id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 3 Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Uit de wetsgeschiedenis van art. 187, § 6, 1° Wetboek van Strafvordering en de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd; uit de loutere omstandigheid dat een beklaagde het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd als hij zich naar de rechtszitting begeeft, kan dan ook niet worden afgeleid dat die beklaagde niet de wens had afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1291.N H E B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 4 januari 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de openbare rechtszitting van 18 januari 2022 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: met het oordeel dat de afwezigheid van de eiser op de rechtszitting van 23 september 2020 onmiskenbaar was ingegeven door de wens om afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen, verantwoordt het arrest de beslissing om eisers verzet ongedaan te verklaren niet naar recht; de eiser heeft nooit afstand willen doen van welk rechtsmiddel ook; de raadsman van de eiser is verschenen op de inleidingszitting in hoger beroep op 13 mei 2020, waarbij er conclusietermijnen werden vastgelegd en de rechtsdag werd bepaald op 23 september 2020; eisers raadsman liet hem de dag vóór de rechtszitting van 23 september 2020 in de steek, waarbij de eiser, mede gelet op de omstandigheid dat zijn onmiddellijke aanhouding was bevolen, niet zomaar in persoon naar de rechtszitting kon komen; de ongedaanverklaring van het verzet heeft in die omstandigheden tot gevolg dat eisers recht op toegang tot een rechter wordt miskend.
- In zoverre het middel aanvoert dat de raadsman van de eiser hem pas de dag vóór de rechtszitting van 23 september 2020 in de steek heeft gelaten, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.
- Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
- De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht.
- De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd. Uit de loutere omstandigheid dat een beklaagde het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd als hij zich naar de rechtszitting begeeft, kan dan ook niet worden afgeleid dat die beklaagde niet de wens had afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt en stelt vast wat volgt: - de eiser was op de hoogte van zijn dagvaarding om te verschijnen op de inleidingszitting van het hof van beroep van 13 mei 2020, aangezien hij op die rechtszitting, waarop er conclusietermijnen werden bepaald en de zaak voor behandeling werd vastgesteld op de rechtszitting van 23 september 2020 en eventueel in voortzetting op 30 september 2020, vertegenwoordigd was door zijn raadsman; - de raadsman van de eiser verstuurde op 22 september 2020 om 20.36 uur een e-mailbericht naar de procureur-generaal bij het hof van beroep waarin zij meedeelde dat zij zich sedert juli 2020 had teruggetrokken als raadsman van de eiser, dat zij de dag nadien niet op de zitting aanwezig zou zijn en ook geen weet had van een opvolgende raadsman, en dat de eiser tijdig in kennis werd gesteld van de geagendeerde zittingsdagen; - de eiser was niet aanwezig noch vertegenwoordigd op de rechtszitting van 23 september 2020, waarop de zaak ten aanzien van hem bij verstek werd behandeld. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters, zonder eisers recht op toegang tot een rechterlijke instantie te miskennen, oordelen dat uit de handelwijze van de eiser de wens moet worden afgeleid afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen en dat het verzet van de eiser bijgevolg ongedaan moet worden verklaard. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat eisers verzet ontvankelijk en ongedaan is, bevat het arrest tegenstrijdige beschikkingen en verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
- Het is niet tegenstrijdig om het verzet van een partij eensdeels ontvankelijk te verklaren en anderdeels dit verzet bij toepassing van artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering ongedaan te verklaren. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div