← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 327

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: DRUKPERS (POLITIE OVER DE) Wettelijke bepalingen:

Art. 327

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 Wettelijke bepalingen:

Art. 327

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 8 De in artikel 327 Strafwetboek bedoelde bedreiging moet door de bedreigde persoon gekend zijn geweest of minstens van zulke aard zijn geweest dat de bedreigde persoon ze had kunnen kennen en dat laatste veronderstelt dat de bedreiging is geuit in omstandigheden waarin zij de bedreigde persoon logischerwijze zou bereiken, hetgeen het geval kan zijn door de plaatsing van de bedreiging op een publiek toegankelijk profiel op een sociaal medium of door de bekendmaking van de bedreiging aan een persoon die ze kan doorgeven aan de bedreigde persoon, maar het is niet vereist dat de dader daarna zelf nog de hand heeft gehad in de verdere verspreiding van de bedreiging, noch dat de bedreiging de bedreigde persoon effectief heeft bereikt; de rechter oordeelt op grond van de hem voorgelegde gegevens onaantastbaar of de bedreigde persoon de bedreiging had kunnen kennen en hij kan daarbij rekening houden met alle dienstige omstandigheden, zoals de mate van de openbaarheid van de schriftelijke bedreiging of van de kans dat de persoon aan wie de dader zijn mondelinge bedreiging heeft meegedeeld, deze zal doorgeven aan de bedreigde persoon

(1).
(1)T. VANDROMME, “Bedreigingen (art.327-331bis Sw.)”, in Comm. Strafr., nrs. 18-20; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen,, 2020, p. 159, nr. 182. Thesaurus CAS: BEDREIGINGEN Wettelijke bepalingen:

