id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5 Rolnummer: P.21.0373.N Zaak: V. contra PREFLEXIBEL NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-01-13 Raadplegingen: 738 - laatst gezien 2026-06-19 02:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer wegens verscheidene milieumisdrijven één straf is uitgesproken alsmede bijkomende veroordelingen waaronder een herstelmaatregel, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk het middel dat enkel betrekking heeft op twee van die misdrijven, terwijl de uitgesproken straf naar recht verantwoord blijft door de veroordeling uit hoofde van de andere misdrijven en uit die veroordeling niet blijkt dat de straffen en bijkomende veroordelingen, waaronder de bevolen herstelmaatregel, mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastleggingen die betrekking hebben op die twee misdrijven
(1)F. VAN VOLSEM, “Een bijzondere grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatiemiddel in strafzaken: de naar recht verantwoorde straf”, noot onder Cass. 24 september 2019, AR. P.19.0351, RABG 2020, pp. 36-53; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2, AC 2013, nr. 269; M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2021, t.II, pp. 1827-1830. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Artt. 5.2.1, §§ 3, 4 en 5, 5.4.9, § 1, 16.6.1, § 1, eerste lid, en 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Artt. 5.2.1, §§ 3, 4 en 5, 5.4.9, § 1, 16.6.1, § 1, eerste lid, en 16.6.6 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Decr. 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - 25-04-2014 - Artt. 5.1°, c), en 6, eerste lid - M4 ELI link Pub nr 2014036510 Fiches 3 - 4 Overeenkomstig artikel 16.6.6, §3, DABM dient de rechtbank een termijn te bepalen voor de uitvoering van de bij toepassing van artikel 16.6.6, §1, DABM bevolen herstelmaatregel en kan hij op vordering van de gemachtigde ambtenaar een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van die herstelmaatregel; die bepaling verzet zich niet ertegen dat de rechter op vordering van het openbaar ministerie een dwangsom bepaalt per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de bij toepassing van artikel 16.6.6, §1, DABM bevolen herstelmaatregel. Thesaurus CAS: MILIEURECHT OPENBAAR MINISTERIE Tekst van de beslissing Nr. P.21.0373.N J E V M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. PREFLEXIBEL nv, met zetel te 9400 Ninove, Elisabethlaan 153, burgerlijke partij, 2. STAD NINOVE, met kantoor te 9400 Ninove, Centrumlaan 100, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 februari 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging C.2. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 5.2.1, § 3, § 4 en § 6, eerste lid, en 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM en de artikelen 5, 1°,
- c)en 6, eerste lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: door enerzijds te oordelen dat de telastleggingen A.3 en A.4 zich vereenzelvigen met de feiten van de telastlegging A.1 en anderzijds de eiser schuldig te verklaren aan de telastleggingen A.3 en A.4, baseren de appelrechters zich op tegenstrijdige redenen; de telastlegging A.1 heeft immers betrekking op afval dat werd opgeslagen op het stedenbouwkundig niet vergunde perceel 1587/M/3, terwijl de telastleggingen A.3 en A.4 betrekking hebben op afval dat werd opgeslagen op stedenbouwkundig wél vergunde percelen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: door te oordelen dat de telastleggingen A.3 en A.4, die betrekking hebben op feiten op stedenbouwkundig vergunde percelen, zich vereenzelvigen met de telastlegging A.1, die betrekking heeft op feiten op het stedenbouwkundig niet vergunde perceel 1587/M/3, zonder de eiser de gelegenheid te bieden zich hierover te verweren en hierover een debat te voeren, miskent het arrest het recht op tegenspraak dat vervat is in het recht op een eerlijk proces; de telastlegging A.1 enerzijds en de telastleggingen A.3 en A.4 anderzijds hebben betrekking op verschillende feiten en werden ook anders gekwalificeerd. 3. Het arrest oordeelt dat: - als gevolg van de devolutieve werking van de beperkte hogere beroepen en de grieven, het beroepen vonnis definitief is wat de schuld van de eiser betreft aan de telastleggingen A.2, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, B.1, B.2, B.3, B.4, B.5 en B.6; - de eiser schuldig is aan de telastleggingen A.1, A.3, A.4, A.5 en C.1; - er zich nog steeds afval op het terrein bevindt en de vennootschap momenteel niet langer over een geldige milieuvergunning beschikt, zodat het nog steeds noodzakelijk en opportuun is om het herstel te bevelen door de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen en door het verwijderen van alle aanwezige afval en materiaal. 4. Het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, B.1, B.2, B.3, B.4, B.5, B.6 en C.1, na te hebben vastgesteld dat de bewezen feiten de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, tot een gevangenisstraf van twee jaar een geldboete van 30.000,00 euro, na verhoging met 70 opdeciemen gebracht op 240.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, tot de vergoeding voor de kostprijs van het verloop van de strafprocedure alsook tot de gerechtskosten. Verder legt het arrest de eiser als beveiligingsmaatregel een exploitatieverbod op en veroordeelt het hem bij toepassing van artikel 16.6.6 DABM om de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen en alle aanwezige afval en materiaal op een legale wijze te verwijderen. Het arrest veroordeelt de eiser ook om schadevergoedingen te betalen aan de verweersters. Die straffen en bijkomende veroordelingen, waaronder de bevolen herstelmaatregel, alsook de veroordelingen op de burgerlijke rechtsvorderingen, zijn wettig verantwoord door de bewezenverklaring van de telastleggingen A.1 (behoudens in zoverre daarin de feiten van de telastleggingen A.3 en A.4 zijn vervat), A.2, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, B.1, B.2, B.3, B.4, B.5, B.6 en C.1. Uit het arrest blijkt niet dat de straffen en bijkomende veroordelingen, waaronder de bevolen herstelmaatregel, en de veroordelingen op de burgerlijke rechtsvorderingen, mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastleggingen A.1 (in zoverre daarin de feiten van de telastleggingen A.3 en A.4 zijn vervat), A.3 en A.4. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 16.6.6 DABM: de beslissing van de appelrechters om aan de niet-tijdige uitvoering van de op vordering van het openbaar ministerie bevolen herstelmaatregel de verbeurte van een dwangsom te koppelen, is niet naar recht verantwoord; volgens artikel 16.6.6, § 3, tweede lid, DABM kan er enkel een dwangsom worden bepaald op vordering van de gemachtigde ambtenaar; er blijkt niet dat er behalve door het openbaar ministerie ook door de gemachtigde ambtenaar een herstelmaatregel werd gevorderd. 6. Overeenkomstig artikel 16.6.6, § 3, DABM dient de rechtbank een termijn te bepalen voor de uitvoering van de bij toepassing van artikel 16.6.6, § 1, DABM bevolen herstelmaatregel en kan hij op vordering van de gemachtigde ambtenaar een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van die herstelmaatregel. Die bepaling verzet zich niet ertegen dat de rechter op vordering van het openbaar ministerie een dwangsom bepaalt per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de bij toepassing van artikel 16.6.6, § 1, DABM bevolen herstelmaatregel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het openbaar ministerie het herstel in de oorspronkelijke toestand heeft gevorderd onder verbeurte van een dwangsom. De appelrechters konden bijgevolg een dwangsom bepalen per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van het bevolen herstel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 160,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div