id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.9 Rolnummer: P.21.1512.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-01-13 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-06-18 21:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het vonnis dat het verzet tegen een verstekvonnis ontvankelijk verklaart maar dat nalaat het verstekvonnis voor onbestaande te houden en opnieuw uitspraak te doen overeenkomstig het ontvankelijk verklaarde verzet en zich beperkt tot een nieuwe beoordeling van de schuld van de beklaagde aan één van de drie telastleggingen en van de aan hem op te leggen straffen, schendt artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Cass. 27 mei 2020, AR P.20.0418.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.1, AC 2020, nr. 325; Cass. 26 oktober 1983, AR nr. 2923, AC 1983-84, nr.
- Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1512.N S Z, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Filip Mertens, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 15 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering: niettegenstaande het bestreden vonnis oordeelt dat het beroepen vonnis ten onrechte heeft beslist dat het verzet van de eiser tegen het verstekvonnis onontvankelijk is en dat bijgevolg dit verzet wel degelijk ontvankelijk is, bevestigt het bestreden vonnis het beroepen vonnis; het bestreden vonnis had eisers hoger beroep gegrond moeten verklaren, het beroepen vonnis moeten vernietigen, het verzet ontvankelijk verklaren, het verstekvonnis voor onbestaande houden en opnieuw moeten oordelen; het dictum van het bestreden vonnis laat zowel het verstekvonnis als het vonnis op verzet bestaan; het dictum is in strijd met de overwegingen van het bestreden vonnis.
- Artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ten gevolge van het verzet de veroordeling voor niet bestaande wordt gehouden, behoudens in de hier niet toepasselijke gevallen bedoeld in de paragrafen 5 tot
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij verstekvonnis van 4 oktober 2016 schuldig werd verklaard aan de feiten van de telastleggingen A, B en C en voor het feit van de telastlegging A en voor de feiten van de telastleggingen B en C telkens tot straf werd veroordeeld, alsook tot de bijdragen, de vergoeding en de kosten; - het beroepen vonnis het verzet van de eiser tegen dit verstekvonnis onontvankelijk heeft verklaard; - tegen het beroepen vonnis zowel door de eiser als het openbaar ministerie hoger beroep werd ingesteld, waarbij de eiser onder meer als grief de onontvankelijkverklaring van zijn verzet heeft aangevoerd naast de schuldigverklaring aan het feit van de telastlegging C en de strafmaat; - het bestreden vonnis oordeelt dat het verzet tegen het verstekvonnis wel degelijk ontvankelijk is.
- Het bestreden vonnis dat nalaat het verstekvonnis voor onbestaande te houden en opnieuw uitspraak te doen overeenkomstig het ontvankelijk verklaarde verzet, maar zich beperkt tot een nieuwe beoordeling van de schuld van de eiser aan het feit van de telastlegging C en van de aan de eiser op te leggen straffen en op die grond vervolgens het beroepen vonnis bevestigt, schendt artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre dit de hogere beroepen van de eiser en van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 110,44 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200527.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div