← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 Rolnummer: P.21.1655.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 1018 - laatst gezien 2026-06-19 04:25 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Zij die van hun vrijheid zijn beroofd bij toepassing van de Voorlopige Hechteniswet en zij die van hun vrijheid zijn beroofd ter uitvoering van een hen opgelegde vrijheidsstraf bevinden zich in een fundamenteel verschillende rechtstoestand en de beide stelsels van vrijheidsberoving die autonoom van elkaar bestaan, dienen een ander doel, ze worden beheerst door andere verdrags- en wetsbepalingen

(1), ze zijn onderworpen aan andere voorwaarden, er gelden andere uitvoeringsmodaliteiten en over de beide vormen van vrijheidsberoving en het desgevallend beëindigen ervan wordt beslist volgens andere procedures en door andere overheden; daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis bij de beoordeling van de vereiste van de noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking het eventueel bestaan van een vrijheidsberoving in het kader van de strafuitvoering niet noodzakelijk moet betrekken.
(1)Zie Cass. 13 april 2021, AR P.21.0467.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.16, AC 2021, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Fiches 2 - 3 Uit artikel 5.3 EVRM volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld; of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, maar die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak en de duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van het onderzoeksgerecht daar gronden die aanvankelijk afdoende leken voor een handhaving door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking; bij de beoordeling van de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, kan het onderzoeksgerecht alle onderzoekshandelingen betrekken die noodzakelijk of nuttig zijn om het vonnisgerecht toe te laten uitspraak te doen over de strafvordering en die beoordeling is dan ook niet beperkt tot onderzoekshandelingen die louter ertoe strekken om de waarheid te achterhalen, maar kan ook slaan op opdrachten gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot desgevallend op te leggen straffen of maatregelen, zoals een moraliteitsonderzoek en het onderzoeksgerecht kan ook rekening houden met onderzoekshandelingen die betrekking hebben op andere inverdenkinggestelden, voor zover die informatie kunnen opleveren betreffende de inverdenkinggestelde over wiens voorlopige hechtenis moet worden beslist. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Fiche 5 De beoordeling van het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking vereist niet noodzakelijk dat het onderzoeksgerecht bij elke verschijning voor het onderzoeksgerecht een hernieuwde analyse maakt van het karakter en de gedragingen van de inverdenkinggestelde. Het onderzoeksgerecht kan oordelen dat een eerder gemaakte analyse haar actualiteit heeft behouden. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Tekst van de beslissing Nr. P.21.1655.N K B, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: deze bepaling schendt de artikelen 10, 11 en 12 Grondwet omdat ingeval van voorlopige hechtenis bij de beoordeling van de openbare veiligheid en het recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar er geen onderscheid wordt gemaakt naargelang een inverdenkinggestelde enkel van zijn vrijheid is beroofd in het kader van de voorlopige hechtenis dan wel dat hij bovendien van zijn vrijheid is beroofd in het kader van strafuitvoering; aangezien de eiser een straf uitzit, zal een opheffing van de voorlopige hechtenis niet tot zijn invrijheidstelling leiden; de reden die het arrest vermeldt om de gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet te stellen en met name het feit dat de eiser in dit dossier op het ogenblik dat lastens hem een bevel tot aanhouding werd verleend geen vrijheidsstraf onderging, kan niet gelden voor de beoordeling door het onderzoeksgerecht van de noodzaak van een verdere handhaving van de voorlopige hechtenis aangezien de eiser sinds 24 maart 2021 wel degelijk een vrijheidsstraf ondergaat. Aan het Grondwettelijk Hof moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schendt het art. 16, § 1 Voorlopige Hechtenis de artikelen 10, 11 en 12 van de grondwet wanneer bij het weerhouden van de openbare veiligheid dan wel de criteria van recidivegevaar, collusiegevaar, bewijzen laten verdwijnen en vluchtgevaar geen onderscheid maakt tussen inverdenkinggestelden die enkel van hun vrijheid zijn beroofd in het kader van de wet voorlopige hechtenis en inverdenkinggestelden die niet alleen van hun vrijheid beroofd zijn ingevolge van de wet voorlopige hechtenis doch ook in strafuitvoering zitten ?”
  4. Zij die van hun vrijheid zijn beroofd bij toepassing van de Voorlopige Hechteniswet en zij die van hun vrijheid zijn beroofd ter uitvoering van een hen opgelegde vrijheidsstraf bevinden zich in een fundamenteel verschillende rechtstoestand. De beide stelsels van vrijheidsberoving die autonoom van elkaar bestaan, dienen een ander doel, ze worden beheerst door andere verdrags- en wetsbepalingen, ze zijn onderworpen aan andere voorwaarden, er gelden andere uitvoeringsmodaliteiten en over de beide vormen van vrijheidsberoving en het desgevallend beëindigen ervan wordt beslist volgens andere procedures en door andere overheden.
  5. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat moet beslissen over de handhaving van de voorlopige hechtenis bij de beoordeling van de vereiste van de noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking het eventueel bestaan van een vrijheidsberoving in het kader van de strafuitvoering niet noodzakelijk moet betrekken.
  6. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht.
