← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

§ 4, Voorlopige Hechteniswet voorligt

(1).
(1)Cass. 7 december 2021, AR P.21.1503.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15, AC 2021, nr. 778. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, §§

4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, §§

4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 7 Het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, vereist dat wanneer aan het dossier gegevens uit een ander strafdossier worden gevoegd, de verdediging inzage krijgt van alle pertinente elementen uit dat dossier, zowel à charge als à décharge, die beschikbaar zijn en daartoe behoren niet enkel de elementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook deze die betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde elementen, maar dat recht is niet absoluut en kan onderhevig zijn aan beperkingen, onder meer in de fase van het gerechtelijk onderzoek, wanneer de inverdenkinggestelde zich nog niet voor de vonnisrechter moet verdedigen tegen de lastens hem ingebrachte beschuldiging temeer dat de gegevens verkregen uit het afzonderlijke dossier zelf nog het voorwerp kunnen uitmaken van een lopend onderzoek en vallen onder het geheim van het onderzoek bepaald in artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering; het recht van verdediging vereist niet dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, reeds alle voormelde elementen zijn toegevoegd aan het dossier en dat recht vereist in deze fase evenmin dat de verdachte inzage krijgt van andere stukken uit een afzonderlijk strafdossier dan deze die aan het voorliggende dossier zijn gevoegd, louter op grond van zijn niet aannemelijk gemaakte aanvoering dat uit die stukken gegevens à décharge of nietigheden kunnen blijken; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar in welke mate de beoordeling van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis, alsook de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte, de voeging vereisen van andere stukken uit ander gerechtelijk onderzoek dan deze waarvan reeds een afschrift bij het dossier is gevoegd en in welke mate er een wettelijk beletsel voor die voeging bestaat

(1).
(1)Cass. 7 december 2021, AR P.21.1503.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15, AC 2021, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN ONDERZOEKSGERECHTEN ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.22.0019.N A F R T, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Mathias De Daele, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 21, § 1, § 3 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: zowel het bevel tot aanhouding als het arrest dat eisers voorlopige hechtenis handhaaft, steunt op processen-verbaal uit een ander gerechtelijk onderzoek; de eiser heeft geen inzage gehad van dat onderzoek of van die processen-verbaal, maar enkel van een samenvattend proces-verbaal; er werd dan ook geen tijdige en wettige beslissing genomen over eisers voorlopige hechtenis.
  4. Overeenkomstig artikel 21, §

§ 4

, Voorlopige Hechteniswet moet de raadkamer binnen ten hoogste vijf dagen vanaf de datum van de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding beslissen over de regelmatigheid van dat bevel, de noodzaak van de handhaving van de voorlopige hechtenis en de modaliteiten van de uitvoering van de voorlopige hechtenis volgens de toepasselijke criteria. Artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de verdachte en zijn raadsman volgens de in die paragraaf bepaalde modaliteiten inzage hebben in het dossier van de voorlopige hechtenis. 3. Eensdeels is artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en leidt de eventuele schending van die bepaling enkel tot de invrijheidsstelling van de verdachte wanneer diens recht op een eerlijk proces daardoor onherstelbaar is aangetast. Anderdeels heeft een dergelijke schending niet tot gevolg dat er geen tijdige beslissing in de zin van artikel 21, §

§ 4, Voorlopige Hechteniswet voorligt.

