id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.6 Rolnummer: P.21.1421.N Zaak: F. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-01-06 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-06-19 04:20 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Bij toepassing van artikel 445, derde tot en met vijfde lid, Wetboek van Strafvordering beveelt het Hof dat een grond tot herziening wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken, wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een dergelijke herzieningsgrond; dit veronderstelt dat het aangevoerde gegeven, ook al staat de waarachtigheid ervan nog niet met zekerheid vast, op zichzelf van die aard is dat het enigszins aannemelijk is dat het de beoordeling had kunnen beïnvloeden op een wijze zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, maar wanneer het aangevoerde gegeven louter ertoe strekt aanvullend onderzoek te bevelen maar op zichzelf niet onbestaanbaar schijnt te zijn met de uitspraak noch het ernstige vermoeden doet ontstaan dat het de veroordeling op een doorslaggevende wijze had kunnen beïnvloeden, is het Hof ertoe verplicht de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond te verwerpen. Thesaurus CAS: HERZIENING - VERZOEK EN VERWIJZING OM ADVIES Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 443, eerste lid, 3°, en 445 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 443, eerste lid, 3°, en 445 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 De loutere omstandigheid dat personen tijdens de procedure die tot de veroordeling heeft geleid buiten de rechtszaal verklaringen afleggen waarvan niet blijkt noch wordt aangevoerd dat ze strijdig zijn met de verklaringen die zij op de rechtszitting hebben afgelegd of die laatste in een ander daglicht kunnen stellen, kan niet worden beschouwd als een grond tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: HERZIENING - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1421.N D F, verzoeker tot herziening, gedetineerd, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- T H,
- D V D,
- E D D,
- G B,
- M B,
- J B,
- S B,
- M B,
- J C,
- M H,
- C C,
- M H,
- W H,
- B V D,
- T V D,
- J V D, personen die zijn aangemaand tussen te komen in de procedure overeenkomstig artikel 444, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 10 november 2021 vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van de veroordeling die tegen hem is uitgesproken bij arresten van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 7 mei 2020 (arrest over de schuld) en van 8 mei 2020 (arrest over de straf). Bij dit verzoekschrift werden drie met redenen omklede gunstige adviezen gevoegd van mr. Carlos Teurelincx en mr. Tanja Smit, beiden advocaat bij de balie Antwerpen, en van mr. Carine Liekendael, advocaat bij de balie Brussel, die tien jaar of meer op de tabel zijn ingeschreven. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- De verzoeker werd bij arrest van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 7 mei 2020 schuldig verklaard aan roofmoord en bij arrest van datzelfde hof van 8 mei 2020 hiervoor veroordeeld tot 28 jaar opsluiting. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijken de volgende gegevens: - de verzoeker en de medebeschuldigde B S werden veroordeeld als uitvoerders van de roofmoord en aldus schuldig verklaard aan diefstal met geweld of bedreiging, gepleegd te Antwerpen in de nacht van 17 op 18 mei 2013 door twee of meer personen ten nadele van L D D, waarbij zij deze laatste opzettelijk hebben gedood om de diefstal te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren; - de medebeschuldigde P V werd veroordeeld als mededader van de voormelde diefstal met geweld of bedreiging omdat hij rechtstreeks of onrechtstreeks de verzoeker en de medebeschuldigde B S heeft gecontacteerd om de diefstal te plegen en hen hiervoor inlichtingen heeft verschaft, waarbij hij schuldig werd bevonden aan diefstal met geweld of bedreiging, gepleegd door twee of meer personen ten nadele van L D D, met de omstandigheid dat het geweld of de bedreiging werd gepleegd zonder het oogmerk om te doden en toch de dood van deze laatste heeft veroorzaakt; - de medebeschuldigde G W werd veroordeeld als mededader van de diefstal, zonder verzwarende omstandigheden, ten nadele van L D D, namelijk door het verschaffen van informatie over de kluis en het geld en het tonen van de ligging van de woning; - de schuld van de verzoeker aan de roofmoord werd door de jury in een doorslaggevende mate gebaseerd op de verklaringen van de medebeschuldigden P V en G W, waarbij de medebeschuldigde P V zelfincriminerende verklaringen aflegde nadat hij na de roofmoord werd afgeperst door de medebeschuldigde B S omdat bij de “mislukte en uit de hand gelopen diefstal” in de woning van L D D niet de verhoopte kluis met geld werd aangetroffen. III. BESLISSING VAN HET HOF Grond tot herziening
- Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- De verzoeker voert twee gegevens aan die volgens hem beantwoorden aan de voormelde criteria, namelijk: - een anonieme brief die op 2 juni 2020 werd ontvangen door verzoekers moeder met daarop de volgende tekst : “Anonieme vriend Dit is de ware moordenaar je heb 24 uur of verdwijnt haast u A 0467 75 19 17”; de verzoeker wijst erop dat het onderzoek naar deze anonieme brief heeft aangetoond dat de erin bedoelde persoon zich identificeert met een zekere A P, waardoor het volgens de verzoeker “aannemelijk wordt gemaakt dat A P mogelijk de (mede)dader van de moord op L D D betreft”; - een videofragment op de gsm van verzoekers moeder met de opname van een gesprek dat plaatsvond in en rond het gerechtsgebouw op 7 mei 2020; dit gesprek werd blijkbaar gevoerd tussen verzoekers moeder en enkele andere personen, waaronder G W en diens moeder en vriendin, waarbij G W tijdens dit gesprek zegt dat hij onder druk werd gezet om een bepaald persoon als dader aan te wijzen en dat de verzoeker er niet bij betrokken was, en waarbij de vriendin van G W zegt dat P V alles aan G W heeft ingefluisterd; volgens de verzoeker blijkt uit dit gesprek dat G W hem voor zijn arrestatie niet kende en dat de verklaringen van G W en bijgevolg ook van P V onbetrouwbaar zijn.
