beëindiging van de wettelijke samenwoning de familierechtbank vatten om dringende en voorlopige maatregelen te vorderen krachtens artikel 1479 Oud Burgerlijk wetboek, en algemeen wordt aangenomen dat ook de partner op wiens initiatief de wettelijke samenwoning werd beëindigd dergelijke maatregelen kan vragen
(9), maar in rechtspraak en rechtsleer worden uiteenlopende standpunten verdedigd over de aard en de omvang van deze maatregelen, onder andere met betrekking tot de mogelijkheid om een persoonlijke onderhoudsbijdrage van de gewezen partner te vorderen als voortgezette bijdrageplicht of op een andere grond. Waar aanvankelijk het standpunt werd verdedigd dat er voor de familierechtbank geen wettelijke grondslag bestaat om na beëindiging van de wettelijke samenwoning een uitkering toe te kennen gebaseerd op de bijdrageverplichting tijdens de wettelijke samenwoning
(10)en deze bijdrageplicht dus onherroepelijk ophoudt na de beëindiging van de wettelijke samenwoning, werd gaandeweg verdedigd dat artikel 1479 Oud Burgerlijk wetboek een autonome bepaling is en de verlenging in de tijd van de wettelijke bijdrageplicht past binnen het begrip ‘maatregelen die ingevolgde de beëindiging gerechtvaardigd zijn’ zoals vooropgesteld in dat artikel
(11). Aldus wordt artikel 1479 Oud Burgerlijk wetboek als autonome grondslag aanzien om dergelijke uitkering toe te kennen na de beëindiging van de wettelijke samenwoning. Er wordt immers op gewezen dat waar het primair samenwoningsrecht ophoudt te bestaan bij het einde van de samenwoning, -net zoals het primair huwelijksvermogensrecht in de regel duurt tot het beëindigen van het huwelijk-, er toch niet mag aan voorbijgegaan worden dat het beëindigen van een wettelijke samenwoning veel eenvoudiger is dan de beëindiging van een huwelijk en een samenwonende eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst een einde kan stellen aan de wettelijke samenwoning. De samenwoner verliest dus van de ene dag op de andere de geboden wettelijke bescherming
(12). De dringende maatregelen die de rechter dan kan nemen zijn er niet op gericht het samenwonen te reguleren maar wel de afwikkeling ervan gedurende een beperkte overgangsperiode te organiseren. Voor het toekennen van een onderhoudsbijdrage aan de partner zouden een precaire financiële toestand en billijkheidsoverwegingen
(13)een belangrijke rol spelen
(14). Het gaat hierbij echter, zoals hiervoor gezegd, enkel over de bijdrageplicht die kan worden voortgezet. De ex-partner kan geenszins aanspraak maken op de levensstandaard – moest deze levensstandaard al gedeeld zijn – van tijdens de wettelijke samenwoning
(15). Er is aldus tijdens noch na de beëindiging van de wettelijke samenwoning sprake van enige hulpplicht. 2.1.2. In de zaak die voorligt heeft eiser het principe van het toekennen van een dergelijke uitkering na het beëindigen van de wettelijke samenwoning, op zich niet betwist. Hij betwistte in hoger beroep enkel de duurtijd van de door de eerste rechter getroffen maatregel nu die zich uitstrekte over een periode van meer dan één jaar en de financiële noodzaak voor de verweerster om een dergelijke persoonlijke onderhoudsbijdrage te vorderen. De appelrechter kende aan verweerster een tijdelijke uitkering toe gedurende een beperkte termijn van tien maanden die haar moet toelaten nadien zelf een hoger inkomen te verwerven. In de mate dat wordt aangevoerd dat de appelrechter het beschikkingsbeginsel miskent door het voorwerp van de vordering te wijzigen, in de zin van het gevraagde economisch of moreel resultaat
(16)zoals volgt uit de rechtspraak van Uw Hof
(17), dient te worden vastgesteld dat de opgelegde onderhoudsuitkering zich bevindt tussen de twee door partijen voorgestelde uitersten in
(18). In die omstandigheden wijzigt de appelrechter niet het voorwerp van de vordering maar kent hij enkel de eis gedeeltelijk toe en schendt hij aldus het beschikkingsbeginsel niet
(19). In de mate dat eiser aanvoert dat de appelrechter met zijn oordeel impliciet maar zeker beslist dat partijen zich in een nog hangende echtscheidingsprocedure bevinden terwijl er tussen partijen geen betwisting bestond over het feit dat zij wettelijk samenwoonden en verweerster deze wettelijke samenwoning heeft beëindigd en zij derwijze slechts aanspraak kan maken op dringende en voorlopige maatregelen in de zin van artikel 1479, derde lid Oud Burgerlijk wetboek, voert eiser daarbij een rechtsregel aan op grond van wettelijke bepalingen en besluit hij tot schending van die bepalingen niet op grond van vaststellingen of het gebrek aan vaststellingen van de appelrechter maar uitsluitend op grond van het verweer dat partijen in conclusie voor de feitenrechter voerden. Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat het middel in die omstandigheden niet kan worden aangenomen
(20). 2.
