← België

M. contra HUBISCO NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211220.3N.12 Rolnummer: S.20.0019.N Zaak: M. contra HUBISCO NV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-01-28 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-06-19 05:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211220.3N.12 Fiche 1 Uit de structuur en bewoordingen van de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek, samen gelezen met de wetsgeschiedenis, blijkt dat artikel 162, eerste lid, 1° Sociaal Strafwetboek wel van toepassing is op wat als loon verschuldigd is wegens de uitvoering of de schorsing van de dienstbetrekking, maar niet op vergoedingen die verschuldigd zijn omdat de dienstbetrekking een einde neemt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: Sociaal Strafwetboek - Artikel 162, eerste lid, 1° - Vergoedingen einde dienstbetrekking Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, eerste lid, 1° - 06 ELI link Pub nr 2010009589 Fiche 2 Uit de bepalingen van CAO nr. 109 betreffende de motivering van het ontslag volgt dat die CAO als dusdanig geen verbod van kennelijk onredelijk ontslag inhoudt en dat de werkgever zich niet eerder schuldig maakt aan het niet of niet volledig betalen van de in de CAO nr. 109 bedoelde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag dan nadat de rechter op vordering van de ontslagen werknemer heeft geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is en aan de werknemer op die grond een gepaste schadevergoeding heeft toegekend die overeenstemt met minimaal 3 en maximaal 17 weken loon
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Allerlei Vrije woorden: Kennelijk onredelijk ontslag - Verbod - Miskenning - Gevolg Wettelijke bepalingen: CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 1, tweede lid - 02 Link Justel databank 20140212-02 CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 8 - 02 Link Justel databank 20140212-02 CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 9 - 02 Link Justel databank 20140212-02 Fiche 3 De werknemer die aanvoert dat hij kennelijk onredelijk werd ontslagen en op die grond de toekenning van een schadevergoeding in het kader van artikel 9, § 2, CAO nr. 109 betreffende de motivering van het ontslag vordert, stelt geen vordering in wegens inbreuk op CAO nr. 109, maar vraagt slechts toepassing te maken van die collectieve arbeidsovereenkomst, zodat de betreffende vordering niet gegrond is op artikel 189 Sociaal Strafwetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Allerlei Vrije woorden: Kennelijk onredelijk ontslag - Schadevergoeding - Rechtsgrond Wettelijke bepalingen: Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 189 - 06 ELI link Pub nr 2010009589 CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 1, tweede lid - 02 Link Justel databank 20140212-02 CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 8 - 02 Link Justel databank 20140212-02 CAO nr. 109 van 12 februari 2014, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de motivering van het ontslag - 12-02-2014 - Art. 9 - 02 Link Justel databank 20140212-02 Nota: Artt. 1, tweede lid, 8 en 9 CAO nr. 109 betreffende de motivering van het ontslag, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 maart
  1. Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2022, n° 689, p.
  2. - GILSON, Steve; Note'Quel délai de prescription pour une demande de dommages et intérêts pour licenciement manifestement déraisonnable?' Tekst van de conclusie S.20.0019.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
  3. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, Afdeling Brugge, gewezen op 20 november
  4. Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
  5. Wat betreft het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in het eerste onderdeel is tweeledig. Vooreerst betreft dit de vraag of het artikel 162, eerste lid, 1° Sociaal Strafwetboek een ruimere toepassingsgebied kent dan het vroegere artikel 42, 1° Loonbeschermingswet
(1). Uit de vaste rechtspraak van uw Hof
(2)komt naar voor dat de strafbepaling van artikel 42, 1° niet van toepassing is voor opzeggingsvergoedingen en andere vergoedingen die door de werkgever verschuldigd zijn ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Eiser is van oordeel dat sedert de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek, en meer in het bijzonder artikel 162 van dit wetboek, de beteugeling ruimer is daar deze zich uitstrekt tot iedere vergoeding die als loon moet worden beschouwd in de zin van de Loonbeschermingswet. In dit standpunt betreft de strafbepaling dus thans ook sommen die voorheen uitgesloten waren zoals, bijvoorbeeld, de opzeggingsvergoeding. Een tweede aspect, van het eerste onderdeel, is de toepassing van artikel 189, eerste lid Sociaal Strafwetboek. Dit handelt over de beteugeling van inbreuken op algemeen verbindend verklaarde cao’s. In casu betreft het een toepassing van cao nr. 109. Eiser voert aan dat de door hem gestelde vordering tot schadevergoeding wegens een kennelijk onredelijk ontslag onder het toepassingsgebied valt van artikel 189 Sociaal Strafwetboek. b. Beoordeling. Wat betreft de vraag of artikel 162, eerste lid, 1° Sociaal Strafwetboek een ruimer toepassingsgebied heeft dan het