id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220106.1N.10 Rolnummer: C.21.0215.N Zaak: Proost-Van Gorp nv contra PELCKMANS TURNHOUT nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-28 Raadplegingen: 777 - laatst gezien 2026-06-16 04:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, vergen de vragen of de verjaringstermijn begint te lopen zodra het gestelde maximumbedrag werd bereikt, en zo ja, of de schuldeiser dan dient te bewijzen of het maximumbedrag niet voordien reeds werd bereikt en of het hierbij verschil maakt of de dwangsomveroordeling een verplichting tot het verrichten van een bepaalde prestatie betreft of een verbod iets te doen, een uitleg van de artikelen 1, 2, 3 en 7 van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom en dienen deze verplicht door het Hof voorgelegd te worden aan het Benelux-Gerechtshof. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Maximum bedrag waarboven geen dwangsom is verbeurd - Aanvang van de verjaringstermijn - Eenvormige Wet betreffende de dwangsom - Uitlegging - Prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof - Taak van het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-gerechtshof - 31-03-1965 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof - Eenvormige Wet betreffende de dwangsom - Uitlegging - Maximum bedrag waarboven geen dwangsom is verbeurd - Aanvang van de verjaringstermijn - Taak van het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-gerechtshof - 31-03-1965 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof - Eenvormige Wet betreffende de dwangsom - Uitlegging - Maximum bedrag waarboven geen dwangsom is verbeurd - Aanvang van de verjaringstermijn - Taak van het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-gerechtshof - 31-03-1965 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0215.N PROOST-VAN GORP nv, met zetel te 2300 Turnhout, Kleine Reesdijk 79, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.513.490, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen PELCKMANS TURNHOUT nv, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0479.631.346, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 februari
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. BESTREDEN ARREST De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 26 november 2015 aan de eiseres het verbod oplegde om bepaalde producten te verkopen onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag dat een inbreuk wordt vastgesteld of voortduurt vanaf het verstrijken van een periode van 15 dagen na de betekening van het vonnis, dit met een maximum aan te verbeuren dwangsommen bepaald op 100.000 euro; - dit vonnis werd betekend op 4 oktober 2018; - de verweerster op 5 maart 2020 een bevel tot betaling betekende voor een bedrag van 10 x 2.500 = 25.000 euro aan verbeurde dwangsommen ingevolge inbreuken vanaf 10 februari tot en met 19 februari 2020; - de eiseres betwist dat de verweerster alsnog dwangsommen kan invorderen ingevolge inbreuken vanaf 10 februari 2020 in de mate “het maximum aan dwangsommen reeds eerder bereikt was op 30 november 2018”, gelet op “verbeurde dwangsommen vanaf de zestiende dag na betekening, zijnde vanaf 20 oktober 2018”; - volgens de eiseres “dit maximum aan verbeurde dwangsommen dat bereikt werd op 30 november 2018, dan verjaard [zou] zijn na 6 maanden, zijnde vanaf 1 mei 2019, terwijl het eerste bevel tot betalen met het oog op het invorderen van verbeurde dwangsommen pas betekend werd op 20 februari 2020”; - dit eerste bevel tot betaling evenwel ongeldig was, waarna een regularisatie volgde op 5 maart 2020; - het standpunt van de eiseres “in essentie [er]op neer[komt] dat (…) dwangsommen ‘automatisch’ zouden verbeuren na de betekening van de dwangsomtitel, na het verstrijken van de termijn van 15 dagen die in de dwangsomtitel bepaald werd voor het uitvoeren van de hoofdveroordeling, wanneer de veroordeelde zelf van oordeel is dat er in die periode sprake was van inbreuken, zonder dat door de begunstigde van de dwangsommen op de betaling hiervan aanspraak gemaakt wordt”; - “uit geen enkel stuk evenwel [blijkt] dat [de verweerster] aanspraak gemaakt zou hebben op verbeurde dwangsommen met betrekking tot de periode voorafgaand aan 10 februari 2020”; - “uit de neergelegde stukken niet afgeleid [kan] worden dat er eerder dan op 10 januari 2020, datum van het eerste bevel, uitvoering zou gevorderd zijn van de dwangsomtitel”; - “de inbreuk op de hoofdveroordeling die aanleiding geeft tot verbeurde dwangsommen niet afgeleid [kan] worden uit een eenzijdige verklaring ‘post factum’ van de in de dwangsomtitel veroordeelde partij (…) dat zij de hoofdveroordeling in een reeds verstreken tijdspanne niet zou hebben uitgevoerd, wanneer de begunstigde voor die periode geen aanspraak maakt op verbeurde dwangsommen”; - “de eerste inbreuk die naar het oordeel van [de verweerster] aanleiding gaf tot het verbeuren van dwangsommen, dateert van 10 februari 2020” terwijl “het bevel houdende verbeurde dwangsommen met betrekking tot die inbreuk (en de daarop volgende inbreuken tot 19 februari 2020) werd betekend op 5 maart 2020”; - de verweerster de verbeurde dwangsommen, voorwerp van het bevel tot betaling van 5 maart 2020, bewijst. III. CASSATIEMIDDEL
- De eiseres voert in haar verzoekschrift tot cassatie een middel aan.
