← België

O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken - 22-05-2017 - Art. 29, 1° - 02 ELI link Pub nr 2017012230 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken - 22-05-2017 - Art. 29, 1° - 02 ELI link Pub nr 2017012230 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken - 22-05-2017 - Art. 29, 1° - 02 ELI link Pub nr 2017012230 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 7 - 11 Bewijsmateriaal dat is vergaard op grond van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie, die het Grondwettelijk Hof gedeeltelijk heeft vernietigd bij arrest nr. 57/2001 van 22 april 2021 ingevolge het arrest van 6 oktober 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, is in principe onregelmatig verkregen in de zin van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de rechter aan wie dergelijk bewijsmateriaal wordt voorgelegd en voor wie dat bewijsmateriaal doorslaggevend is om te beslissen over de schuldigverklaring, oordeelt op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces en hij kan daarbij onder meer rekening houden met een geheel van gegevens eigen aan de zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid, het feit dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen nalatigheid is begaan en het feit dat de beklaagde voor de rechter tegenspraak heeft kunnen voeren over het bewijsmateriaal, waarbij evenwel niet vereist is dat de rechter zijn beslissing motiveert aan de hand van welbepaalde vaste criteria

(1).
(1)GwH 22 april 2021, nr. 57/2001, PB 2021, 164-174 met noot van P TERSAGO,"Dataretentiewet opnieuw vernietigd. Wat zijn de gevolgen voor het bewijs in strafzaken?"; HvJ 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a.; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1353.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3, AC 2022, nr. 61 met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 5 mei 2020, AR P.19.1272.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1, AC 2020, nr. 267; Cass. 19 april 2016, AR P.15.1639.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3, AC 2016, nr. 265 met concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie - 29-05-2016 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie - 29-05-2016 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie - 29-05-2016 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Wet 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie - 29-05-2016 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie - 29-05-2016 - 03 ELI link Pub nr 2016009288 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1245.N I K O, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filip Van Hende, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Baliestraat 28, waar de eiser woonplaats kiest. II D O, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. III S S B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. IV H J P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Zvonimir Miskovic, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 september 2021. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest verklaart de hogere beroepen van de eisers ontvankelijk en niet vervallen. In zoverre gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I 2. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser I voor het eerst tot een bijkomende geldboete, terwijl het openbaar ministerie enkel de aan de eiser I opgelegde hoofdgevangenisstraf en bijzondere verbeurdverklaring aan een hernieuwd oordeel van het appelgerecht heeft willen onderwerpen; de grief van het openbaar ministerie had immers enkel betrekking op de hoofdgevangenisstraf en de bijzondere verbeurdverklaring en niet op het niet-opleggen van een geldboete; evenmin heeft het openbaar ministerie ter rechtszitting in eerste aanleg of in hoger beroep eisers veroordeling tot een geldboete gevorderd; aldus had het appelgerecht geen saisine om aan de eiser I een geldboete op te leggen. 3. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. De appellant kan, maar moet niet de reden van zijn grief opgeven. De appellant kan zijn grief ook beperken tot een aspect van een rubriek vermeld in het model-grievenformulier. 4. Wanneer het openbaar ministerie in het model-grievenformulier de rubriek “Straf en/of maatregel” aanduidt, impliceert dit in de regel dat het de wijziging nastreeft van alle beslissingen van het beroepen vonnis over de strafmaat lastens de beklaagde waartegen het zijn hoger beroep richt, dit wil zeggen van alle beslissingen over het al dan niet opleggen van hoofd-, bijkomende en vervangende straffen of modaliteiten van die straffen aan die beklaagde. Beoogt het openbaar ministerie echter enkel het hervormen of het opleggen van bepaalde straffen aan de betrokken beklaagde, dan moeten zijn vermeldingen daarover in het grievenformulier zodanig duidelijk zijn dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. 