Art. 327

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 327- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1226.N M M, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9, § 1, Interneringswet en artikel 327 Strafwetboek: het arrest beveelt de internering van de eiser wegens onder meer de feiten van de telastlegging A (schriftelijke bedreigingen, onder een bevel of een voorwaarde, met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf is gesteld) en de telastlegging B (schriftelijke bedreigingen, zonder een bevel of een voorwaarde, met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf is gesteld); het verklaart de constitutieve bestanddelen van die feiten bewezen door daaraan de materialiteit van een drukpersmisdrijf toe te dichten; bijgevolg kon de kamer van inbeschuldigingstelling de internering van de eiser niet bevelen.
  3. Op grond van artikel 9, § 1, Interneringswet kunnen zowel de onderzoeksgerechten als de vonnisgerechten de internering van een persoon bevelen, maar kunnen de onderzoeksgerechten dat enkel indien het niet gaat om misdaden of wanbedrijven die worden beschouwd als politieke misdrijven of drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie zijn ingegeven.
  4. Het drukpersmisdrijf vereist een strafbare meningsuiting in een tekst die vermenigvuldigd is door een drukpers of een gelijkaardig procedé. Digitale verspreiding van teksten, met inbegrip van de plaatsing van publiek toegankelijke berichten op sociale media, vormt een dergelijk gelijkaardig procedé.
  5. Een bedreiging in de zin van artikel 327 Strafwetboek levert als dusdanig geen meningsuiting op zoals hier bedoeld. Een dergelijke bedreiging kan dan ook slechts een drukpersmisdrijf uitmaken wanneer met de bedreiging ook een mening tot uitdrukking wordt gebracht.
  6. Uit het arrest blijkt niet dat met de bedreigingen die de eiser op zijn Facebook-account heeft geuit ten aanzien van K.P. ook een mening tot uiting werd gebracht. Bijgevolg was de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd om de internering van de eiser te bevelen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 327 Strafwetboek: voor wat betreft de telastleggingen A en B oordeelt het arrest dat de berichten consulteerbaar waren via open bronnen en dat de eiser ongetwijfeld wist dat zijn publicaties via deling van de berichten snel en gemakkelijk konden worden verspreid, zodat deze vroeg of laat ter kennis zouden worden gebracht van de bedreigde persoon; voor wat betreft de telastlegging C (mondelinge bedreigingen met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf is gesteld) oordeelt het dat de eiser had moeten weten dat de calltaker (opnemer) van de noodoproep eisers gezegdes zou doorgeven aan de bedreigde inspecteur; die redenen volstaan niet om de beslissing naar recht te verantwoorden; de appelrechters hadden dienen na te gaan of K.P. en D.S. kennis hadden van de bedreigingen; inzake de telastleggingen A en B dienden zij dus op objectieve gronden te beoordelen of de geplaatste berichten door de eiser werden gedeeld en op deze manier K.P. konden bereiken; inzake de telastlegging C dienden zij na te gaan in welke mate er verwantschap was tussen de calltaker en D.S. en wat de intenties zijn geweest van de calltaker.
  8. Een hier bedoelde bedreiging moet door de bedreigde persoon gekend zijn geweest of minstens van zulke aard zijn geweest dat de bedreigde persoon ze had kunnen kennen. Dat laatste veronderstelt dat de bedreiging is geuit in omstandigheden waarin zij de bedreigde persoon logischerwijze zou bereiken. Dit kan het geval zijn door de plaatsing van de bedreiging op een publiek toegankelijk profiel op een sociaal medium of door de bekendmaking van de bedreiging aan een persoon die ze kan doorgeven aan de bedreigde persoon. Niet vereist is dat de dader daarna zelf nog de hand heeft gehad in de verdere verspreiding van de bedreiging, noch dat de bedreiging de bedreigde persoon effectief heeft bereikt.
  9. De rechter oordeelt op grond van de hem voorgelegde gegevens onaantastbaar of de bedreigde persoon de bedreiging had kunnen kennen. Daarbij kan de rechter rekening houden met alle dienstige omstandigheden, zoals de mate van de openbaarheid van de schriftelijke bedreiging of van de kans dat de persoon aan wie de dader zijn mondelinge bedreiging heeft meegedeeld, deze zal doorgeven aan de bedreigde persoon. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Met eigen en van de beroepen beschikking overgenomen redenen oordeelt het arrest: - voor wat betreft de telastleggingen A en B, dat de bedreigingen aan het adres van politicus K.P. werden geuit via open bronnen, waarvan de eiser, die zelf intensief gebruik maakt van sociale media, ongetwijfeld wist dat zijn publicaties via deling van de berichten snel en gemakkelijk op grote schaal konden worden verspreid, zodat het niet onwaarschijnlijk was dat deze vroeg of laat ter kennis zouden worden gebracht van de betrokkene zelf; - voor wat betreft de tenlastelegging C, dat de eiser moest hebben geweten dat zijn bedreiging “een fles zwavelzuur door de keel van wijkagent [D.S.] te kappen als hij nog aan zijn deur zou komen of zijn moeder zou intimideren”, meegedeeld aan een persoon die een noodcentrale bemant, aan de betrokken inspecteur van politie zou worden doorgegeven. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat aan de constitutieve bestanddelen van de in artikel 327 Strafwetboek bedoelde misdrijven is voldaan. In zoverre kan het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM: het arrest beveelt de internering van de eiser zonder hem op zijn verzoek te verwijzen naar de correctionele rechtbank, waar hij de mogelijkheid heeft om aan de vonnisrechter alternatieve maatregelen voor te stellen zoals een probatie-uitstel of een autonome probatiestraf; een internering betreft namelijk een zeer ingrijpende vrijheidsberovende maatregel van onbepaalde duur, waarvan de invulling op voorhand niet vaststaat; bijgevolg moet de rechter, alvorens die maatregel te bevelen, nagaan of er geen minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn.
  12. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  13. Het enkele feit dat een persoon wordt geïnterneerd, heeft niet zijn vrijheidsberoving tot gevolg.
  14. Een inverdenkinggestelde die de voorwaarden voor zijn internering betwist en aanspraak wil maken op detentievervangende maatregelen, heeft geen recht op een verwijzing door het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Het arrest (p. 7-9) oordeelt op grond van een geheel van redenen dat de eiser niet langer zonder sociale of medische begeleiding kan worden gelaten en dat een internering begeleid door de kamer voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank hem de beste kansen op een geslaagde re-integratie biedt. Aldus is de beslissing tot internering naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260211.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120306.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201007.2F.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.