- De eiseres roept als geschonden wetsbepalingen in: - artikel 8.4 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1315 en 2262bis, § 1, van het Oud Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 23, 870, 1385bis, 1385ter, 1385quater, 1385octies, 1495 en 1497 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1, 2, 3 en 7 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, vastgesteld bij de Benelux Overeenkomst van 26 november 1973, goedgekeurd en ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek bij wet van 31 januari
- De eiseres formuleert haar grieven als volgt: “
- Uit artikel 1385bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 1, eerste lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom) blijkt dat de dwangsom wordt opgelegd voor het geval niet aan de hoofdveroordeling (met een ander voorwerp dan de betaling van een geldsom of de uitvoering van een arbeidsovereenkomst) wordt voldaan. Krachtens artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 1, derde lid, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom) kunnen dwangsommen niet verbeuren vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Krachtens artikel 1385bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 1, vierde lid, van de Eenvormige Beneluxwet) kan de rechter evenwel bepalen dat de veroordeelde de dwangsommen pas na verloop van een zekere termijn na de betekening van de dwangsomtitel kan verbeuren. Overeenkomstig artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet) kan de rechter de dwangsom hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding vaststellen. Krachtens diezelfde bepaling kan de rechter ook een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
- Overeenkomstig artikel 1385quater, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 3 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom) komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de hoofdveroordeling heeft verkregen. Zij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Overeenkomstig artikel 1385octies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek (dat overeenstemt met artikel 7 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom) verjaart de dwangsom echter door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd. Na verloop van die termijn kan de partij die de hoofdveroordeling heeft bekomen de overeenkomstig de artikelen 1385bis en 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek verbeurde dwangsommen niet meer (middels bevel tot betalen) invorderen.
- Overeenkomstig de artikelen 8.4 van het Burgerlijk Wetboek (vroeger artikel 1315 (Oud) Burgerlijk Wetboek) en 870 van het Gerechtelijk Wetboek komt het aan de partij die de dwangsommen invordert toe om te bewijzen dat de gevorderde dwangsommen zijn verbeurd, waarna het aan de veroordeelde toekomt om te bewijzen dat hij bevrijd is. Dit bewijs en tegenbewijs kunnen worden geleverd met alle middelen van recht.
- Uit de samenhang van alle voormelde wetsbepalingen volgt dat: - dwangsommen worden verbeurd doordat de veroordeelde geen uitvoering geeft aan de (uitvoerbare) hoofdveroordeling, en dit vanaf de betekening van de dwangsomtitel of, in voorkomend geval, vanaf het verstrijken van de door de rechter bepaalde termijn na betekening, totdat aan de hoofdveroordeling is voldaan of, in voorkomend geval, totdat het door de rechter opgelegde maximum aan dwangsommen is bereikt; de verbeurte van de dwangsommen is te onderscheiden van de gedwongen uitvoering van de hoofdveroordeling en van de invordering van de dwangsommen; - de op voormelde wijze verbeurde dwangsommen moeten (middels bevel tot betalen) worden ingevorderd binnen een verjaringstermijn van zes maanden te rekenen van hun verbeurte; dit betekent dat wanneer de dwangsomtitel de te verbeuren dwangsommen tot een maximumbedrag beperkt, er geen dwangsommen meer kunnen worden ingevorderd na het verstrijken van een termijn van zes maanden nadat het maximumbedrag aan dwangsommen is bereikt; na die zes maanden zijn de reeds verbeurde dwangsommen verjaard en door het reeds bereikte maximumbedrag kunnen niet opnieuw dwangsommen worden verbeurd, ook al blijft de veroordeelde inbreuk plegen op de hoofdveroordeling; - de partij die de hoofdveroordeling heeft bekomen onder verbeurte van dwangsommen doch beperkt tot een maximumbedrag, bij de invordering van de dwangsommen niet kan volstaan te bewijzen dat de veroordeelde niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan in de periode waarvoor dwangsommen worden gevorderd, maar ook moet bewijzen dat het maximumbedrag van de dwangsommen niet reeds voordien (door niet-nakoming van de hoofdveroordeling na betekening van de dwangsomtitel) was bereikt; minstens moet de veroordeelde toegelaten worden om met alle middelen van recht te bewijzen dat dit wel het geval is.