5. Het openbaar ministerie heeft, voor wat betreft de eiser I, in het model-grievenformulier de rubriek “Straf en/of maatregel” aangekruist en vermeld: “De rechtbank veroordeelde [de eiser I] tot een gevangenisstraf van 5 jaar waarvan één derde met uitstel en een verbeurdverklaring van 75.000 euro. Mijn ambt tekent hoger beroep aan omdat de uitgesproken straf, en zeker het uitstel, niet in verhouding staat tot de rol van [de eiser I].” 6. Daaruit volgt niet dat het openbaar ministerie ten aanzien van de eiser I enkel de maat van de hem opgelegde hoofdgevangenisstraf en bijzondere verbeurdverklaring bij het appelgerecht aanhangig heeft willen maken, met uitsluiting van de mogelijkheid voor dat gerecht om aan de eiser I een facultatieve geldboete op te leggen die de eerste rechter hem niet had opgelegd. Dat het openbaar ministerie ter rechtszitting geen geldboete lastens de eiser I heeft gevorderd, speelt geen rol. Die vordering bepaalt immers niet de saisine van het appelgerecht op grond van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Bijgevolg had het appelgerecht wel degelijk saisine om de eiser I bijkomend een facultatieve geldboete op te leggen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I 7. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: met de enkele reden dat “enkel een strenge en effectieve straf, strenger dan door de eerste rechter opgelegd, in de gegeven omstandigheden voldoende ontradend [kan] werken en [kan] verhinderen dat [de eiser I] zich in de toekomst aan nieuwe misdrijven zou schuldig maken”, motiveert het arrest niet waarom het aan de eiser I de facultatieve geldboete oplegt en motiveert het evenmin de maat van die geldboete. 8. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter om de keuze voor straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de maat ervan, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. 9. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het (p. 53) oordeelt eveneens dat de aan de eiser I opgelegde straffen nodig zijn om hem de ernst van de bewezen verklaarde feiten te doen inzien en hem te ontraden zich in de toekomst aan nieuwe misdrijven schuldig te maken. Na eisers rol in de criminele organisatie te hebben gepreciseerd, oordeelt het (p. 56-57) verder dat de eiser I, in het bijzonder gedreven door een groot en illegaal geldgewin, bewust en actief deel is blijven uitmaken van die organisatie zonder oog te hebben voor de verwoestende gevolgen van verboden drugs. Aldus zijn de aan de eiser I opgelegde geldboete en de maat ervan regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II 10. Het middel voert schending aan van artikel 29 van de wet van 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna Wet Europees Onderzoeksbevel): het arrest oordeelt ten onrechte dat het beweerde geheel of gedeeltelijk ontbreken van de machtiging van de bevoegde Spaanse autoriteiten voor twee door Belgische politieambtenaren op Spaanse bodem uitgevoerde infiltraties niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de uitgevoerde onderzoekshandelingen, zodat het uit die infiltraties verkregen bewijs mag worden gebruikt in het Belgische strafproces; uit artikel 282bis, 1, van het Spaanse Wetboek van Strafvordering (Ley de Enjuicamiento Criminal Española), samen genomen met artikel 11.1 van de Spaanse Organieke wet 6/1985 van 1 juli 1985 inzake de rechterlijke macht (Ley Orgánica 6/1985, de 1 de julio, del Poder Judicial), volgt echter dat de Spaanse rechter die vaststelt dat een infiltratie werd uitgevoerd zonder machtiging van een onderzoeksrechter of een procureur, verplicht is het aldus verkregen bewijs uit te sluiten; bijgevolg is dit vormvoorschrift wel degelijk voorgeschreven op straffe van nietigheid, zoals bepaald in artikel 29 Wet Europees Onderzoeksbevel. 11. Artikel 29 Wet Europees Onderzoeksbevel bepaalt: “In het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging mag geen gebruik worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in de uitvoerende Staat op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid: - volgens het recht van de uitvoerende Staat volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; of 2° waarvan de aanwending een schending inhoudt van het recht op een eerlijk proces.” 