← België

H. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiche 3 Het met een fiets rijden op een trottoir maakt geen manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement; dit is niet anders wanneer de fietser hierbij in een verboden rijrichting rijdt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 4 - 5 Krachtens artikel 6.2 Wegverkeersreglement gaan de verkeerstekens boven de verkeersregels; volgens artikel 60.1 Wegverkeersreglement zijn verkeersborden een categorie van verkeerstekens; de door artikel 6.2 Wegverkeersreglement bedoelde volgorde is slechts van toepassing indien de verkeerstekens en de verkeersregels die een welbepaalde bestuurder tegelijkertijd moet respecteren, tegenstrijdig zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 6

Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Artt. 6.2 en 60.1 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 60

Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Artt. 6.2 en 60.1 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 6 - 7 De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is; de rechter kan de voorrangsplichtige bestuurder van zijn aansprakelijkheid ontslaan indien hij vaststelt dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige bestuurder in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen; de rechter beoordeelt onaantastbaar of de komst van de voorrangsgerechtigde bestuurder voorzienbaar is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0780.N K H, burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. A S, beklaagde, verweerster,
  2. BELFIUS INSURANCE nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Karel Rogierplein 11, vrijwillig tussengekomen partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 5 mei
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 27 december 2021 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de openbare rechtszitting van 18 januari 2022 heeft raadsheer Ilse Couwenberg verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. De eiseres, die een burgerlijke partij is die niet werd veroordeeld tot de kosten op strafgebied, heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op de tegen de verweerster 1 ingestelde strafvordering. In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering: bij incidenteel beroep vorderde de eiseres de toekenning van een provisie van 25.000,00 euro en de aanstelling van een deskundige, tevens verzocht zij vast te stellen dat de verweerster 1 als enige aansprakelijk is voor het ongeval; het hoger beroep van de verweersters, dat ertoe strekt de gedeelde aansprakelijkheid voor het schadegeval vast te stellen, kan de belangen van de eiseres schaden; bovendien heeft de eerste rechter de rechtsvordering van de eiseres niet toegekend; aldus oordelen de appelrechters ten onrechte dat het incidenteel beroep van de eiseres bij gebrek aan een beslissing van de eerste rechter over de burgerlijke rechtsvordering die de eiseres benadeelt, niet ontvankelijk is.
  6. De appelrechters stellen vast dat de beoordeling van de aansprakelijkheid voor het schadegeval tot hun saisine behoort. Zij beoordelen hierbij de argumenten die zowel de verweerster 1 als de eiseres hebben aangevoerd en oordelen dat het, gelet op de eigen fout van de eiseres in oorzakelijk verband met het ongeval, past om de aansprakelijkheid voor het ongeval te verdelen.
  7. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis uitspraak doet over de vraag of de verweerster 1 al dan niet als enige aansprakelijk is voor het ongeval, zoals gevorderd in het incidenteel beroep van de eiseres. De eiseres heeft dan ook geen belang om de beslissing tot het onontvankelijk verklaren van haar incidenteel beroep in zoverre dit ertoe strekte de uitsluitende aansprakelijkheid van de verweerster 1 voor het ongeval vast te stellen, aan te vechten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  8. Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.”
  9. Indien de eerste rechter, nadat hij zich op strafgebied heeft uitgesproken over de aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggende misdrijven en die misdrijven bewezen heeft verklaard, de behandeling van de op die misdrijven gesteunde burgerlijke rechtsvordering uitstelt en de beklaagde zijn hoger beroep richt tegen zowel de beslissing op de straf- als op de burgerlijke rechtsvordering, hebben de appelrechters gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep van de beklaagde ook te oordelen over de tegen de beklaagde door de burgerlijke partij gerichte burgerlijke rechtsvordering. Zij kunnen het incidenteel beroep van de burgerlijke partij dan ook niet onontvankelijk verklaren omdat er nog geen uitspraak is gedaan over de burgerlijke rechtsvordering.
  10. Uit hun grievenformulier blijkt dat de verweersters zowel de schuld voor de telastleggingen A en C en de strafmaat, als de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering bekritiseren. De appelrechters oordelen dat de omstandigheid dat de eerste rechter, die de aan de verweerster 1 verweten feiten bewezen heeft verklaard en de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering onbepaald heeft uitgesteld, hen belet om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres en het incidenteel beroep van de eiseres aldus ontvankelijk te verklaren. Deze beslissing is niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres, door met haar fiets de parking van een grootwarenhuis te verlaten, een manoeuvre uitvoerde en aldus voorrangsplichtig was; een manoeuvre in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement betreft een rijbeweging die het verkeer hindert en gepaard gaat met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting; de appelrechters stellen dit niet vast en kunnen uit hun feitelijke vaststellingen ook geen aanzienlijke wijziging van rijrichting afleiden.
  12. Artikel 12.4, eerste en tweede lid, Wegverkeersreglement bepalen: “De bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers. Worden inzonderheid als manoeuvres beschouwd: van rijstrook of van file veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een aanpalende eigendom komen, keren of achteruitrijden.”