  7. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de motiveringsplicht inzake de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis volgt dat de aanwezigheid van een of meer gronden ter rechtvaardiging van de voorlopige hechtenis moet worden onderbouwd met behulp van de individuele omstandigheden eigen aan de zaak en dat algemene en abstracte overwegingen daartoe niet volstaan; het antwoord dat het arrest verstrekt op het in de appelconclusie van de eiser gevoerde redelijketermijnverweer kan noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden; het uitvoeren van een moraliteitsonderzoek staat los van de maatregelen die tot doel hebben de waarheid te achterhalen; de eiser werd al een jaar niet meer verhoord; er is geen kantschrift uitgeschreven tot verder onderzoek naar de eiser.
  9. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  10. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis moet op korte termijn beslissen, wat maakt dat het niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde moet antwoorden.
  11. Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
  12. Uit die verdragsbepaling die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
  13. Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  14. De beoordeling van de redelijkheid van de termijn mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak.
  15. De duur van de voorlopige hechtenis heeft een invloed op de motiveringsverplichting van het onderzoeksgerecht daar gronden die aanvankelijk afdoende leken voor een handhaving door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen.
  16. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking.
  17. Bij de beoordeling van de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, kan het onderzoeksgerecht alle onderzoekshandelingen betrekken die noodzakelijk of nuttig zijn om het vonnisgerecht toe te laten uitspraak te doen over de strafvordering. Die beoordeling is dan ook niet beperkt tot onderzoekshandelingen die louter ertoe strekken om de waarheid te achterhalen, maar kan ook slaan op opdrachten gericht op het verkrijgen van informatie met betrekking tot desgevallend op te leggen straffen of maatregelen, zoals een moraliteitsonderzoek.
  18. Bij de beoordeling van de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, kan het onderzoeksgerecht ook rekening houden met onderzoekshandelingen die betrekking hebben op andere inverdenkinggestelden, voor zover die informatie kunnen opleveren betreffende de inverdenkinggestelde over wiens voorlopige hechtenis moet worden beslist.
  19. De beoordeling van het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking vereist niet noodzakelijk dat het onderzoeksgerecht bij elke verschijning voor het onderzoeksgerecht een hernieuwde analyse maakt van het karakter en de gedragingen van de inverdenkinggestelde. Het onderzoeksgerecht kan oordelen dat een eerder gemaakte analyse haar actualiteit heeft behouden.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het bevel tot aanhouding en de beroepen beschikking en met eigen redenen onder meer als volgt: - de ernstige aanwijzingen van schuld zoals vermeld in het bevel tot aanhouding bestaan nog steeds en die hebben betrekking op de gijzeling van een minderjarige; - er bestaan nog steeds ernstige redenen om aan te nemen dat de eiser bij een invrijheidstelling nieuwe misdrijven zal plegen gelet op het feit dat hij blijk heeft gegeven van een ernstige mate van normvervaging en reeds eerder voor gewelddadige feiten werd veroordeeld, dat hij zich zou verstaan met derden gelet op het feit dat de betrokkene nog grondig dient te worden herverhoord en desgevallend met andere verdachten moet worden geconfronteerd, alsook dat er mogelijk nog bijkomende verdachten moeten worden opgespoord en verhoord, dat het verhoor van L.A. daartoe bepaalde elementen bevat, en ten slotte dat hij bewijselementen zou pogen te laten verdwijnen; - het gerechtelijk onderzoek kent spijts de langere duur ervan tot op de dag van de uitspraak van het arrest een normaal verloop waarbij de diverse onderzoekshandelingen zich zonder onaanvaardbare onderbreking regelmatig opvolgen; - de op 27 september 2021 door de onderzoeksrechter bevolen psychiatrische onderzoeken en de moraliteitsonderzoeken onder meer met betrekking tot de eiser zijn in uitvoering; - het grootschalig karakter en de complexiteit van het onderzoek, dat wordt gevoerd lastens meerdere verdachten en waarbij de onderzochte feiten gespreid over meerdere plaatsen delict zouden hebben plaatsgevonden, maken dat de redelijke termijn op de datum van het arrest niet is overschreden; - uit het enkele feit dat de eiser niet steeds het rechtstreeks voorwerp heeft uitgemaakt van een onderzoeksmaatregel, volgt niet noodzakelijk dat zijn voorlopige hechtenis niet of niet langer is verantwoord; - de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de verdachte, zoals die in het bevel tot aanhouding en in de beroepen beschikking zijn vermeld, maken omstandigheden uit die nog steeds bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser volstrekt noodzakelijk is; - om de vermelde redenen kan een voorlopige invrijheidstelling evenmin wordt toegestaan.
  22. Daaruit volgt dat het onderzoeksgerecht effectief en concreet het gevaar voor de openbare veiligheid en de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis onderzoekt en dit volgens een geactualiseerde en dus hernieuwde analyse van de voortgang van het onderzoek en de gevaren voor recidive, collusie en onttrekking en dit specifiek met betrekking tot de eiser, waarbij bovendien wordt vastgesteld dat geen alternatief voor de voorlopige hechtenis in de gevangenis voorhanden is. Aldus beantwoordt het arrest het door de eiser gevoerde verweer. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de voorlopige hechtenis uit te voeren in de gevangenis moet worden gehandhaafd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.