id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.1 Rolnummer: P.21.1270.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 778 - laatst gezien 2026-06-18 23:21 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter onaantastbaar de straffen en maatregelen die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de veroordeelde. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiche 3 Een beklaagde heeft geen recht op een milde bestraffing, op de modaliteit van het uitstel van tenuitvoerlegging van een straf, op een werkstraf of op een autonome probatiestraf; het staat aan de rechter, voor zover die modaliteiten of straffen wettelijk mogelijk zijn, te bepalen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak het verlenen van een bepaalde modaliteit of het opleggen van een bepaalde straf wenselijk is en het staat evenzeer aan de rechter de pertinentie te beoordelen van de door een beklaagde betreffende de straftoemeting aangevoerde feitelijke gegevens. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Fiches 4 - 6 De rechter dient in correctionele zaken overeenkomstig de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering de keuze voor een straf en de maat ervan, indien de wetgever die aan zijn vrije beoordeling laat, nauwkeurig te motiveren, maar die motivering mag beknopt zijn; de rechter die een gevraagde werkstraf of een gevraagde autonome probatiestraf weigert, dient die beslissing volgens de artikelen 37quinquies, § 3, tweede lid, en 37octies, § 3, tweede lid, Strafwetboek met redenen te omkleden maar die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd door opgave van de redenen voor het opleggen van een andere straf. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, tweede lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 37quinquies en 37octies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, tweede lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 37quinquies en 37octies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 9 Uit artikel 149 Grondwet volgt dat de rechter een in een conclusie betreffende de straftoemeting ontwikkeld verweer dient te beantwoorden, zonder dat hij daarbij moet ingaan op elk feitelijk gegeven dat wordt aangevoerd ter staving van dit verweer; de rechter moet niet antwoorden op ingediende stukken en hij moet evenmin in zijn beslissing uitdrukkelijk melding maken van de in de ingediende stukken vervatte feitelijke gegevens of die concreet bespreken. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1270.N A. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van Der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: anders dan het arrest oor¬deelt, heeft de eiser wel degelijk elementen aangereikt waaruit volgt dat de opgelegde bestraffing zijn toekomst op een overdreven wijze hypothekeert in verhouding met de aard en de ernst van de feiten; hij heeft in zijn appelconclusie gewezen op de ondergeschikte rol en de beperkte incriminatieperiode, de ondergane evolutie na zijn vrijlating na zeven maanden voorlopige hechtenis en het sindsdien volledig drugvrij zijn, de door hem gestarte bacheloropleiding en zijn betrokkenheid bij het onderwijsgebeuren, zijn activiteiten bij het mobiele crisisteam en het CAW-preventiewerk en zijn verantwoordelijkheid voor zijn gezin; het arrest neemt die elementen niet mee in overweging; minstens blijkt dat niet uit de motivering; bijgevolg staat vast dat niet is geantwoord op eisers in zijn appelconclusie gevoerde verweer betreffende de straftoemeting; de ingediende stukken, hoewel relevant voor de straftoemeting, worden niet concreet besproken of zelfs maar vernoemd (eerste onderdeel); het oordeel dat geen enkel argument dat de eiser in zijn appelconclusie heeft aangevoerd en geen enkel door de eiser ingediend stuk van aard is om anders te beslissen of pertinent is en dus geen verder antwoord behoeft, is geen antwoord op de wel degelijk pertinente en actuele elementen; het arrest houdt op geen enkele manier rekening met de uit de ingediende stukken onbetwistbaar blijkende positieve evolutie bij de eiser (tweede onderdeel). 2. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter onaantastbaar de straffen en maatregelen die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de veroordeelde. 3. Een beklaagde heeft geen recht op een milde bestraffing, op de modaliteit van het uitstel van tenuitvoerlegging van een straf, op een werkstraf of op een autonome probatiestraf. Het staat aan de rechter, voor zover die modaliteiten of straffen wettelijk mogelijk zijn, te bepalen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak het verlenen van een bepaalde modaliteit of het opleggen van een bepaalde straf wenselijk is. Het staat evenzeer aan de rechter de pertinentie te beoordelen van de door een beklaagde betreffende de straftoemeting aangevoerde feitelijke gegevens. 4. De rechter dient in correctionele zaken overeenkomstig de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering de keuze voor een straf en de maat ervan, indien de wetgever die aan zijn vrije beoordeling laat, nauwkeurig te motiveren, maar die motivering mag beknopt zijn. 5. De rechter die een gevraagde werkstraf of een gevraagde autonome probatiestraf weigert, dient die beslissing volgens de artikelen 37quinquies, § 3, tweede lid, en 37octies, § 3, tweede lid, Strafwetboek met redenen te omkleden. