id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 Rolnummer: P.21.1259.N Zaak: LEASEPLAN FLEET MANAGEMENT NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-01-13 Raadplegingen: 858 - laatst gezien 2026-06-18 23:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat (-) de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen (-) de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten en alzo schriftelijk kan worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking, maar ze kan ook mondeling worden gesteld (-) het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiche 2 Een schuldigverklaring van de kentekenplaathouder-rechtspersoon aan het door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de kentekenplaathouder is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door de kentekenplaathouder daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 6 Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de kentekenplaathouder dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder, mits de kentekenplaathouder gelet op de zware sanctie die hij kan oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikt om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen en dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de kentekenplaathouder zelf of aan de zetel ervan
(1); de rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de kentekenplaathouder-rechtspersoon het vermoeden afleidt dat de kentekenplaathouder daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
(1)Cass. 14 december 2021, AR P.21.1108.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.16, AC 2021, nr. 800; Contra Cass. 18 september 2019, AR P.19.0246.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190918.2, AC 2019, nr. 465; Cass. 23 januari 2019, AR P.18.0623.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.12, AC 2019, nr. 41; Cass. 29 april 2014, AR P.13.1977.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.2, AC 2014, nr. 302; zie over deze problematiek: C. DE ROY, “Het ontvangen door de rechtspersoon van de vraag tot identificatie van de bestuurder van het motorvoertuig in de zin van artikel 67ter Wegverkeerswet, VAV 2014, 47-49; S. STALLAERT, “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en wegverkeer: artikel 67ter Wegverkeerswet en het belang van de pleitbezorger”, T.Strafr. 2013, 107-108; S. Szulanski, “L'article 67ter de la loi rélative à la police de la circulation routière”, VAV 2009,
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1259.N LEASEPLAN FLEET MANAGEMENT nv, met zetel te 1831 Machelen (Diegem), Telecomlaan 9, bus 6, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sabine Szulanski, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 22 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat de eiseres de vraag om inlichtingen heeft ontvangen en de eiseres bijgevolg feitelijke elementen diende aan te brengen die het gebrek aan die ontvangst aannemelijk zouden maken; die regel is gesteund op de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal; het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt niet dat de vraag om inlichtingen werd verzonden; bijgevolg is er geen feitelijke of wettelijke grondslag om een vermoeden van verzending en ontvangst van die vraag aan te nemen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en de bewijslast: het bestreden vonnis verplicht de eiseres een negatief bewijs van het niet-ontvangen van de vraag om inlichtingen aannemelijk te maken; het gebruik van een vermoeden is toegelaten indien het tegenbewijs mogelijk is; aldus is het onmogelijk voor de eiseres om haar onschuld te bewijzen; de eiseres heeft bovendien een element aangebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij de bedoelde vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen, namelijk de omstandigheid dat zij wel binnen de vastgestelde termijn heeft geantwoord op de hernieuwde vraag van het openbaar ministerie van 20 februari
- Artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt dat: - wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een op naam van een rechtspersoon ingeschreven motorvoertuig en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe is gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen; - deze mededeling moet gebeuren binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.
- Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200,00 euro tot 4.000,00 euro of met een van de straffen alleen hij die de door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde verplichtingen niet nakomt. Voor rechtspersonen dient de geldboete te worden berekend overeenkomstig artikel 41bis Strafwetboek. Ingeval van herhaling binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak na een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, worden de straffen verdubbeld.
- Het voormelde door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf is te onderscheiden van het door artikel 67ter, vierde lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf bestaande in het niet nemen als rechtspersoon of als natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt van de nodige maatregelen om aan de identificatieverplichting van artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet te voldoen.
- Uit artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen; - de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten: zo kan zij schriftelijk worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking, maar ze kan ook mondeling worden gesteld; - het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft.
- Een schuldigverklaring van de kentekenplaathouder-rechtspersoon aan het door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de kentekenplaathouder is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door de kentekenplaathouder daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder.
- Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de kentekenplaathouder dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder, mits de kentekenplaathouder gelet op de zware sanctie die hij kan oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikt om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen. Dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de kentekenplaathouder zelf of aan de zetel ervan.
- De rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de kentekenplaathouder-rechtspersoon het vermoeden afleidt dat de kentekenplaathouder daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de op 21 december 2018 aan de eiseres verstuurde uitnodiging tot onmiddellijke inning bevatte tevens een vraag om inlichtingen gericht aan de eiseres; - er zijn geen redenen om te twijfelen aan de effectieve verzending ervan; - het door de artikelen 29ter en 67ter Wegverkeerswet bedoelde misdrijf vereist niet het bewijs van het feit dat die vraag om inlichtingen ook werd ontvangen door de kentekenplaathouder; - indien de titularis van de kentekenplaat of de houder van het voertuig beweert dat hij het verzoek om inlichtingen niet heeft ontvangen, moet hij de feitelijke elementen opgeven die zijn bewering aannemelijk maken; - de eiseres maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat zij het verzoek om inlichtingen niet heeft ontvangen.
- Het bestreden vonnis leidt dan ook het vermoeden dat de eiseres kennis had van de vraag om inlichtingen louter af uit de verzending van de uitnodiging tot onmiddellijke inning met een vraag om inlichtingen, zonder vast te stellen dat blijkt dat die vraag om inlichtingen aan de eiseres zelf werd aangeboden dan wel op haar zetel. Die beslissing schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar dit het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 162,58 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190918.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250304.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.15 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260106.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div