- Tweede middel 2.2.
- Eiser voert in het tweede middel aan dat het recht om een notaris te kiezen toekomt aan partijen en hieruit voortvloeit dat ofwel de partijen onderling akkoord zijn, in welk geval de rechter de partijen naar deze notaris dient te verwijzen, ofwel de partijen niet akkoord zijn, in welk geval de rechter een andere, onpartijdige notaris dient aan te stellen. De rechter kan in dit laatste geval echter niet volstaan met het verwijzen van partijen naar één van de door partijen voorgestelde notarissen. 2.2.
- Indien er geen akkoord is tussen partijen omtrent de aan te stellen notaris beschikt te rechter over een keuzebevoegdheid die “discretionair” of “‘onaantastbaar” wordt geacht
(21). Die keuze mag evenwel niet arbitrair zijn
(22). De rechter zal hierbij rekening moeten houden met de betrokken belangen, en vervolgens de notaris(sen) aanstellen die het best geplaatst is (zijn) om de opdracht te volbrengen, in alle onpartijdigheid, objectiviteit en met het vertrouwen van de partijen
(23). Een door de rechter aangestelde notaris dient daarbij niet alleen de onpartijdigheid te waarborgen zoals voorzien in artikel 9 van de wet op het notarisambt, maar ook de vereiste objectieve onpartijdigheid voorzien door artikel 6 van het EVRM
(24). Aldus zal een notaris zijn aanwijzing dienen te weigeren als hij reeds is opgetreden als notaris-raadgever van één van de partijen of kennis heeft van de geschillen van de partijen
(25). De rechter zal bij de aanstelling in de mate van het mogelijke rekening houden met de desiderata van de partijen nu de notaris niet enkel een juridisch-technische rol opneemt maar ook een bemiddelende rol tussen partijen, welke taak uiteraard fel bemoeilijkt wordt indien er een aanvaardingsprobleem bestaat. In die zin zal de rechter, ingeval van het ontbreken van een akkoord, in de regel rekening houden met de mening van de meerderheid van de partijen
(26). Wanneer er evenwel, zoals in de zaak die voorligt, geen meerderheid is, maar één partij een notaris voorstelt en de niet-verschijnende partij zich later tegen deze aanstelling verzet, dient de feitenrechter in concreto na te gaan welke elementen de vereiste onpartijdigheid in het gedrang kunnen brengen. Het is evenwel niet zo dat de rechter, los van al dan niet aangevoerde argumenten, steeds een “derde” notaris dient aan te stellen van zodra één van de partijen zich verzet tegen een door de andere partij voorgestelde notaris. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser zich verzet tegen de aanstelling van de notaris die door verweerster werd voorgesteld maar hij hiervoor geen enkel argument aanvoert. Hij meldt enkel in het kader van dit verweer dat het kantoor van de aangestelde notaris in de buurt ligt van het kantoor van de raadsman van verweerster. Dit objectief gegeven is op zich niet van aard de onpartijdigheid van de notaris in twijfel te trekken zodat de appelrechter die oordeelt dat eiser onvoldoende redenen opgeeft waarom een andere notaris dient te worden aangesteld en dit verweer verwerpt, zijn beslissing naar recht verantwoordt. Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. ____________________
(1)Parl. St. Senaat, Wetsontwerp tot invoering van de wettelijke samenwoning, Doc. Nr.1-916/5.
(2)S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichtingen tussen samenwonenden in Overzicht van rechtspraak familierecht”, TPR 2012,
(1507)2047, nr. 1010; S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 149.
(3)S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 149.
(4)S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 149.
(5)Zie bv. P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nrs. 1458-1469.
(6)R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2018, nr. 626; S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichtingen tussen samenwonenden in Overzicht van rechtspraak familierecht”, TPR 2012,
(1507)2047, nr. 1010; S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 148; P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nrs. 1470-1471.
(7)N. DANDOY, “Les effets alimentaires de la vie en couple” in J. HAUSER en J.-L. RENCHON, Différenciation ou divergence des statuts juridiques du couple marié et du couple non marié, Brussel, Bruylant, 2005,
(59)75; S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 150. Zie ook S. EGGERMONT, “De afwikkeling van de samenwoningsrelatie” in P. SENAEVE et al. (eds.), De beëindiging van de tweerelatie, Antwerpen, Intersentia, 2012,
(253)263. Contra: P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nr. 1471.