12. Die bepaling houdt verband met artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt: “Tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement wordt enkel besloten indien: - de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, of; - de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of; - het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.” 13. Hieruit volgt, eensdeels, dat artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verplicht tot het weren van bewijsmateriaal om de enkele reden dat dit bewijsmateriaal is verkregen met schending van een vormvoorwaarde die wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid en, anderdeels, dat onder het toepassingsgebied van artikel 29, 1°, eerste streepje, Wet Europees Onderzoeksbevel de onregelmatigheden vallen die naar het toepasselijke buitenlandse recht op dezelfde wijze worden gesanctioneerd. 14. Artikel 220 van de Spaanse wet 3/2018 van 11 juni 2018 tot wijziging van de wet 23/2014 van 20 november 2014 inzake de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen in de Europese Unie ter regeling van het Europees onderzoeksbevel (Ley 3/2018, de 11 de junio, por la que se modifica la Ley 23/2014, de 20 de noviembre, de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la Unión Europea, para regular la Orden Europea de Investigación) bepaalt: “ 1. Cuando la autoridad competente reciba una orden europea de investigación con el fin de recabar su colaboración en la realización de una investigación encubierta en España, denegará su ejecución, además de en los supuestos recogidos en el apartado 1 del artículo 32 y en el artículo 207, cuando:

  1. a)La realización de investigaciones encubiertas no se autorizaría en casos internos similares.
  2. b)No se hubiera llegado a un acuerdo con la autoridad de emisión respecto a las condiciones para llevar a cabo la investigación correspondiente. 2. La autoridad que acuerde la ejecución de una orden europea de investigación con el fin de realizar una medida de las previstas en este artículo, la ejecutará de acuerdo con el ordenamiento jurídico español asumiendo la dirección y el control de las operaciones relacionadas con la medida, si bien la duración de la misma, las condiciones concretas y el régimen jurídico de los agentes intervinientes serán acordadas con la autoridad competente del Estado de emisión.” Vrij vertaald: “1. Wanneer de bevoegde autoriteit een Europees onderzoeksbevel ontvangt met het oog op het verkrijgen van medewerking voor het verrichten van een infiltratie in Spanje, weigert zij, behalve in de in artikel 32, eerste lid, en artikel 207 bedoelde gevallen, dit bevel uit te voeren wanneer: (
  3. a)het verrichten van infiltratie-onderzoeken in soortgelijke binnenlandse zaken niet zou worden toegestaan; (
  4. b)met de uitvaardigende autoriteit geen overeenstemming is bereikt over de voorwaarden voor het verrichten van het betrokken onderzoek. 2. De autoriteit die ermee instemt een Europees onderzoeksbevel ten uitvoer te leggen met het oog op de uitvoering van een maatregel waarin dit artikel voorziet, voert dit bevel uit overeenkomstig het Spaanse rechtsstelsel en neemt de leiding van en het toezicht op de activiteiten in verband met de maatregel op zich, hoewel de duur van de maatregel, de specifieke voorwaarden en de rechtspositie van de betrokken functionarissen worden overeengekomen met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.” 15. Artikel 282bis van het Spaanse Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer: “1. A los fines previstos en el artículo anterior y cuando se trate de investigaciones que afecten a actividades propias de la delincuencia organizada, el Juez de Instrucción competente o el Ministerio Fiscal dando cuenta inmediata al Juez, podrán autorizar a funcionarios de la Policía Judicial, mediante resolución fundada y teniendo en cuenta su necesidad a los fines de la investigación, a actuar bajo identidad supuesta y a adquirir y transportar los objetos, efectos e instrumentos del delito y diferir la incautación de los mismos. (…) 3. Cuando las actuaciones de investigación puedan afectar a los derechos fundamentales, el agente encubierto deberá solicitar del órgano judicial competente las autorizaciones que, al respecto, establezca la Constitución y la Ley, así como cumplir las demás previsiones legales aplicables. (…)” Vrij vertaald: “1. Voor de in het vorige artikel genoemde doeleinden en in het geval van onderzoeken in verband met georganiseerde