id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.18 Rolnummer: P.22.0046.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-24 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-19 01:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit geen enkele verdrags-of wetsbepaling volgt dat indien een uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd omdat een overlevering een onevenredige aantasting zou zijn van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privé-en familiaal leven van de betrokkene, die beslissing zich zou opdringen aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat aan wie de uitvaardigende staat om de tenuitvoerlegging van hetzelfde Europees aanhoudingsbevel heeft verzocht
(1); die bevoegde autoriteit van de nieuw aangezochte uitvoeringsstaat beoordeelt immers de tenuitvoerlegging van het Europees bevel op een ander tijdstip, op basis van mogelijk andere gegevens en volgens de ter uitvoering van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel genomen nationale wet; daaruit kan geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel worden afgeleid.
(1)Cass. 6 maart 2018, AR P.18.0205.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.8, AC 2018, nr.
- Zie ook J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 97 en alg. M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 2087-
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 8 en 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0046.N A S, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Michel Simoens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de straf van de eiseres in Roemenië nog niet is verjaard; het steunt voor dat oordeel enkel op navolgend verstrekte informatie van de uitvaardigende staat van 9 december 2021 die aangeeft dat de verjaring van de straf werd gestuit door de toezending van een Europees aanhoudingsbevel aan Frankrijk op 12 maart 2015; in haar appelconclusie heeft de eiseres nochtans aangevoerd dat dergelijke toezending naar Roemeens recht geen nuttige stuitingsmaatregel kan zijn, dat niet alle nuttige beslissingen zijn overgelegd en dat de Franse autoriteiten hebben geweigerd het bevel ten uitvoer te leggen; het arrest laat na dit verweer te beantwoorden.
- Het arrest (nr. 5.3) leidt het oordeel dat de overlevering van de eiseres niet wordt geweigerd op grond van artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet enkel af uit de navolgende informatie die aangeeft dat de straf in Roemenië nog niet is verjaard, maar ook uit de reden dat de weigering van tenuitvoerlegging niet kan worden gesteund op die wetsbepaling. Het middel dat geen acht slaat op die reden, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat ook uit de appelconclusie en de daaraan gevoegde stukken niet blijkt dat de detentieomstandigheden in Roemenië fundamentele gebreken vertonen, miskent het arrest de bewijskracht van die conclusie en de daarin vervatte rechtspraak, alsook van de neergelegde stukken 5 (persbericht), 6 (arrest Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 maart 2021) en 7 (noot onder arrest Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 april 2016).
- Het middel komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 82 en 267 VWEU: het arrest oordeelt ten onrechte dat een ongelijke uitkomst van de uitvoering van eenzelfde Europees aanhoudingsbevel, naargelang de uitvoering eerst in Frankrijk wordt geweigerd en daarna in België wél wordt bevolen, geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel met zich meebrengt in het licht van onder meer de eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven; bij arrest van 8 januari 2020 oordeelde het hof van beroep te Douai (Frankrijk) immers dat de uitvoering van het voorliggende Europees aanhoudingsbevel tegen de eiseres een onevenredige aantasting zou zijn van haar recht op een privé- en familieleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM; het arrest laat na de bewijswaarde van deze uitspraak te erkennen en brengt door daarover anders te oordelen een onwettige ongelijkheid tot stand; minstens had het onderzoeksgerecht daarover eerst een prejudiciële vraag moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie; in ondergeschikte orde wordt daarom aan het Hof gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel het gelijkheidsbeginsel, gelet op de ongelijke behandeling in Frankrijk en België van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in het licht van artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 7 en 24 Handvest Grondrechten EU en artikel 8 EVRM, op grond waarvan in Frankrijk de overlevering werd geweigerd en in België niet?”
- Uit geen enkele verdrags- of wetsbepaling volgt dat indien een uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft geweigerd omdat een overlevering een onevenredige aantasting zou zijn van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op privé- en familiaal leven van de betrokkene, die beslissing zich zou opdringen aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat aan wie de uitvaardigende staat om de tenuitvoerlegging van hetzelfde Europees aanhoudingsbevel heeft verzocht. Die bevoegde autoriteit van de nieuw aangezochte uitvoeringsstaat beoordeelt immers de tenuitvoerlegging van het Europees bevel op een ander tijdstip, op basis van mogelijk andere gegevens en volgens de ter uitvoering van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel genomen nationale wet. Daaruit kan geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest (nr. 5.1) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing om geen prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- Er is evenmin grond voor dit Hof om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM, artikel 10/1 Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 2, § 2, 3°, van de wet van 13 augustus 2011 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan: het arrest oordeelt dat het feit dat de eiseres het recht op bijstand van een raadsman bij het politieverhoor na haar arrestatie werd ontzegd, niet tot een onherroepelijke miskenning van haar recht van verdediging heeft geleid omdat zij vanaf haar verschijning bij de onderzoeksrechter wél deze bijstand genoot; nochtans is deze bijstand reeds vereist bij het eerste verhoor na de arrestatie; bovendien werd de eiseres door de verbalisanten misleid om afstand te doen van het recht op bijstand van een raadsman onder het voorwendsel dat zij dan sneller vrij zou komen.
- Het arrest stelt niet vast dat aan de eiseres bij het eerste verhoor na haar aanhouding het recht op de bijstand van een raadsman was ontzegd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De aangevoerde wetsschendingen zijn afgeleid uit deze onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Voor het overige verplicht het middel, dat geen miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180306.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div