id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.9 Rolnummer: C.19.0153.N-C.19.0174.N Zaak: ARTILIUM nv contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 1998 - laatst gezien 2026-06-18 23:46 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220113.1N.9 Fiche 1 De motiveringsplicht van de arbiter houdt, zoals artikel 149 Grondwet, een vormvereiste in, op grond waarvan de arbiter moet antwoorden op elk afzonderlijk middel van de conclusies
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motiveringsplicht - Draagwijdte - Taak van de arbiter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage. Fiche 2 Het antwoord van de arbiter op elk afzonderlijk middel van de conclusies mag impliciet zijn, voor zover het duidelijk en zeker strekt tot repliek op het middel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Motiveringsplicht - Vormvereiste - Taak van de arbiter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage Fiches 3 - 4 Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; het oorzakelijk verband kan slechts worden uitgesloten als de rechter oordeelt dat de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Gevorderde schadevergoeding - Voorwaarde - Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde schadevergoeding - Voorwaarde - Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie ingeval van ontbinding op grond van artikel 1184, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, heeft tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Ontbinding krachtens artikel 1184, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek - Schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie - Doel Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1149 en 1184, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 6 Indien het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel te wijten is aan een fout, komt het verlies voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Verlies van een kans - Voorwaarden voor vergoeding Annotaties Publicaties: RDC-Revue de droit commercial belge - 2022, n° 7, p. 947-
- - VANDERSTAPPEN, Nicolas; Note'La responsabilité des arbitres pour une sentence annulée et la perte de chance de ne pas obtenir une décision de justice plus favorable' RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 35, p. 1387-
- - LIEVENS, Sven; Noot'Het oorzakelijk verband tussen fout en schade (wegens verlies van een kans)' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0153.N ARTILIUM nv, met zetel te 8200 Brugge, Vaartdijkstraat 19, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0468.433.091, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen E. V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerder woonplaats kiest. II Nr. C.19.0174.N E. V., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ARTILIUM nv, met zetel te 8200 Brugge, Vaartdijkstraat 19, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0468.433.091, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 28 november 2017 en 11 september
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 23 december 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd in de zaak C.19.0153.N en op 24 december 2021 in de zaak C.19.0174.N. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres I voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De cassatieberoepen in de zaken C.19.0153.N en C.19.0174.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak C.19.0153.N (…) Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 1701, 6°, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt dat de arbitrale uitspraak met redenen omkleed moet worden. Artikel 1704, 2°, i), Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien zij niet met redenen is omkleed. Zoals onder gelding van artikel 149 Grondwet houdt deze motiveringsverplichting een vormvereiste in, op grond waarvan de arbiter moet antwoorden op elk afzonderlijk middel van de conclusies. Dit antwoord mag impliciet zijn, voor zover het duidelijk en zeker strekt tot repliek op het middel.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres in haar eindconclusie voor de arbiter heeft aangevoerd dat de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst onrechtmatig heeft beëindigd op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding wegens schending door de eiseres van haar contractuele verplichting om als aannemer een functionerend platform te leveren, aangezien deze niet-nakoming niet aan haar te wijten was maar aan een gebrek aan medewerking te kwader trouw van de opdrachtgever tijdens de uitvoering van de overeenkomst; - de verweerder in zijn arbitraal vonnis van 24 juni 2011 heeft geoordeeld dat de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst rechtmatig heeft beëindigd op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding, omdat de eiseres er niet in was geslaagd om haar contractuele leveringsplicht na te leven en de vertragingen die waren opgelopen door het gedrag van de opdrachtgever niet van die aard waren om de verantwoordelijkheid van de eiseres voor deze niet-naleving te verminderen.
- De appelrechters oordelen dat “[de verweerder] inderdaad niet uitdrukkelijk heeft gesteld dat [de opdrachtgever] niet te kwader trouw was. Hij oordeelt echter ondubbelzinnig en uitdrukkelijk dat [de eiseres] tekort is geschoten in haar leveringsplicht en dat dit alleen aan haar toerekenbaar is, en dat de verantwoordelijkheid van [de opdrachtgever] daarop geen invloed heeft”; “met die beoordeling de door [de eiseres] aangevoerde kwade trouw van [de opdrachtgever] uiteraard niet verenigbaar is” en dat “door te oordelen dat [de opdrachtgever] ook voor vertraging heeft gezorgd maar dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van [de eiseres], hij impliciet maar zeker heeft geantwoord op wat [de eiseres] had aangevoerd over het gedrag van [de opdrachtgever] bij de uitvoering van de overeenkomst.” Door op die grond te oordelen dat de verweerder zijn motiveringsverplichting niet heeft miskend, verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Tweede middel Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat het niet vaststaat dat de eiseres zonder de fout van de verweerder niet de kosten van de procedure tot vernietiging zou hebben gedragen en verwerpen, bij gebrek aan oorzakelijk verband, de schadepost inzake de kosten van de procedure tot vernietiging van de arbitrale beslissing.