criminele activiteiten kan de bevoegde onderzoeksrechter of het Openbaar Ministerie, die de rechter daarvan onverwijld in kennis stelt, ambtenaren van de gerechtelijke politie bij een met redenen omklede beslissing en rekening houdend met de noodzaak daarvan ten behoeve van het onderzoek, machtigen onder een aangenomen identiteit te handelen en de voorwerpen, bezittingen en instrumenten van het misdrijf te verwerven en te vervoeren en de inbeslagneming van deze voorwerpen, bezittingen en instrumenten van het misdrijf op te schorten. (…) 3. Wanneer de opsporingshandelingen gevolgen kunnen hebben voor de grondrechten, moet de infiltrant de bevoegde rechterlijke instantie verzoeken om de machtigingen die de grondwet en de wet hem daartoe verlenen, en moet hij de andere toepasselijke wetsbepalingen naleven.” 16. Artikel 11.1 van de Spaanse Organieke wet 6/1985 van 1 juli 1985 inzake de rechterlijke macht bepaalt: “En todo tipo de procedimiento se respetarán las reglas de la buena fe. No surtirán efecto las pruebas obtenidas, directa o indirectamente, violentando los derechos o libertades fundamentales.” Vrij vertaald: “De regels van goede trouw worden in alle procedures in acht genomen. Bewijs dat direct of indirect is verkregen in strijd met de grondrechten of fundamentele vrijheden, heeft geen rechtsgevolgen.” 17. Het arrest (p. 41) oordeelt: “Het beweerde geheel of gedeeltelijk ontbreken van de machtiging van de bevoegde Spaanse autoriteit in het geval van de twee laatste infiltraties op Spaanse bodem, blijkt niet te zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid van de uitgevoerde onderzoekshandeling (zie artikel 220 van de Spaanse wet 3/2018 tot wijziging van de wet 23/2014 van 20 november 2014 inzake de wederzijdse erkenning van de strafrechtelijke beslissingen in de Europese Unie ter regeling van het Europees onderzoeksbevel, waarvan [de eiser II] een vrije vertaling heeft neergelegd.” 18. Op grond van enkel dat artikel, samen genomen met artikel 29 Wet Europees Onderzoeksbevel, kan het arrest niet wettig oordelen dat de resultaten van de hier bedoelde infiltraties in België als bewijs lastens de eiser II kunnen worden gebruikt omdat het vereiste dat een infiltratie moet zijn gemachtigd, in Spanje in het algemeen niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Het middel is gegrond. Tweede middel van de eiser II 19. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Middel van de eiser III 20. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest stelt vast dat bewijselementen zijn verzameld met inbreuk op het privéleven van de beklaagden, meer bepaald op basis van een vordering van de procureur des Konings tot het verstrekken van gegevens op grond van een door het Grondwettelijk Hof vernietigde dataretentiewetgeving, maar beslist dat het gebruik van deze bewijselementen niet heeft geleid tot een miskenning van het recht op een eerlijk proces; de redenen die het arrest daarvoor vermeldt, meer bepaald dat de bewijsmiddelen zijn verzameld met inbreuk op het privéleven van de beklaagden, dat de beklaagden tegenspraak konden voeren over het bewijs en dat het strafdossier regelmatig is opgestart, kunnen de beslissing echter niet wettig schragen en voldoen niet aan de criteria voor de beoordeling van het recht op een eerlijk proces. 21. Krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is onregelmatig verkregen bewijs slechts nietig en dient het bijgevolg te worden uitgesloten indien de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. 22. Bewijsmateriaal dat is vergaard op grond van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie, die het Grondwettelijk Hof gedeeltelijk heeft vernietigd bij arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 ingevolge het arrest van 6 oktober 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, is in principe onregelmatig verkregen in de zin van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. 23. De rechter aan wie dergelijk bewijsmateriaal wordt voorgelegd en voor wie dat bewijsmateriaal doorslaggevend is om te beslissen over de schuldigverklaring, oordeelt op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met een geheel van gegevens eigen aan de zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid, het feit dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen nalatigheid is begaan en het feit dat de beklaagde voor de rechter tegenspraak heeft kunnen voeren over het bewijsmateriaal. Niet is vereist dat de rechter zijn beslissing motiveert aan de hand van welbepaalde vaste criteria. