← België

VLAAMS GEWEST contra ETHIAS n.v.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.4 Rolnummer: C.21.0209.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra ETHIAS n.v. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-06-16 04:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De dagvaarding stuit niet alleen de verjaring van de vordering die ze inleidt, maar ook van de vorderingen die daarin virtueel begrepen zijn. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Artikel 101 Wet Rijkscomptabiliteit - Dagvaarding - Omvang Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 101 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Vrije woorden: Dagvaarding - Stuiting - Omvang Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 101 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Stuiting - Omvang Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 101 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 4 Behoudens andersluidende bepaling duurt de stuiting van de verjaring door een dagvaarding voort tijdens het gehele geding, dit is tot op de dag van de uitspraak van het vonnis of het arrest dat een einde maakt aan het geding. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Dagvaarding - Stuiting - Duur Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 101 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0209.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.484.654, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 november

  1. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 101 Wet Rijkscomptabiliteit, zoals hier van toepassing, wordt de verjaring gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, alsook door een schulderkenning van de Staat, en schorst het instellen van een rechtsvordering de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen.
  3. De dagvaarding stuit niet alleen de verjaring van de vordering die ze inleidt, maar ook van de vorderingen die daarin virtueel begrepen zijn. De stuiting van de verjaring door een dagvaarding duurt, behoudens andersluidende wetsbepaling, voort tijdens het gehele geding, dit is tot op de dag van de uitspraak van het vonnis of het arrest dat een einde maakt aan het geding.
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster vergoedingen heeft uitbetaald aan bij het ongeval van 30 mei 2004 gekwetste slachtoffers op grond van artikel 29bis WAM en als gesubrogeerde in hun rechten haar uitgaven terugvorderde van de eiser; - bij definitief vonnis van 20 december 2007 van de politierechtbank te Halle de aansprakelijkheid bij helften werd verdeeld en de eiser werd veroordeeld tot terugbetaling aan de verweerster van de helft van de provisionele vergoedingen die zij op dat ogenblik had betaald; - de politierechtbank te Halle bij vonnis van 22 november 2018 de vordering van de verweerster, ingesteld bij dagvaarding van 3 juli 2015, tot terugbetaling van een aanvullende provisie betaald aan één van de slachtoffers onontvankelijk heeft verklaard wegens verjaring; - de dagvaarding van 10 februari 2006 die leidde tot het vonnis van 20 december 2007, strekte tot een provisionele veroordeling van de eiser waarbij de verweerster verzocht haar akte te verlenen van de raming van haar vordering, “onder alle voorbehoud van wijziging in de loop van het geding, hetzij vermeerdering hetzij vermindering, op 100.000,00 euro” en aldus meer viseerde dan de bedragen waarvoor een beslissing in rechte werd uitgesproken; - de stuiting van de verjaring van deze vordering loopt zolang er geen definitief vonnis werd uitgesproken zowel omtrent de vorderingen waarover tegenspraak werd gevoerd en waarvoor een vonnis werd verkregen als omtrent de virtueel daarin begrepen vorderingen.
  5. De appelrechter die oordeelt dat het niet relevant is na te gaan of het vonnis van 20 december 2007 al dan niet beschouwd moet worden als een eindvonnis omdat het vaststaat dat dit vonnis zich niet heeft uitgesproken over de virtueel in de dagvaarding begrepen vorderingen en de vordering van de verweerster ingesteld bij dagvaarding van 3 juli 2015 op die grond niet verjaard verklaart, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.