- In casu staat vast dat: - het dwangsomvonnis van 26 november 2015 aan eiseres verbod had opgelegd om nog bepaalde producten te verkopen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag dat een inbreuk werd vastgesteld en/of voortduurde vanaf het verstrijken van een periode van 15 dagen na het betekenen van het tussen te komen vonnis, dit met een maximum te verbeuren dwangsommen bepaald op 100.000 euro; - dit vonnis op 4 oktober 2018 aan eiseres werd betekend; - verweerster pas voor het eerst (na een eerste ongeldig bevel tot betalen van 20 februari 2020) bij bevel tot betalen betekend op 5 maart 2020 aanspraak maakte op dwangsommen, en meer bepaald op dwangsommen die zouden zijn verbeurd wegens inbreuken door eiseres begaan van 10 februari 2020 tot 19 februari 2020, zijnde 10 dagen aan 2.500 euro per dag. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat verweerster op 5 maart 2020 geen dwangsommen meer kon invorderen voor inbreuken gepleegd vanaf 10 februari 2020 indien eiseres reeds vóór die datum en sinds de zestiende dag na de betekening van het dwangsomvonnis aan haar hoofdveroordeling was tekortgekomen en hierdoor reeds dwangsommen had verbeurd ten belope van het maximumbedrag (wat volgens eiseres reeds het geval was op 30 november 2018). Het op 5 maart 2020 betekende bevel tot betalen kon evenmin gelden tot invordering van die reeds vroeger verbeurde dwangsommen indien zij reeds meer dan zes maanden vóór het bevel tot betalen waren verbeurd en aldus waren verjaard (wat volgens eiseres het geval was op 1 december 2018). De omstandigheid dat de eerste inbreuk waarvoor eiseres dwangsommen invordert van 10 februari 2020 dateert of dat eiseres niet eerder op enige dwangsom aanspraak heeft gemaakt, is irrelevant.
- Het bestreden arrest stelt vast dat verweerster geen dwangsommen invordert die zouden zijn verbeurd voor inbreuken op de hoofdveroordeling van vóór 10 februari 2020 en gaat derhalve niet in op de vraag van de verjaring van die dwangsommen. Echter acht het arrest het evenmin nodig na te gaan in welke mate eiseres niet reeds vóór 10 februari 2020 het maximumbedrag aan dwangsommen had verbeurd wegens het toen reeds niet-nakomen van de hoofdveroordeling en acht het arrest het zelfs niet mogelijk enig bewijs hiervan af te leiden uit de door eiseres aangevoerde elementen, en dit louter omdat verweerster geen aanspraak maakt op dwangsommen verbeurd in die voorafgaande periode, hierbij stellende dat het de schuldeiser of begunstigde vrij staat te bepalen wanneer hij de hoofdveroordeling wenst af te dwingen en dat op hem de bewijslast rust van de inbreuken die de ingevorderde dwangsomschuld doen ontstaan. Het bestreden arrest: - verwart aldus de verbeurte van dwangsommen, die een uitvoerbare hoofdveroordeling veronderstelt en een aanvang neemt vanaf de betekening van de dwangsomtitel of vanaf een door de rechter bepaald tijdstip na die betekening (artikelen 1385bis en 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek) met de gedwongen uitvoering van de hoofdveroordeling of actio judicati (artikelen 1495 en 1497 van het Gerechtelijk Wetboek en 2262bis, § 1, van het Oud Burgerlijk Wetboek) en met de invordering van dwangsommen (artikelen 1385quater en 1385octies van het Gerechtelijk Wetboek); - gaat eraan voorbij dat wanneer dwangsommen krachtens de dwangsomtitel slechts tot een maximumbedrag kunnen verbeuren, er geen nieuwe dwangsommen meer kunnen verbeuren na het bereiken van het maximumbedrag, ook al zijn de reeds verbeurde dwangsommen verjaard en blijft de veroordeelde inbreuk plegen op de hoofdveroordeling (de artikelen 1385bis, 1385ter, 1385quater en 1385octies van het Gerechtelijk Wetboek in hun onderlinge samenhang gelezen, en de gelijkluidende artikelen 1, 2, 3 en 7 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom); - weigert hierdoor ook aan het dwangsomvonnis van 26 november 2015, dat de dwangsommen liet lopen vanaf het verstrijken van een periode van 15 dagen na de betekening van het vonnis maar ze tegelijk aan een maximumbedrag beperkte, de gevolgen en het gezag toe te kennen die het heeft (artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek); - beperkt de op verweerster rustende bewijslast tot het bewijs van de inbreuken waarvoor zij dwangsommen vordert, terwijl die bewijslast ook betrekking heeft op het bewijs dat het maximumbedrag niet reeds vroeger was bereikt (door niet-uitvoering van de hoofdveroordeling vanaf de betekening van de dwangsomtitel of vanaf een door de rechter bepaald tijdstip na die betekening); minstens stelt zij verweerster in de onmogelijkheid om het bewijs van het tegenovergestelde te leveren (artikelen 8.4 van het Burgerlijk Wetboek (vroeger artikel 1315 (Oud) Burgerlijk Wetboek) en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).