  1. Het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, vereist dat wanneer aan het dossier gegevens uit een ander strafdossier worden gevoegd, de verdediging inzage krijgt van alle pertinente elementen uit dat dossier, zowel à charge als à décharge, die beschikbaar zijn. Daartoe behoren niet enkel de elementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook deze die betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde elementen. Dat recht is evenwel niet absoluut en kan onderhevig zijn aan beperkingen, onder meer in de fase van het gerechtelijk onderzoek, wanneer de inverdenkinggestelde zich nog niet voor de vonnisrechter moet verdedigen tegen de lastens hem ingebrachte beschuldiging. Ook kunnen de gegevens verkregen uit het afzonderlijke dossier zelf nog het voorwerp uitmaken van een lopend onderzoek en vallen onder het geheim van het onderzoek bepaald in artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering.
  2. Het recht van verdediging vereist niet dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, reeds alle voormelde elementen zijn toegevoegd aan het dossier.
  3. Dat recht vereist in deze fase evenmin dat de verdachte inzage krijgt van andere stukken uit een afzonderlijk strafdossier dan deze die aan het voorliggende dossier zijn gevoegd, louter op grond van zijn niet aannemelijk gemaakte aanvoering dat uit die stukken gegevens à décharge of nietigheden kunnen blijken.
  4. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar in welke mate de beoordeling van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis, alsook de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de verdachte, de voeging vereisen van andere stukken uit ander gerechtelijk onderzoek dan deze waarvan reeds een afschrift bij het dossier is gevoegd en in welke mate er een wettelijk beletsel voor die voeging bestaat. Het Hof gaat na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen onverantwoorde gevolgen afleidt.
  6. Het arrest oordeelt: - de omstandigheid dat in het proces-verbaal 510666/2020, dat werd gevoegd uit een ander strafonderzoek, enkel wordt verwezen naar de processen-verbaal 508742/2020, 509755/2020, 510264/2020, 510652/2020 en 529273/2019 zonder voeging van die afzonderlijke processen-verbaal, heeft niet tot gevolg dat er in deze zaak rekening zou zijn gehouden met gegevens die niet aan het voorliggende dossier zouden zijn gevoegd; - het proces-verbaal 510666/2020 is voldoende uitgebreid en bevat alle gegevens waarop de onderzoekshypothese kon worden gebaseerd dat de gebruiker van de beide in dat proces-verbaal genoemde PIN's dezelfde persoon zou zijn en dat deze persoon de eiser zou zijn; - hetzelfde geldt voor het gevoegde proces-verbaal 511261/2020 waarin een overzicht wordt gegeven van de uitgevoerde onderzoekshandelingen die het arrest beschrijft en op basis waarvan de onderzoekspiste werd geformuleerd dat de eiser de gebruiker is van een welbepaalde PIN; - alle voormelde informatie is aanwezig in het dossier en heeft dan ook het voorwerp uitgemaakt van het debat voor de raadkamer en kon door de eerste rechter gebruikt worden om haar oordeel te vormen. Er is geen enkele aanleiding noch reden om de beroepen beschikking nietig te verklaren. Er ligt geen enkele schending van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 EVRM voor; - de eiser maakt het niet afdoende aannemelijk dat de beoordelende rechters geen integraal dossier ter beschikking zouden hebben gekregen; - met betrekking tot gegevens en informatie die uit andere dossiers zouden voortkomen, haalt de eiser aan dat hij de regelmatigheid ervan niet kan controleren en dat zijn recht op inzage en het recht op informatie zijn miskend; - de eiser voert niet aan dat de door hem aangeklaagde gegevens op onregelmatige wijze werden verkregen. Hij maakt zulks niet aannemelijk op een wijze die het niveau van een loutere bewering of veronderstelling overstijgt. Hij hekelt enkel dat hij geen nazicht kan doen op enige mogelijke nietigheid van bewijsverkrijging; - er zijn geen redenen om in de huidige stand van de strafrechtspleging te twijfelen aan de regelmatigheid van de gegevens of te oordelen dat het recht van verdediging of dat op een eerlijk proces onherroepelijk is miskend. Het geheime karakter van het onderzoek in het SKY-dossier kan op heden worden ingeroepen om nog niet alle voorhanden zijnde informatie aan de eiser kenbaar te maken; - het recht van verdediging en dat op een eerlijk proces moeten worden beoordeeld over het geheel van de rechtspleging. In deze fase van de strafrechtspleging zijn die rechten overigens niet absoluut, tenzij zou blijken dat een eerlijk proces ten gronde onmogelijk is geworden, hetgeen niet het geval is. Het is bovendien mogelijk dat die gegevens zelf nog het voorwerp uitmaken van lopende strafrechtelijke onderzoeken; - uit de omstandigheid dat de eiser thans geen inzage heeft in die gegevens kan geen schending van artikel 6 EVRM worden afgeleid, noch een miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging, het recht van inzage of het recht op informatie. De eiser heeft inzage gekregen van alle stukken van het voorliggende dossier en heeft daarover tegenspraak kunnen voeren. Tijdens zijn verschillende verhoren en herverhoren is de eiser bovendien veelvuldig geconfronteerd geworden met uittreksels uit bepaalde gesprekken; - de ernstige aanwijzingen van schuld zoals vermeld in het bevel tot aanhouding bestaan nog steeds en worden bevestigd. Het gaat meer specifiek vooreerst om de ondertussen binnengelopen onderzoeksresultaten van de cryptofoon die bij de huiszoeking van 9 maart 2021 in het bezit van de eiser werd aangetroffen en waarvan hij voordien niet had betwist dat het om een cryptofoon zou gaan maar wel dat het zijn eigendom zou zijn geweest. De eiser heeft steeds voorgehouden dat hij die cryptofoon voor iemand uit zijn onmiddellijke omgeving bijhield; - daarnaast gaat het om het aantreffen van een Google-toestel met Russische simkaart in het voertuig van de eiser bij de zoeking van 6 december 2021, waarvoor aanwijzingen bestaan dat het een nieuwe cryptofoon zou zijn. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat eisers recht op inzage van het dossier van de voorlopige hechtenis niet is miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM: het arrest steunt de beslissing tot handhaving van eisers voorlopige hechtenis op processen-verbaal uit een ander gerechtelijk onderzoek; de appelrechters hebben geen inzage gehad van die processen-verbaal en dus niet beschikt over het integrale dossier; aldus heeft er geen werkelijke beoordeling van eisers voorlopige hechtenis binnen korte termijn plaatsgevonden.
  8. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de appelrechters wel degelijk beschikten over het volledige dossier vereist voor het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de handhaving van eisers voorlopige hechtenis. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.161 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220705.VAK.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.