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 24. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 25. Het arrest (p. 32-34) steunt het oordeel dat het bedoelde bewijs niet strijdig is met het recht op een eerlijk proces van de beklaagden op de volgende gronden: - in zijn arrest van 6 oktober 2020 oordeelde het Hof van Justitie dat op grond van artikel 15, eerste lid, van de richtlijn 2002/58, uitgelegd in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, de nationale strafrechter informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen verdacht van strafbare handelingen, buiten beschouwing dient te laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten; - het arrest van 22 april 2021 van het Grondwettelijk Hof (overweging B.24.3) voegt hieraan toe dat het aan de bevoegde strafrechter toekomt om, in voorkomend geval, uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de bewijzen die werden verzameld bij de tenuitvoerlegging van de vernietigde bepalingen overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Stafvordering en in het licht van de door het Hof van Justitie in het voormelde arrest van 6 oktober 2020 aangebrachte preciseringen; - voormelde arresten van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof zijn niet gesteund op een vastgestelde miskenning van het recht op een eerlijk proces, maar op een schending van de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU (en van artikel 8 EVRM) door een onevenredige inmenging in het privéleven en in de bescherming van persoonsgegevens; - daarenboven werd het strafonderzoek op regelmatige wijze opgestart; - de verdere onderzoekshandelingen, in het bijzonder de telefoniemaatregelen bij toepassing van de artikelen 46bis en 88bis Wetboek van Strafvordering, waren aldus verantwoord en werden bevolen overeenkomstig de toenmalige geldende nationale wetgeving door de bevoegde onderzoeksrechter, die bij een duidelijk en gemotiveerd bevelschrift uiting heeft gegeven van de redenen en motieven die aan de grondslag lagen van de door hem genomen beslissing; - het recht op een eerlijk proces dient ook te worden beoordeeld over het geheel van het strafproces. Niets kon de partijen beletten om, zowel voor de eerste rechter als thans in hoger beroep, de verzamelde telefoondata tegen te spreken en de verzamelde bewijsmiddelen en informatie te voorzien van een doeltreffende commentaar, in de zin van voormeld arrest van 6 oktober 2020 van het Hof van Justitie; - het feit dat de bewijsmiddelen zijn verzameld met inbreuk op het privéleven van de beklaagden heeft de uitoefening van het recht van verdediging geenszins in de weg gestaan. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het gebruik van dit bewijs het recht op een eerlijk proces van de eiser III niet miskent. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser IV 26. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.3, eerste lid, en 8.5 Burgerlijk Wetboek: het arrest vermeldt niet waarom het de verklaringen van K.W. en de eiser III geloofwaardig acht; het miskent de bewijskracht van de verklaringen van K.W. zoals opgenomen in het proces-verbaal nr. 504321/19 van 29 augustus 2019 en van de verklaringen van de eiser III. 27. De artikelen 8.3, eerste lid, en 8.5 Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het middel naar recht. 28. Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis (p. 125-127) en die het zelf bevat, motiveert het arrest (p. 65-68) waarom het de voor de eiser IV belastende verklaringen van K.W. en de eiser III geloofwaardig acht. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 29. Voor het overige komt het middel in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige 30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 31. De vernietiging van de beslissing waarbij de eiser II wordt veroordeeld, heeft de vernietiging tot gevolg van de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding wordt bevolen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser II schuldig verklaart aan de hem ten laste gelegde feiten en hem veroordeelt tot straf, bijdragen, vergoeding en kosten, met inbegrip van de beslissing tot onmiddellijke aanhouding. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser II tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep van de eiser II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in het geheel op 766,48 euro, waarvan de eisers I, II, III en IV elk 191,62 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220125.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.