- Het arrest verantwoordt zijn beslissing dat verweerster wel degelijk aanspraak kan maken op de door haar bij bevel van 5 maart 2020 gevorderde dwangsommen voor door eiseres begane inbreuken op de hoofdveroordeling in de periode van 10 tot 19 februari 2020 bijgevolg niet naar recht (schending van alle in het middel aangevoerde wetsbepalingen). Voor zoveel als nodig verzoekt eiseres Uw Hof om, vooraleer uitspraak te doen, het Benelux Gerechtshof om uitleg te vragen.” IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter op vordering van een partij de wederpartij veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Krachtens artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan geen dwangsom worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Krachtens artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter bepalen dat pas na verloop van een zekere termijn dwangsommen kunnen verbeuren. Krachtens artikel 1385ter Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter de dwangsom vaststellen op hetzij een bedrag ineens hetzij een bedrag per tijdseenheid of per overtreding en, in de laatste twee gevallen, eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Krachtens artikel 1385quater, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 3 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en kan deze partij de dwangsomveroordeling gedwongen uitvoeren krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.
- Krachtens artikel 1385octies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 7, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd.
- Krachtens artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek berust de bewijslast van de grondslag van de vordering bij de eiser en moet diegene die beweert bevrijd te zijn het bewijs hiervan leveren. Aldus draagt de partij die de dwangsomveroordeling gedwongen uitvoert de bewijslast dat de ingevorderde dwangsommen zijn verbeurd, terwijl de wederpartij die beweert bevrijd te zijn daarvan de bewijslast draagt.
- Het cassatiemiddel voert in essentie aan dat wanneer de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, de verjaringstermijn begint te lopen zodra het gestelde maximumbedrag werd bereikt, zodat het voor de schuldeiser niet volstaat om de inbreuken te bewijzen waarvoor de dwangsom wordt ingevorderd, maar dat hij ook dient te bewijzen dat het maximumbedrag niet reeds voordien was bereikt. Het verwijt de appelrechter dit niet te hebben nagegaan en zijn oordeel dat het maximumbedrag niet werd bereikt louter af te leiden uit het feit dat de schuldeiser voordien nooit dwangsommen heeft ingevorderd.
- Het antwoord op het middel doet de vraag rijzen of, in geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, de verjaringstermijn begint te lopen zodra het gestelde maximumbedrag werd bereikt, en zo ja, of de schuldeiser dan dient te bewijzen of het maximumbedrag niet voordien reeds werd bereikt en of het hierbij verschil maakt of de dwangsomveroordeling een verplichting tot het verrichten van een bepaalde prestatie betreft of een verbod iets te doen.
- Het antwoord op voormelde vragen die een uitleg vergen van de artikelen 1, 2, 3 en 7 van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, verplicht het Hof de in het dictum gepreciseerde vragen aan het Benelux Gerechtshof voor te leggen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen: 1) begint in geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, de verjaringstermijn te lopen zodra het gestelde maximumbedrag werd bereikt? 2) zo ja, dient de schuldeiser in dat geval niet enkel te bewijzen dat de ingevorderde dwangsommen binnen het maximumbedrag zijn verbeurd, maar ook dat het maximumbedrag niet voortijdig was bereikt? 3) maakt het hierbij verschil of de dwangsomveroordeling een verplichting tot het verrichten van een bepaalde prestatie betreft of een verbod iets te doen? Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220106.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div