← België

P&V IMMO nv contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220124.3N.7 Rolnummer: S.19.0037.N-S.20.0016.N Zaak: P&V IMMO nv contra T. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-03-01 Raadplegingen: 900 - laatst gezien 2026-06-17 04:21 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220124.3N.7 Fiche De vordering ingesteld wegens daden van oneerlijke concurrentie of medewerking aan dergelijke daden na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst tegen een ex-werknemer in wiens arbeidsovereenkomst geen geldig niet-concurrentiebeding was opgenomen, is niet te beschouwen als een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst ontstaat in de zin van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet, maar als een buitencontractuele rechtsvordering in de zin van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERPLICHTINGEN Vrije woorden: Ex-werknemer - Oneerlijke concurrentie - Vordering na beëindiging arbeidsovereenkomst - Geen geldig niet-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst - Aard van de vordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Artt. 15 en 17, 3°,
  1. a)en
  2. b)- 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing I Nr. S.19.0037.N 1. P & V IMMO nv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Industrieweg 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0429.065.543, 2. P & V ELEKTROTECHNIEK nv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Industrieweg 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0838.329.428, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen R.T., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de verweerder woonplaats kiest, II Nr. S.20.0016.N SDM-TECHNICS bv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Mijnwerkerslaan 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0562.821.516, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. P & V IMMO nv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Industrieweg 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0429.065.543, verweerster 2. P & V ELEKTROTECHNIEK nv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Industrieweg 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0838.329.428, verweerster, minstens in bindend- en gemeenverklaring opgeroepen partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweersters woonplaats kiezen, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 26 februari 2019. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 27 december 2021 schriftelijke conclusies neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak S.19.0037.N voeren de eiseressen in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. In de zaak S.20.0016.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging 1. De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest, zodat zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak S.19.0037.N (…) Tweede middel Eerste onderdeel 6. Krachtens artikel 17, 3°,
  3. a)en b), Arbeidsovereenkomstenwet, zoals te dezen van toepassing, is de werknemer verplicht zich zowel gedurende de overeenkomst als na het beëindigen daarvan, ervan te onthouden fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken, en daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mee te werken. Krachtens artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden. Krachtens artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, met dien verstande dat die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt zich heeft voorgedaan. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 17, 3°,
  4. a)en b), Arbeidsovereenkomstenwet blijkt dat de vordering ingesteld wegens daden van oneerlijke concurrentie of medewerking aan dergelijke daden na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst tegen een ex-werknemer in wiens arbeidsovereenkomst geen geldig niet-concurrentiebeding was opgenomen, niet is te beschouwen als een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst ontstaat in de zin van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet, maar als een buitencontractuele rechtsvordering in de zin van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek. 7. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiseres I.1 en de eiseres I.2 zijn ontstaan uit de partiële splitsingen in 2011 en 2015 van de vennootschap Penders & Vanherle nv; - er op 16 mei 2014 ontslag was van J.V.D.B., CEO bij de eiseres I.2 via zijn beheersvennootschap JPK Consult bv; - in de dienstverleningsovereenkomst van 31 december 2009 tussen JPK Consult bv, enerzijds, en RKW-Holding en Penders & Vanherle, anderzijds, een niet-concurrentiebeding was opgenomen; - de verweerder op 6 februari 2012 als sales-manager in dienst trad van Penders & Vanherle nv met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur waarin geen niet-concurrentiebeding was opgenomen; - de verweerder op 15 september 2014 een einde maakte aan de arbeidsovereenkomst bij de eiseres I.2, met inachtneming van een nog overeen te komen opzeggingstermijn, waarna er op 30 september 2014 een einde kwam aan de tewerkstelling van de verweerder bij de eiseres I.2; - de verweerder en B.D.M. op 18 september 2014 de eiseres II oprichtten; - J.V.D.B. op 3 november 2015 werd benoemd tot zaakvoerder van de eiseres II; - de verweerder op 20 mei 2016 werd benoemd tot zaakvoerder van de eiseres II. De appelrechters stellen vast dat de eiseres I.2 van de verweerder onder meer vorderde: - voor recht te zeggen dat de verweerder en de eiseres II derde-medeplichtig zijn aan de contractbreuk door JPK Consult bv en haar zaakvoerder met betrekking tot een niet-concurrentiebeding ten aanzien van P&V; - de verweerder en de eiseres II minstens in solidum te veroordelen tot onmiddellijke staking van alle handelingen die rechtstreeks dan wel onrechtstreeks een vorm van oneerlijke concurrentie uitmaken of kunnen uitmaken ten aanzien van de eiseres I.1 of de eiseres I.2, waaronder elke vorm van medewerking aan de schending van het niet-concurrentiebeding van de zaakvoerder van JPK Consult bv, onrechtmatig gebruik van de auteursrechtelijk beschermde werken van de eiseressen I.1 en I.2, de afwerving van personeel of cliënteel en de slechtmaking van de eiseressen I.1 en I.2; - de verweerder en de eiseres II minstens in solidum te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie en derde-medeplichtigheid aan contractbreuk; - de verweerder en de eiseres II minstens in solidum te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het gebruik van fabrieks- en zakengeheimen en intellectueelrechtelijk beschermde werken en databanken en ten titel van reputatieschade. 8. De appelrechters die in die omstandigheden oordelen dat de verweerder in hoger beroep terecht opwerpt dat de vordering van de eiseres I.2 verjaard is met toepassing van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet aangezien de vordering wegens daden van oneerlijke concurrentie onmiskenbaar uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan, schenden de voormelde wetsbepalingen. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Voegt de zaken S.19.0037.N en S.20.0016.N. In de zaak S.20.0016.N: Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. In de zaak S.19.0037.N: Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vorderingen van de eiseressen I tegen de verweerder en het uitspraak doet over de kosten van de verweerder. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten, in de zaak S.20.0016.N, voor de eiseres op 781,66 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 24 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220124.3N.7 Gerelateerde publicatie(
  5. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220124.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.