artikel 42, 1° Loonbeschermingswet deel ik het standpunt van eiser niet daar het uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Het is inderdaad zo dat het artikel 42, 1° Loonbeschermingswet specificaties bevatte die thans niet terug te vinden zijn in het artikel 162 Sociaal Strafwetboek. Het artikel 42, 1° verwees zo, onder andere, naar de overtreding van de artikelen 3, 4, 5, 6, 9 tot 9quinquies, 11, 13, 14, 15, eerste lid, 18, 23 en 27 tot 34 van de Loonbeschermingswet. De afwezigheid van deze verwijzingen heeft evenwel niet tot gevolg dat er thans sprake is van een ruimere strafbaarstelling door het artikel 162 Sociaal Strafwetboek dan wat voorheen gold in toepassing van artikel 42, 1° Loonbeschermingswet. De Voorbereidende Werken van de wet laten desbetreffend geen twijfel bestaan. In het Wetsontwerp
(3)kan men lezen: “Artikelen 168, 1°, 169 en 170, stemmen overeen met de strafbepalingen voorzien onder artikel 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, dat een incriminatie door verwijzing bevat. Die wet omvat «(…) maatregelen die de rechthebbende verzekeren van de beschikking over zijn loon zodat hij kan voorzien in zijn levensonderhoud en in dat van zijn gezin» (Parl. stuk, Kamer, gew. zit., 1962-1963, nr.471, blz.1). …”
(4)De regelgever streefde, met het Sociaal Strafwetboek, aldus eenzelfde beteugeling na dan deze die voorzien was in artikel 42 van de Loonbeschermingswet. Dat men verder in het Wetsontwerp leest: “De indieners van het ontwerp willen artikel 168, 1°, een ruim toepassingsgebied even(sic)”
(5)werpt hier geen ander licht op. De wetgever streefde immers geen ruimere strafbaarstelling na dan deze die reeds bestond. Dit blijkt duidelijk indien men de opsomming, die volgt op het voormelde citaat, nader onderzoekt. De elementen die aangehaald worden onder de littera
  1. a)tot
  2. e)betreffen het geheel van handelingen die onder de toepassing van het toen nog geldende artikel 42, 1° Loonbeschermingswet vielen. In deze opsomming wordt tevens verwezen naar het gegeven dat thans, in de bepaling inbegrepen is, de jurisprudentiële invulling die uw Hof aan het artikel 42, 1° heeft gegeven. Dit heeft evenwel geen ruimer toepassingsgebied tot gevolg. Toegepast op onderhavig geschil betekent dit dat de opzeggingsvergoeding bepaald in artikel 39, §1, de vergoedingen voorzien in de artikelen 11/5 en 11/11 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en tot slot, de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, zoals geregeld in de cao nr. 109 niet onder het toepassingsgebied van artikel 162 Sociaal Strafwetboek vallen. Wat betreft het tweede aspect, zijnde artikel 189 Sociaal Strafwetboek. Uit de bepalingen van cao nr. 109 volgt dat een kennelijk onredelijk ontslag op zich geen inbreuk vormt op artikel 189 Sociaal Strafwetboek. Inderdaad de regelgeving verbiedt een dergelijk ontslag niet, maar verbindt hieraan wel financiële consequenties in hoofde van de werkgever. Ingevolge artikel 9, §1 cao nr. 109 is een werkgever een schadevergoeding verschuldigd aan een werknemer ingeval van kennelijk onredelijk ontslag. Het paragraaf 2 van hetzelfde artikel regelt de omvang van de schadevergoeding. Deze is minimaal 3 weken en maximaal 17 weken loon. Het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding heeft plaats op het ogenblik dat de rechter een toetsing doet van het gegeven of er inderdaad sprake is van een dergelijk ontslag in de zin van artikel 8 van de cao nr. 109. Het oordeel of er sprake is van een ontslag in de zin van artikel 8 gaat derhalve het bepalen van de schadevergoeding van artikel 9 vooraf. Een inbreuk op artikel 189 Sociaal Strafwetboek wegens het niet betalen van de schadevergoeding van artikel 9 kan zodoende niet samenvallen met het stellen van een vordering hiertoe. Het is slechts nadat de rechter de schadevergoeding heeft vastgesteld, en de beslissing op dit punt definitief is, dat het niet betalen ervan een inbreuk is op artikel 189 Sociaal Strafwetboek. De vordering tot het bekomen van de in artikel 9 cao nr. 109 vastgelegde schadevergoeding is dan ook geen vordering die gesteund is op artikel 189 Sociaal Strafwetboek. In zoverre de schending van artikel 189 Sociaal Strafwetboek wordt aangevoerd, kan het onderdeel niet worden aangenomen. De overig aangevoerde grieven zijn afgeleid en derhalve is het onderdeel in zoverre niet-ontvankelijk. 3. Wat betreft het tweede onderdeel Conclusie: Verwerping. _________________________________
(1)Het artikel 42, 1° Loonbeschermingswet werd opgeheven door artikel 109, 19°, b) van de wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek.
(2)Cass. (volt.) 5 december 1977, AC 1978, 403, concl. van (toenm.) advocaat-generaal H. LENAERTS; Cass. 25 januari 1988, AR nr. 5922, AC 1987-8, nr. 316; Cass. 29 februari 1988, AR nr. 8207, AC 1987-88, nr. 394.
(3)Wetsontwerp, Parl. St. Kamer 2008-2009, nr. 52-1666/001 – nr. 52.1667/001, p. 241.
(4)Het artikel 168 van het Wetsontwerp wordt uiteindelijk het artikel 162 Sociaal Strafwetboek.
(5)Wetsontwerp, Parl. St. Kamer 2008-2009, nr. 52-1666/001 – nr. 52.1667/001, p. 242. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211220.3N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211220.3N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.