← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1294.N Y T K, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Isabelle Slaets, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 17 december 2021 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 18 januari 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers hoger beroep vervallen omdat hij niet tijdig een grievenformulier heeft ingediend en hij zich niet kan beroepen op overmacht; de eiser heeft in de gevangenis hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis op de dag waarop dit hem werd betekend; de volgende dag is hem een grievenformulier overhandigd; de eiser had toen geen advocaat, hij is het Nederlands niet machtig en uit geen enkel stuk blijkt dat hij ervan werd ingelicht dat hij tijdig een grievenformulier moest indienen; aldus miskent het arrest het begrip overmacht.
  3. Op grond van artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de betekening van een bij verstek gewezen vonnis. Artikel 204 van dat wetboek bepaalt dat een beklaagde, op straffe van verval van het hoger beroep, binnen dezelfde termijn ook een grievenschrift moet indienen, dat nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven bevat. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
  4. Uit die bepalingen volgt dat het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is om het hoger beroep van een beklaagde die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen, vervallen te verklaren.
  5. Uit artikel 6.1 EVRM en de door die bepaling gewaarborgde rechten op toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt echter dat het appelgerecht die vervallenverklaring enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen. Is dat niet het geval, dan kan de betrokkene zich beroepen op overmacht.
  6. Wanneer de gedetineerde beklaagde geen advocaat heeft, kan hij van de vermelde verplichting worden ingelicht op enig welke wijze. Dit kan gebeuren door de gevangenisadministratie. Het feit dat de betrokkene die informatie heeft ontvangen, moet echter niet blijken uit enige uitdrukkelijke vermelding in een stuk van het strafdossier. Het appelgerecht oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak. Het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  7. Het arrest stelt vast en oordeelt dat: - de eiser bij het beroepen vonnis van 23 december 2019 bij verstek is veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van twee jaar wegens poging tot diefstal met braak, inklimming of valse sleutels en lidmaatschap van een vereniging van misdadigers, in staat van wettelijke herhaling; - de eiser vanuit de gevangenis, waar hij was aangehouden om andere redenen, hoger beroep tegen dit vonnis heeft ingesteld op 5 februari 2020, dit is de datum van de betekening ervan in de gevangenis; - gezien kennelijk ervan werd uitgegaan dat de eiser ook verzet tegen dit vonnis had ingesteld, hij werd opgeroepen voor de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, waar hij op de rechtszitting van 25 februari 2020 heeft vermeld een advocaat te gaan raadplegen; - die rechtbank, nadat verder was gebleken dat de eiser geen verzet maar enkel hoger beroep had ingesteld, de zaak heeft overgemaakt aan het hof van beroep; - de eiser niet betwist dat hem in de gevangenis een grievenformulier werd overhandigd, maar stelt dat dit was opgesteld in de Nederlandse taal die hij niet machtig is en dat hem geen uitleg werd gegeven; - er hier geen sprake is van overmacht en de toepassing van de vervallenverklaring bepaald in artikel 204 Wetboek van Strafvordering geenszins een overdreven formalisme of een schending van artikel 6.1 EVRM uitmaakt aangezien de eiser op de hoogte was of minstens op de hoogte kon zijn van de verplichting tijdig een grievenschrift in te dienen, wat blijkt uit de volgende punten: ? de eiser erkent het grievenformulier te hebben ontvangen, weze het volgens zijn beroepsconclusie op 6 februari 2020; ? het is ongeloofwaardig dat de eiser daarbij geen uitleg zou hebben gekregen door de afgevaardigde van de gevangenisdirecteur over de verplichting een grievenformulier in te dienen en de termijn die hij daartoe had; ? de eiser verscheen in deze zaak, bijgestaan door een tolk, reeds op 25 februari 2020 voor de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, waarbij hij erop werd gewezen dat hij klaarblijkelijk enkel hoger beroep had ingesteld en hij in de gelegenheid werd gesteld een advocaat te raadplegen, hetgeen hij meedeelde te zullen doen en waarbij enig initiatief van de eiser op dat ogenblik hoe dan ook kon hebben geleid tot de tijdige neerlegging van een grievenformulier; ? de eiser koos ervoor geen enkel initiatief te nemen om zich te laten bijstaan, maar zou integendeel pas op 21 mei 2021, dit is een paar dagen vóór de rechtszitting van het hof van beroep, een advocaat raadplegen; ? uit eisers omvangrijke strafregister kan worden afgeleid dat hij reeds vaak met het gerecht in aanraking kwam en dat hij in een Franstalige zaak reeds werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 november 2020, zodat hij bezwaarlijk kan voorhouden onwetend te zijn van de strafprocedure met inbegrip van de reeds sinds 29 februari 2016 bestaande verplichting een grievenschrift in te dienen bij het aantekenen van hoger beroep.
  8. Uit die vaststellingen kan het arrest niet wettig afleiden dat er voor de eiser geen overmachtssituatie bestond bij gebrek aan de nodige kennis van zijn verplichting om tijdig een grievenschrift neer te leggen. Immers: - het enkele feit dat de eiser daags na het instellen van zijn hoger beroep in de gevangenis een grievenschrift kreeg overhandigd, maakt niet aannemelijk dat hij daarover, in een taal die hij verstaat, ook de nodige uitleg heeft gekregen; - het feit dat de eiser niet zo snel mogelijk een advocaat heeft geraadpleegd, maakt niet aannemelijk dat hij voorafgaand aan het raadplegen van een advocaat kennis had of moest hebben van de verplichting tijdig een grievenformulier neer te leggen; - uit het feit dat de eiser een beladen strafregister heeft en dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen een Franstalig veroordelend vonnis, blijkt niet dat de eiser zodanig op de hoogte is van de strafprocedure dat hij in de omstandigheden waarin hij hier was geplaatst, wist of moest weten dat zijn hoger beroep vervallen zou worden verklaard indien hij niet tijdig een grievenschrift indiende. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige onderdelen
  9. De onderdelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220920.2N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.