(8)DE SCHRIJVER, L., Wettelijke samenlevingsovereenkomsten – 2021, 216.
(9)L. DESCHRIJVER en P. SENAEVE, “Artikel 1479” in Artikelsgewijze commentaar personen- en familierecht, Mechelen, Kluwer, 2015,
(1)9, nr. 13.
(10)V. ALLAERTS, “Samenwoningsrecht” in Patrimonium, Antwerpen, Intersentia, 2006,
(141)145, nrs. 242-243; S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichtingen tussen samenwonenden in Overzicht van rechtspraak familierecht”, TPR 2012,
(1507)2048, nr. 1011; N. DANDOY, “Les effets alimentaires de la vie en couple” in J. HAUSER en J.-L. RENCHON, Différenciation ou divergence des statuts juridiques du couple marié et du couple non marié, Brussel, Bruylant, 2005,
(59)75-76; N. DANDOY, “Les effets alimentaires après la rupture du couple non marié” in Le statut juridique du couple marié et du couple non marié en droits belge et français, I, Brussel, Larcier, 2012,
(351)360, nr. 589; B. DELAHAYE et al., La cohabitation légale, Brussel, Larcier, 2013, 108, nr. 85; C. DECLERCK, “Huwen of samenwonen?” – Enkele familiaal vermogensrechtelijke aspecten” in Leuvense notariële geschriften, Gent, Larcier, 2010,
(61)65, nr. 9; J. FIERENS, “Les conflits du couple cohabitant et la cessation de la cohabitation légale” in Familles: union et désunion. Commentaire pratique, Mechelen, Kluwer, 2019, 27, nr. 2.9; E. GOOSSENS, “Samenwoningsvermogensrecht” in W. PINTENS et al. (eds.), Patrimonium, Antwerpen, Intersentia, 2011,
(63)69-70; P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nr. 1780; F. SWENNEN, “Alimentatie tussen partners” in C. FORDER en A. VERBEKE (eds.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?, Antwerpen, Intersentia, 2005, 304, nr. 64. Eerder afwijzend: N. TORFS, “Feitelijke en wettelijke samenwoning” in H. CASMAN en M. VAN LOOCK (eds.), Huwelijksvermogensrecht, XXIV, Mechelen, Kluwer, 2015,
(5)19, nr. 18.
(11)Zie: L. DESCHRIJVER en P. SENAEVE, “Artikel 1479” in Artikelsgewijze commentaar personen- en familierecht, Mechelen, Kluwer, 2015, nr. 48; I. DOM, “Solidariteit tussen feitelijk samenwonende partners?”, Not.Fisc.M. 2018,
(30)32, nr. 8; S. EGGERMONT, “De afwikkeling van de samenwoningsrelatie” in P. SENAEVE et al. (eds.), De beëindiging van de tweerelatie, Antwerpen, Intersentia, 2012,
(253)nr. 424; S. EGGERMONT, "Dringende voorlopige maatregelen over vennootschapsgoederen na wettelijke samenwoning" (noot onder Vred. Zelzate 7 juli 2009), RW 2012-13,
(629)630-632; S. EGGERMONT, Tweerelaties, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 248; Y.-H. LELEU, Droit des personnes et des familles, Brussel, Larcier, 2020, nrs. 431-432; G. VERSCHELDEN, “Grondwettelijk Hof verlengt maximumduur van maatregelen na beëindiging wettelijke samenwoning”, Juristenkrant 2018, afl. 380,
(8)9; B. VINCK, “Overzicht van rechtspraak (2000-2012). De wettelijke samenwoning”, T. Fam. 2012,
(196)202, nr. 22in fine. Zie voorzichtig: N. GALLUS, “L’union libre” in Droit des personnes et des familles, chronique de jurisprudence, Dossier JT, Brussel, Larcier, 2012, 266, nr. 364 (vgl. voordien: N. GALLUS, “L’union libre” in Droit des personnes et des familles, chronique de jurisprudence, Brussel, Larcier, 2006, nr. 306); A. HUGÉ, “Union libre, cohabitation légale et mariage: comparaison pratique” in La famille dans tous ses états, Luik, JBL, 2008,
(33)56, nr. 2.2; G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch Familierecht, Brugge, die Keure, 2010, nr.
- Zie ook: A. HEYVAERT, “Het statuut van de samenwoners” in Advocaten Praktijk, Antwerpen, Kluwer, 2001, nrs. 52 en
- Zie impliciet: R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2018, nr. 628.
(12)R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2018, nr. 633-634.
