← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.5 Rolnummer: P.21.1355.N Zaak: I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-15 07:33 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Bij de uitlegging van een beslissing overeenkomstig artikel 793 Gerechtelijk Wetboek moet de rechter zich beperken tot wat in de uitgelegde beslissing werd uitgesproken; aldus kan de rechter geen rekening houden met gegevens of argumenten waarvan hij nog geen kennis had op het moment van die beslissing, zoals het standpunt van een partij ter gelegenheid van de tenuitvoerlegging van die beslissing. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 793 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 793 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1355.N D. I., eiser tot uitlegging van een arrest, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
  2. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht en het recht op een eerlijk proces dat een schijn van partijdigheid van de rechter verbiedt: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de appelrechters een schijn van partijdigheid zouden doen ontstaan bij de verdediging indien zij anders zouden oordelen dan hetgeen werd vermeld in de brief van het openbaar ministerie van 14 oktober 2019, waarin wordt bevestigd dat onmiddellijk zal worden overgegaan tot handlichting van de gelegde beslagen na betaling van alle sommen die de eiser verschuldigd is ingevolge de veroordeling. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht en het vermoeden van loyaliteit bij het openbaar ministerie: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het vermoeden van loyaliteit van het openbaar ministerie wordt miskend doordat het openbaar ministerie tijdens de tenuitvoerlegging diametraal van standpunt is veranderd over de aard van de verbeurdverklaring die het uitgelegde arrest aan de eiser heeft opgelegd, namelijk doordat het openbaar ministerie thans van oordeel is dat de verbeurdverklaring niet meer slaat op een geldsom die lastens de eiser per equivalent is verbeurdverklaard, maar op eisers onroerend goed zelf, zodat de Belgische staat daarvan eigenaar wordt.
  3. In zijn conclusie heeft de eiser aangevoerd dat de bijzondere verbeurdverklaring die hem bij het arrest nummer C/419/2016 van het hof van beroep te Brussel van 25 april 2016 is opgelegd, moet worden uitgelegd als de verbeurdverklaring per equivalent van een geldsom van 198.252,90 euro, zoals de Belgische staat en het openbaar ministerie dat aanvankelijk ook hebben gedaan, en niet als de verbeurdverklaring van het onroerend goed van de eiser ten belope van die geldsom, zoals de Belgische staat en het openbaar ministerie thans voorhouden na hun standpunt diametraal te hebben gewijzigd. De eiser heeft dat verweer ondersteund met de in de middelen vermelde argumenten.
  4. Het arrest oordeelt: “Het hof (van beroep) heeft in deze geen rechtsmacht om de handelingen die de Belgische staat, ministerie van financiën, in de persoon van de adviseur-ontvanger, en het openbaar ministerie, na en ter uitvoering van het arrest van 25 april 2016 zouden hebben gesteld en de eventuele rechtsgevolgen van die handelingen, te beoordelen.”
  5. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op de vermelde argumenten die de eiser weliswaar heeft aangevoerd ter ondersteuning van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  6. In zoverre de middelen miskenning aanvoeren van het recht op een eerlijk proces en van het vermoeden van loyaliteit van het openbaar ministerie, zijn zij afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde motiveringsgebreken en zijn zij bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 793 Gerechtelijk Wetboek: de beslissing dat de bij het uitgelegde arrest opgelegde verbeurdverklaring slaat op eisers onroerend goed, heeft tot gevolg dat de in dat arrest bevestigde rechten ten aanzien van het openbaar ministerie worden uitgebreid; het standpunt van de Belgische staat en het openbaar ministerie dat de verbeurdverklaring betrekking had op een geldsom die per equivalent is verbeurdverklaard, was immers noch onduidelijk noch ondubbelzinnig; dat die instanties hebben berust in dit standpunt blijkt uit het feit dat de aan de eiser toegestane afbetalingen nog steeds worden aanvaard; daaruit blijkt ook dat die instanties afstand hebben gedaan van hun recht op iedere eventuele andere vordering die kan volgen uit het uitgelegde arrest.
  8. Artikel 793, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.”
  9. Bij de uitlegging van een beslissing overeenkomstig die bepaling moet de rechter zich beperken tot wat in de uitgelegde beslissing werd uitgesproken. Aldus kan de rechter geen rekening houden met gegevens of argumenten waarvan hij nog geen kennis had op het moment van die beslissing, zoals het standpunt van een partij ter gelegenheid van de tenuitvoerlegging van die beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. De kritiek die het middel aanvoert, heeft enkel betrekking op standpunten die de Belgische staat en het openbaar ministerie hebben ingenomen naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van het uitgelegde arrest en bijgevolg na dat arrest. Daarmee mochten de appelrechters geen rekening houden.
  11. Met de reden vermeld in het antwoord op het eerste en tweede middel en de overige redenen waarmee het arrest het dictum van het uitgelegde arrest verduidelijkt aan de hand van de bewoordingen van dat arrest, is de beslissing dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.