  13. Uit deze wetsbepaling volgt niet dat enkel een rijbeweging die gepaard gaat met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting als een “manoeuvre” kan worden gekwalificeerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Met het oordeel dat de eiseres door met haar fiets de parking van het grootwarenhuis te verlaten een manoeuvre in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement uitvoerde, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12.3.1 en 12.4 Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres op basis van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voorrangsplichtig was; ook de door de verweerster 1 uitgevoerde rijbeweging, met name het met de fiets rijden op het trottoir en dit bovendien in een verboden richting, maakt immers een manoeuvre uit zodat deze bepaling niet van toepassing is; aangezien de verweerster 1 uit een verboden rijrichting kwam, diende de eiseres haar geen voorrang te verlenen.
  16. Het met een fiets rijden op een trottoir maakt geen manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement. Dit is niet anders wanneer de fietser hierbij in een verboden rijrichting rijdt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. De aangevoerde schending van artikel 12.3.1 Wegverkeersreglement is afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres haar voorrangsplicht niet is nagekomen; zij stellen immers vast dat de verweerster 1 het verkeersbord C1 heeft miskend en aldus de rijbaan in de verkeerde richting is ingereden; volgens artikel 6.2 Wegverkeersreglement gaan verkeerstekens boven verkeersregels.
  19. Krachtens artikel 6.2 Wegverkeersreglement gaan de verkeerstekens boven de verkeersregels. Volgens artikel 60.1 Wegverkeersreglement zijn verkeersborden een categorie van verkeerstekens. De door artikel 6.2 Wegverkeersreglement bedoelde volgorde is slechts van toepassing indien de verkeerstekens en de verkeersregels die een welbepaalde bestuurder tegelijkertijd moet respecteren, tegenstrijdig zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. De appelrechters, die niet vaststellen dat de eiseres het verkeersteken C1 diende te respecteren, verantwoorden hun beslissing dat de eiseres met toepassing van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voorrangsplichtig was, naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12.4 Wegverkeersreglement: uit de vaststelling dat de verweerster 1 op het trottoir reed en bovendien uit een voor alle verkeer verboden rijrichting kwam, kunnen de appelrechters niet naar recht afleiden dat de komst van de verweerster 1 voor de eiseres niet onvoorzienbaar was; dit rijgedrag was vanuit een dubbel oogpunt foutief en verschalkte aldus de redelijke verwachtingen van de eiseres.
  22. De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is. De rechter kan de voorrangsplichtige bestuurder van zijn aansprakelijkheid ontslaan indien hij vaststelt dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige bestuurder in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen.
  23. De rechter beoordeelt onaantastbaar of de komst van de voorrangsgerechtigde bestuurder voorzienbaar is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  24. Het bestreden vonnis stelt vast en oordeelt dat: - uit het dossier en de foto’s blijkt dat het zicht op het voetpad en eventuele weggebruikers komende van het warenhuis Colruyt voor de eiseres open was en het voetpad rechtlijnig zodat zij de verweerster 1 zeker had moeten zien, indien zij effectief naar rechts zou hebben gekeken; - uit de, door de eiseres niet weerlegde, verklaring van de verweerster 1 blijkt dat beide fietssters niet snel reden; - de komst van de verweerster 1, ook al volgde zij een voetpad in de verkeerde rijrichting, in deze concrete omstandigheden voor de eiseres dan ook voorzienbaar en zichtbaar was; Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de komst van de verweerster 1 voor de eiseres voorzienbaar was. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12.4bis Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat artikel 12.4bis Wegverkeersreglement niet van toepassing is; de eiseres, die het voetpad kruiste, diende aan de verweerster 1 geen voorrang te verlenen aangezien deze niet op een reglementaire manier gebruik maakte van dit voetpad; de rijbeweging van de eiseres wordt niet door een andere bepaling van het wegverkeersreglement geregeld, zodat het voormelde artikel wel degelijk van toepassing is.
  26. Uit het antwoord op het eerste, tweede, derde en vierde onderdeel volgt dat de appelrechters naar recht oordelen dat de eiseres op grond van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voorrangsplichtig was. Dit tevergeefs bekritiseerde oordeel draagt de beslissing dat de eiseres ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan de verweerster 1 en aldus voor de helft aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Zesde onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 76.1 Wegverkeersreglement: de appelrechters oordelen ten onrechte dat, gelet op de witte stopstreep aan het einde van de parking, de eiseres gehouden was te stoppen en voorrang te verlenen; uit artikel 76.1 Wegverkeersreglement volgt dat de bestuurders ingevolge een verkeersbord B5 of een verkeerslicht moeten stoppen voor een stopstreep; de appelrechters stellen de aanwezigheid van een verkeersbord noch van een verkeerslicht vast.
  28. Het bestreden vonnis leidt de voorrangsplicht van de eiseres niet af uit de aanwezigheid van een witte stopstreep. De appelrechters oordelen integendeel dat “het feit dat er aan het einde van de parking enkel een witte stopstreep aanwezig is en geen verkeersbord B5 (stop) doet niet ter zake. [De eiseres] was, door het verlaten van de parking en het dus uitvoeren van een manoeuvre, immers sowieso voorrang verschuldigd aan de andere partijen”. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit het incidenteel beroep van de eiseres dat ertoe strekte de verweersters te veroordelen tot het betalen van een provisie en de aanstelling van een deskundige te bevelen, onontvankelijk verklaart en de zaak voor de verdere afhandeling van de burgerlijke rechtsvordering naar de eerste rechter verzendt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot twee derden van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep, Bepaalt de kosten op 806,99 euro, waarvan 226,55 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230523.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.