- De appelrechters die het oorzakelijk verband tussen de fout van de verweerder en de schade uitsluiten, zonder vast te stellen dat de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout, met name zonder te onderzoeken of de kosten van de vernietigingsprocedure dezelfde zouden zijn geweest zonder de fout, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Derde onderdeel
- Krachtens artikel 1149 Oud Burgerlijk Wetboek, moet de schuldenaar, bij de foutieve niet-uitvoering van een contractuele verbintenis, volledig instaan voor het verlies van de schuldeiser en voor de winst die hij heeft moeten derven, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 Oud Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 1184, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek heeft in wederkerige contracten de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding. De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie ingeval van ontbinding op grond van voormeld artikel, heeft tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen.
- Uit de syntheseberoepsconclusie van de eiseres blijkt dat zij onder meer schadevergoeding heeft gevorderd voor de advocatenkosten die zij heeft betaald in het kader van de arbitrage en voor de tijd die haar management en personeel aan de arbitrage heeft moeten spenderen waardoor deze onbeschikbaar waren voor andere taken. De eiseres voerde aan dat deze kosten volledig nutteloos werden gemaakt aangezien de arbitrale sententie vernietigd werd en de partijen bijgevolg niet hebben behaald waarvoor zij hebben betaald, namelijk een beslissing die hun geschil beëindigt.
- Na de arbitrageovereenkomst bij toepassing van artikel 1184 Oud Burgerlijk Wetboek te hebben ontbonden in het nadeel van de verweerder en te hebben geoordeeld dat de eiseres aanspraak kan maken op de terugbetaling van het ereloon dat zij aan de verweerder betaalde, oordelen de appelrechters in verband met de voormelde schadeposten dat: - de fout van de verweerder bestaat uit inbreuken op de tegenspraak, het geheim van het beraad en het overdragen van rechtsmacht aan de technische expert; - om na te gaan wat de schade is die daardoor is veroorzaakt, moet onderzocht worden wat de situatie van de eiseres zou zijn geweest zonder de fout; - omdat de arbitrale beslissing de eiseres onder meer veroordeelt tot de juridische kosten en alle kosten van de arbitrage, de beoordeling van deze schadepost raakt aan de vraag naar de kans op een andere beoordeling zonder de fout van de verweerder; - uit de motivering van de arbitrale sententie niet blijkt dat de verweerder zijn oordeel heeft gesteund op argumenten van zuiver technische aard die de partijen niet zelf hebben aangebracht en bijgevolg niet blijkt dat overwegingen van technische aard afkomstig van de technische expert bepalend zijn geweest voor de beoordeling door de verweerder; - hieruit volgt dat de eiseres niet bewijst dat zij zonder de fout van de verweerder mogelijk een andere, voor haar gunstigere beoordeling zou hebben verkregen.
- Door aldus te oordelen dat ook indien de verweerder zijn verbintenissen als arbiter zonder fout had uitgevoerd, de advocatenkosten en de kosten voor haar management en personeel ten laste zouden zijn gebleven van de eiseres, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat deze kosten niet kunnen worden beschouwd als door de verweerder te vergoeden schadeposten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde en vijfde onderdeel
- De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat.
- In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat het verlies van elke kans op een gunstigere beslissing zonder de fout van de verweerder aanleiding kan geven tot schadevergoeding, falen ze naar recht.
- Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.
- De appelrechters oordelen dat: - de fout van de verweerder bestaat uit inbreuken op het recht op tegenspraak en op het geheim van het beraad en uit het overdragen van rechtsmacht, begaan in het raam van de tussenkomst van een technisch expert; - in huidig geval blijkt vast te staan dat de eiseres niet geslaagd was in de uitvoering van de contractuele verbintenissen ten aanzien van de opdrachtgever; - de verweerder heeft geoordeeld dat deze tekortkoming te wijten was aan de eiseres; - uit de motivering niet blijkt dat de verweerder hierbij heeft gesteund op argumenten van zuiver technische aard die de partijen niet zelf hebben aangebracht; - dus niet blijkt dat overwegingen van technische aard afkomstig van de technische expert bepalend zijn geweest voor de beoordeling door de verweerder; - uit een en ander volgt dat de eiseres niet bewijst dat zij zonder de fout van de verweerder mogelijk een andere, voor haar gunstigere, beoordeling zou hebben verkregen.
- Door aldus te oordelen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de verweerder, bestaande uit inbreuken op het recht op een eerlijk proces, en de door de eiseres aangevoerde schade, namelijk het verlies van een kans op een gunstigere beoordeling, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre de onderdelen schending aanvoeren van artikel 6.1 EVRM, artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, kunnen ze niet worden aangenomen. (…) C. Zaak C.19.0174.N (…) Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.19.0153.N en C.19.0174.N. Verwerpt het cassatieberoep in de zaak C.19.0174.N. Veroordeelt de eiser tot de kosten in de zaak C.19.0174.N. Bepaalt de kosten voor de eiser in deze zaak op 812,77 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Vernietigt in de zaak C.19.0153.N het arrest van 28 november 2017 voor zover het uitspraak doet over de vergoeding van de kosten van de vernietigingsprocedure en het arrest van 11 september 2018 voor zover dit de vordering gedeeltelijk gegrond verklaart en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Veroordeelt de verweerder tot de kosten van betekening van de memorie van antwoord. Bepaalt de kosten voor de verweerder op 293,32 euro. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220113.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240916.3F.1 ECLI:BE:CTBRL:2024:ARR.20241209.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div