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd door opgave van de redenen voor het opleggen van een andere straf. 6. Uit artikel 149 Grondwet volgt dat de rechter een in een conclusie betreffende de straftoemeting ontwikkeld verweer dient te beantwoorden, zonder dat hij daarbij moet ingaan op elk feitelijk gegeven dat wordt aangevoerd ter staving van dit verweer. 7. De rechter moet niet antwoorden op ingediende stukken. Hij moet evenmin in zijn beslissing uitdrukkelijk melding maken van de in de ingediende stukken vervatte feitelijke gegevens of die concreet bespreken. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het arrest, dat vaststelt dat de eiser een stukkenbundel heeft ingediend en dat hij om probatie-uitstel, een werkstraf of een autonome probatiestraf heeft verzocht, motiveert de aan de eiser opgelegde bestraffing als volgt: - er wordt rekening gehouden met de bijzondere aard en de ernst van de gepleeg¬de feiten en de rol van elke beklaagde hierin; - de bewezen verklaarde feiten zijn ernstig en moeten streng worden bestraft; - de beklaagden waaronder de eiser deinsden er niet voor terug om deel te nemen aan een goed georganiseerde vereniging gericht op de internationale trafiek van verdovende middelen; - internationale trafieken door verenigingen via de haven van Antwerpen waarbij reguliere scheepslijnen worden misbruikt om aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika het land binnen te smokkelen, vormen een manifeste bedreiging voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid; - verdovende middelen zoals cocaïne houden niet alleen reële gevaren in voor de volksgezondheid, maar leiden ook tot maatschappelijke overlast en ernstige randcriminaliteit; - de beklaagden en dus ook de eiser werden evenwel gedreven door een hang naar gemakkelijk en groot geldgewin, daarbij volledig de gevaren van hun handelen voor de gezondheid en de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend; - in het oog springt het gemak en de overtuiging waarmee ernstige maatschappelijk belastende feiten werden gepleegd; - de eiser speelde een belangrijke rol bij de organisatie van de uithaling van de partij cocaïne; - er is het streefdoel naar gemakkelijk en groot geldgewin; - het strafregister van de eiser ten tijde van de feiten vermeldt naast één veroordeling in verkeerszaken zeven veroordelingen in correctionele zaken, in het bij¬zonder wegens feiten van diefstal met geweld of bedreiging, zware diefstal, diefstal, valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, opzettelijke slagen en verwondingen en meerdere inbreuken op de Drugwet; - de eiser bevindt zich in staat van wettelijke herhaling gelet op de veroordeling bij vonnis van de correctionele rechtbank Dendermonde van 11 december 2012 tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar, met uitstel voor de helft; - de eiser genoot reeds het voordeel van het uitstel van tenuitvoerlegging en kreeg reeds een werkstraf opgelegd, zodat hij duidelijk geen lessen heeft getrokken uit eerdere veroordelingen, maar integendeel blijk geeft van hardleersheid in het bijzonder wat betreft het plegen van ernstige drugmisdrijven, wat wijst op een criminaliteitsgerichte anti-sociale persoonlijkheid; - er wordt rekening gehouden met de persoonlijke toestand, de sociale toestand en de persoonlijkheid van elke beklaagde voor zover die blijkt uit het strafdossier, de behandeling op de rechtszitting en de ingediende stukken; - er wordt ook rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de feiten, ook al is er van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake; - de eiser komt gelet op zijn strafverleden niet meer in aanmerking voor een straf met probatie-uitstel; - het opleggen van een autonome probatiestraf of een werkstraf zou mede gelet op de bijzondere aard en de ernst van de feiten zoals nader beschreven, alsook de strafrechtelijke voorgaanden van de eiser, die louter uit was op geldgewin, een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten inhouden en zou de eiser onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen; - in het licht van die elementen is een hoofdgevangenisstraf van zeven jaar en een geldboete van 6.000,00 euro, te verhogen met de opdeciemen, een passende bestraffing; - enkel effectieve straffen kunnen de eiser de bijzondere ernst van de gepleegde feiten duidelijk maken; - enkel op die manier kan bij de eiser de preventieve werking van de strafwet worden gerealiseerd; - de opgelegde geldboete heeft tot doel de eiser te raken in zijn vermogen en moet hem doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; - de door de eiser in zijn appelconclusie aangevoerde argumenten of de door de eiser ingediende stukken zijn niet van aard om de appelrechters anders te doen oordelen noch zijn pertinent en behoeven derhalve geen verdere beantwoording. 10. Daaruit volgt dat de appelrechters: - wel degelijk de door de eiser met betrekking tot de straftoemeting aangevoerde feitelijke gegevens en de tot staving daarvan ingediende stukken in aanmerking hebben genomen en die gegevens en stukken op hun pertinentie hebben beoordeeld; - de keuze voor de aan de eiser opgelegde straffen en hun maat nauwkeurig hebben gemotiveerd; - de weigeringsbeslissing voor de werkstraf en de autonome probatiestraf met redenen hebben omkleed zoals vereist; - eisers in zijn appelconclusie ontwikkelde verweer betreffende de straftoemeting hebben beantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.