(13)Zie E. GOOSSENS, “Samenwoningsvermogensrecht” in W. PINTENS et al. (eds.), Patrimonium, Antwerpen, Intersentia, 2011,
(63)70; N. TORFS, “Feitelijke en wettelijke samenwoning” in H. CASMAN en M. VAN LOOCK (eds.), Huwelijksvermogensrecht, XXIV, Mechelen, Kluwer, 2015,
(5)19, nr. 18.
(14)L. DESCHRIJVER en P. SENAEVE, “Artikel 1479” in Artikelsgewijze commentaar personen- en familierecht, Mechelen, Kluwer, 2015, nr. 48. Zie ook: A. HEYVAERT, “Het statuut van de samenwoners” in Advocaten Praktijk, Antwerpen, Kluwer, 2001, nrs. 52 en 54.
(15)L. DESCHRIJVER en P. SENAEVE, “Artikel 1479” in Artikelsgewijze commentaar personen- en familierecht, Mechelen, Kluwer, 2015, nr. 48.
(16)Concl. van advocaat-generaal KRINGS voor Cass. 24 november 1978, AC 1978-79, 343. G. CLOSSET-MARCHAL, “Les pouvoirs respectifs du juge et des parties dans la détermination de l'objet et de la cause de la demande” (noot onder Cass. 8 februari 2001), TBBR 2002,
(447)nr. 10; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit de Liège, 1987, nr. 54; B. MAES, “De bepaling van het voorwerp van de vordering tijdens het burgerlijk geding” in J. LINSMEAU en M. STORME (eds.), De respectievelijke rol van de rechter en partijen in het burgerlijk geding, Brussel, Bruylant, 1999,
(50)nr. 3; J. VAN COMPERNOLLE, “L'office du juge et le fondement du litige” (noot onder Cass. 9 oktober 1980), RCJB 1982,
(14)nr. 7.
(17)Concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN voor Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3, AC 2019, nr. 447; Cass. 9 maart 2018, AR C.17.0517.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 14 december 2017, voltallige zitting, AR C.16.0296.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5, AC 2017, nr. 713.
(18)Zie Cass. 9 februari 1998, AR S.96.0169.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980209.2 en S.96170.F, AC 1998, nr. 77.
(19)Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3, AC 2019, nr. 447
(20)Zie Cass. 25 april 2003, AR C.00.0368.N, arrest niet gepubliceerd.
(21)H. CASMAN, Précis du notariat, Brussel, Bruylant, 2011, 135; S. MOSSELMANS, “De vrije keuze van de boedelnotaris” (noot onder Vred. Roeselaere 28 mei 1996), RW 1997-98,
(995)997.
(22)J. DEMBLON, P. HARMEL, M. RENARD-DECLAIRFAYT en J.-F. TAYMANS, “Acte notarié” in Rép. Not., XI, Le droit notarial, Livre 7, Brussel, Larcier, 2002, nr. 52.
(23)Vgl. J. LEDOUX en D. STERCKX, “La réforme du notariat et des actes notariés”, JT 2000,
(209)211 (“L’impartialité dont doit faire preuve le notaire commis est semblable à celle du notaire choisi librement par les parties, encore que le notaire commis, auxiliaire obligé de justice, voit cette obligation renforcée par une exigence d’impartialité objective, au sens judiciaire de l’expression”).
(24)Deontologische code vastgesteld door de Nationale Kamer van notarissen, aangenomen door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van notarissen op 22 juni 2004, BS 3 november 2005, 47390; KB 21 september 2005 tot goedkeuring van de deontologische code vastgesteld door de Nationale Kamer van notarissen, BS 3 november 2005, 47389; Zie over de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM: EHRM 28 november 2000, nr. 36350/97, Siegel v. France, r.o. 38; Zie ook G. DE LEVAL, J.-F. VAN DROOGHENBROECK,- en F. GEORGES, “Le rôle du notariat dans le triptyque conflit-litige-procès” in Le défi du notaire, Brussel, Larcier, 2011,
(385)389-390; J. LEDOUX en D. STERCKX, “La réforme du notariat et des actes notariés”, JT 2000,
(209)211; J.-F. VAN DROOGHENBROECK, “Le notaire-liquidateur: désignation, rôle et compétence” in La nouvelle procédure de liquidation-partage judiciaire, Brussel, Bruylant, 2012,
(57)62-63.
(25)G. DE LEVAL, J.-F. VAN DROOGHENBROECK,- en F. GEORGES, “Le rôle du notariat dans le triptyque conflit-litige-procès” in Le défi du notaire, Brussel, Larcier, 2011,
(385)391. Zie contra J.-F. TAYMANS, “Quelques reflexions sur la mission du notaire commis par justice”, Rev.not.b. 1996
(374)376.
(26)C. CUISINIER, “Dix écueils en matière d’inventaire”, Rev.not.b. 2007,
(548)550-551. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211216.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980209.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div