← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10 Rolnummer: P.21.1621.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 1348 - laatst gezien 2026-06-18 19:48 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen volgens artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist over een ingestelde strafvordering is overschreden; hij houdt bij die beoordeling rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene en de overschrijding wordt voor elke zaak afzonderlijk beoordeeld volgens de gegevens eigen aan de zaak waarbij rekening moet worden gehouden met de procedure in haar geheel; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 4 - 5 De redelijketermijnvereiste moet ook worden gerespecteerd in eenvoudige zaken en ook in zaken die niet noodzakelijk zullen leiden tot een zware veroordeling of een vrijheidsberoving; uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal zijn bereikt dan in andere zaken en de met het onderzoek en berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden

(1).
(1)Zie Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7, AC 2022, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 6 - 7 Elke beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, zoals het instellen van rechtsmiddelen; de uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de impact daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de procedure in haar geheel en bij de beoordeling van die impact mag de rechter de termijnen die nodig zijn voor de afhandeling van de rechtsmiddelen betrekken, maar hij moet daarbij evenwel ook rekening houden met de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals het eenvoudig karakter ervan. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2022, n° 6891, p. 174-
  2. - YURT, Cavit; Note'Trop is te veel: la simplicité et le délai raisonnable' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1621.N K. H. M. E. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ann Motmans, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 14 oktober 2021, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 29 december
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: het bestreden vonnis trekt wat betreft de beoordeling van de aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn onverantwoorde gevolgen uit de vaststellingen die het bevat; het stelt vast dat er binnen de afzonderlijke fases van de procedure periodes van inactiviteit van meerdere maanden waren en dat er in iedere fase een zekere tijd verstreek vooraleer de zaak effectief kon worden vastgesteld en behandeld; het oordeelt dat een wachttijd van verschillende maanden en tot een jaar in de fase voor de politierechtbank niet onredelijk is en dat het feit dat de zaak relatief eenvoudig was daar geen afbreuk aan doet; in de appelconclusie werd aangevoerd dat er drie langdurige periodes van inactiviteit zijn, namelijk meer dan één jaar voor de zaak voor de politierechtbank werd gebracht, één jaar voor de behandeling in hoger beroep vóór cassatie en opnieuw negen maanden voor de behandeling na de verwijzing door het Hof; dat de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn een feitelijke beoordeling is, kan geen vrijgeleide zijn om de cassatietoets te omzeilen.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen volgens artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist over een ingestelde strafvordering is overschreden.
  6. Hij houdt bij die beoordeling rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene.
  7. De overschrijding wordt voor elke zaak afzonderlijk beoordeeld volgens de gegevens eigen aan de zaak. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.
  8. De redelijketermijnvereiste moet ook worden gerespecteerd in eenvoudige zaken. Uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal zijn bereikt dan in andere zaken. De met het onderzoek en berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden.
  9. Ook in zaken die niet noodzakelijk zullen leiden tot een zware veroordeling of een vrijheidsberoving moet de redelijketermijnvereiste worden nageleefd.
  10. Elke beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, zoals het instellen van rechtsmiddelen. De uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de impact daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de procedure in haar geheel. Bij de beoordeling van die impact mag de rechter de termijnen die nodig zijn voor de afhandeling van de rechtsmiddelen betrekken. Hij moet daarbij evenwel ook rekening houden met de specifieke omstandigheden van de zaak, zoals het eenvoudig karakter ervan.
  11. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  12. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis met betrekking tot het redelijketermijnverweer van de eiser blijkt onder meer het volgende: - de zaak is een relatief eenvoudige zaak, ook al werden de feiten van in het begin door de eiser gedeeltelijk betwist; - behoudens het instellen van rechtsmiddelen welke de lange procesduur verklaart, heeft de eiser op geen enkele manier voor een vertraging in de behandeling van de zaak gezorgd; - er waren in de diverse fases van de procedure periodes van stilstand om de zaak effectief vast te stellen voor behandeling op de rechtszittingen, wat te verklaren is door de beschikbare zittingscapaciteit; - de aanvangsdatum voor de beoordeling van de redelijke termijn is 30 maart 2018; - het onderzoek was beperkt tot de verzending van het proces-verbaal met het antwoordformulier van de eiser aan het openbaar ministerie, het afdrukken van het strafregisteruittreksel en het uitbrengen van een dagvaarding voor de politierechtbank; - het vonnis van de politierechtbank werd gewezen op 11 juni 2019, dit is meer dan één jaar na de aanvang van de redelijke termijn; - na een hoger beroep van de eiser heeft het appelgerecht vonnis gewezen op 17 juni 2020, dit is bijna één jaar na het instellen van het hoger beroep; - op het cassatieberoep van de eiser werd dit vonnis deels vernietigd met verwijzing bij arrest van het Hof van 29 december 2020; - het appelgerecht op verwijzing wees op 14 oktober 2021 het bestreden vonnis, dit is meer dan negen maanden na het cassatiearrest met verwijzing.
  13. Gelet op de vaststellingen dat: - de eiser werd vervolgd in een relatief eenvoudige zaak waar het onderzoek was beperkt tot het opstellen van een aanvankelijk proces-verbaal en het afdrukken van een strafregisteruittreksel; - de lange procesduur enkel te verklaren is door het aanwenden van rechtsmiddelen door de eiser en de tijd die nodig was om die rechtsmiddelen te behandelen; - het vonnis van de politierechtbank slechts werd gewezen na een tijdsverloop van meer dan één jaar; - het vonnis in hoger beroep vóór verwijzing slechts werd gewezen een klein jaar na het instellen van het hoger beroep; - het vonnis in hoger beroep werd gewezen meer dan negen maanden na de verwijzing; kon het bestreden vonnis niet wettig oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.