- Bij toepassing van artikel 445, derde tot en met vijfde lid, Wetboek van Strafvordering beveelt het Hof dat een grond tot herziening wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken, wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een dergelijke herzieningsgrond. Dit veronderstelt dat het aangevoerde gegeven, ook al staat de waarachtigheid ervan nog niet met zekerheid vast, op zichzelf van die aard is dat het enigszins aannemelijk is dat het de beoordeling had kunnen beïnvloeden op een wijze zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering. Wanneer het aangevoerde gegeven louter ertoe strekt aanvullend onderzoek te bevelen maar op zichzelf niet onbestaanbaar schijnt te zijn met de uitspraak noch het ernstige vermoeden doet ontstaan dat het de veroordeling op een doorslaggevende wijze had kunnen beïnvloeden, is het Hof ertoe verplicht de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond te verwerpen.
- De verzoeker leidt uit de anonieme brief die zijn moeder op 2 juni 2020 heeft ontvangen af dat een zekere A P mogelijks bij de roofmoord zou zijn betrokken. Dit wordt volgens de verzoeker ook bevestigd door uitlatingen van B S in de gevangenis na de veroordeling door het hof van assisen, waarbij deze zou hebben verklaard dat een zekere A bij de feiten betrokken was. Uit het verzoekschrift tot herziening en de erbij gevoegde stukken blijkt ook dat: - naar aanleiding van die anonieme brief een opsporingsonderzoek werd gevoerd naar belaging van de moeder van de verzoeker, waarbij onder meer een telefonieonderzoek werd gevoerd alsook een sporenonderzoek met betrekking tot de bewuste brief, waarna dit opsporingsonderzoek werd geseponeerd wegens niet-identificatie van de dader; - bij dit opsporingsonderzoek is gebleken dat de genaamde A P de vermoedelijke gebruiker is van het in de anonieme brief vermelde oproepnummer en dat deze persoon niet is ingeschreven in het rijksregister en geseind staat voor drugsfeiten uit
- Zowel in de anonieme brief en de gegevens van het daarover gevoerde opsporingsonderzoek als in de beweerde uitlatingen van B S wordt gesuggereerd dat de genaamde A P betrokken was bij de roofmoord, maar niet dat de verzoeker daarbij niet betrokken was. Uit de voornaamste redenen van de beslissing van de jury blijkt bovendien niet dat deze van oordeel was dat het vaststaat dat de roofmoord door slechts twee personen werd uitgevoerd.
- Er wordt niet enigszins aannemelijk gemaakt dat, in zoverre zou blijken dat de genaamde A P betrokken was bij de roofmoord, dit tot gevolg zou hebben dat de verzoeker niet betrokken was bij de uitvoering ervan.
- Het videofragment van 7 mei 2020, dit is de datum waarop de jury zich terugtrok voor het beraad over de schuld, houdt volgens de verzoeker een herzieningsgrond in omdat G W tijdens dit gesprek heeft verklaard dat hij onder druk werd gezet om een bepaald persoon als dader aan te wijzen en dat de verzoeker niet betrokken was bij de feiten, en omdat de vriendin van G W tijdens dit gesprek zegt dat P V alles aan G W heeft ingefluisterd.
- Als medebeschuldigde was G W als procespartij aanwezig op de rechtszitting van het hof van assisen, terwijl de meeste andere personen die hebben deelgenomen aan het gesprek van 7 mei 2020 als getuigen door het hof van assisen werden gehoord. De loutere omstandigheid dat personen tijdens de procedure die tot de veroordeling heeft geleid buiten de rechtszaal verklaringen afleggen waarvan niet blijkt noch wordt aangevoerd dat ze strijdig zijn met de verklaringen die zij op de rechtszitting hebben afgelegd of die laatste in een ander daglicht kunnen stellen, kan niet worden beschouwd als een grond tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering.
- Uit het bovenstaande volgt dat er met betrekking tot de door de verzoeker aangevoerde gegevens niet voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 4 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div