id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.6 Rolnummer: P.21.1695.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 480 - laatst gezien 2026-06-15 08:01 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van de artikelen 23, § 1, 1°, 23, § 2, eerste lid, 49, 51, 52, § 1, eerste zin, 54, § 1, en 60 Wet Strafuitvoering volgt dat (-) een gedetineerde veroordeelde een schriftelijk verzoek tot toekenning van elektronisch toezicht kan indienen vier maanden voordat hij voldoet aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht, (-) dat de strafuitvoeringsrechtbank die een binnen die termijn van vier maanden ingediend verzoek om elektronisch toezicht behandelt en daarover beslist vooraleer de veroordeelde daadwerkelijk aan de tijdsvoorwaarde voldoet, dit verzoek niet onontvankelijk kan verklaren op die enkele grond, (-) indien de strafuitvoeringsrechtbank bij de behandeling van een binnen die termijn van vier maanden ingediend verzoek tot elektronisch toezicht vaststelt dat de veroordeelde op het ogenblik van de behandeling of van de uitspraak nog niet voldoet aan de tijdsvoorwaarde, zij de behandeling van de zaak kan uitstellen tot wanneer de veroordeelde wel aan de tijdsvoorwaarde voldoet, dan wel, ook al is nog niet daadwerkelijk aan de tijdsvoorwaarde voldaan, zij uitspraak kan doen waarbij ingeval van toekenning van het elektronisch toezicht de beslissing overeenkomstig artikel 60 Wet Strafuitvoering slechts uitvoerbaar wordt op het ogenblik dat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarde voldoet. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 23, 49, 51, 52, 54 en 60 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1695.N N. K., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Ellen De Raedt, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 23 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 23 Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser op het ogenblik van de uitspraak niet toelaatbaar was om elektronisch toezicht te kunnen genieten; de eiser zal zich op 30 juni 2022 in de tijdsvoorwaarde bevinden voor voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat hij overeenkomstig artikel 23, § 1, 1°, Wet Straf¬uitvoering op 1 januari 2022 aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht voldoet; het vonnis kan niet eisen dat de veroordeelde op het ogenblik van de behandeling van de zaak of op het ogenblik van het uitspreken van het vonnis aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht voldoet indien blijkt dat hij aan die voorwaarde zal voldoen na het verstrijken van de termijn om cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis.
- Artikel 23, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht kan worden toegekend aan de veroordeelde die zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarde bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
- Artikel 23, § 2, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat: - vier maanden voordat de veroordeelde die is gedetineerd zich in de bij paragraaf 1, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, de directeur hem inlicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een elektronisch toezicht; - de veroordeelde vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van elektronisch toezicht kan indienen.
- Artikel 49 Wet Strafuitvoering bepaalt dat: - elektronisch toezicht door de strafuitvoeringsrechtbank wordt toegekend op schriftelijk verzoek van de veroordeelde; - het verzoek wordt ingediend ter griffie van de gevangenis, die het overzendt aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan bezorgt aan de directeur; - de directeur binnen de twee maanden na ontvangst van het afschrift van het verzoek een advies uitbrengt.
- Artikel 51 Wet Strafuitvoering schrijft voor dat het openbaar ministerie binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur een met redenen omkleed advies opstelt tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en dit overzendt aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift meedeelt aan de veroordeelde en de directeur.
- Volgens artikel 52, § 1, eerste zin, Wet Strafuitvoering vindt de behandeling van de zaak plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Volgens artikel 54, § 1, eerste lid, Wet Strafuitvoering beslist de strafuitvoeringsrechtbank binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
- Artikel 60 Wet Strafuitvoering bepaalt dat het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit uitvoerbaar wordt vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarde voldoet.
- Uit deze bepalingen volgt dat: - een gedetineerde veroordeelde een schriftelijk verzoek tot toekenning van elek¬tronisch toezicht kan indienen vier maanden voordat hij voldoet aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht; - de strafuitvoeringsrechtbank die een binnen die termijn van vier maanden ingediend verzoek om elektronisch toezicht behandelt en daarover beslist vooraleer de veroordeelde daadwerkelijk aan de tijdsvoorwaarde voldoet, dit verzoek niet onontvankelijk kan verklaren op die enkele grond; - indien de strafuitvoeringsrechtbank bij de behandeling van een binnen die termijn van vier maanden ingediend verzoek tot elektronisch toezicht vaststelt dat de veroordeelde op het ogenblik van de behandeling of van de uitspraak nog niet voldoet aan de tijdsvoorwaarde, zij de behandeling van de zaak kan uitstellen tot wanneer de veroordeelde wel aan de tijdsvoorwaarde voldoet, dan wel, ook al is nog niet daadwerkelijk aan de tijdsvoorwaarde voldaan, zij uitspraak kan doen waarbij ingeval van toekenning van het elektronisch toezicht de beslissing overeenkomstig artikel 60 Wet Strafuitvoering slechts uitvoerbaar wordt op het ogenblik dat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarde voldoet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser, die gedetineerd is, op 30 juni 2022 zal voldoen aan de tijdsvoorwaarde voor voorwaardelijke invrijheidstelling en bijgevolg overeenkomstig artikel 23, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering op 1 januari 2022 voldeed aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht; - het schriftelijk verzoek van de eiser tot elektronisch toezicht dat door hem werd ondertekend op 10 augustus 2021 ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank werd ontvangen op 11 augustus
- Het schriftelijk verzoek van de eiser tot elektronisch toezicht werd bijgevolg ingediend buiten de in artikel 23, § 2, Wet Strafuitvoering bedoelde termijn van vier maanden voor hij aan de tijdsvoorwaarde zou voldoen, zodat dit schriftelijk verzoek om elektronisch toezicht voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige kan het middel niet leiden tot cassatie en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 9,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div