id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 Rolnummer: P.21.1384.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-01-31 Raadplegingen: 1905 - laatst gezien 2026-06-18 14:43 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene; de rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn en bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 3 - 4 Ook in eenvoudige zaken en in zaken die niet noodzakelijk zullen leiden tot een zware veroordeling of een vrijheidsberoving moet het redelijketermijnvereiste worden geëerbiedigd; uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal worden bereikt en de met het onderzoek en de berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden
(1).
(1)Zie Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1621.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.21.1384.N Y. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk en oordeelt dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt over de schuld en de strafmaat. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet werd overschreden; het gaat om een zeer eenvoudig dossier en er deden zich zeer belangrijke periodes van absolute stilstand voor; er was een stilstand van meer dan één jaar tussen het terugsturen door de eiser van het antwoordformulier op 15 november 2018 en het opvragen door de procureur des Konings van een uittreksel uit eisers strafregister op 3 december 2019; doordat de eiser vervolgens slechts op 2 juli 2020 werd gedagvaard om voor de politierechtbank te verschijnen, verstreek nogmaals een periode van zeven maanden absolute stilstand.
- Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. De rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn.
- Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.
- Ook in eenvoudige zaken moet het redelijketermijnvereiste worden geëerbiedigd. Uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal worden bereikt. De met het onderzoek en de berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden.
- Ook in zaken die niet noodzakelijk zullen leiden tot een zware veroordeling of een vrijheidsberoving moet het redelijketermijnvereiste worden nageleefd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de vervolgde feiten plaatsvonden op 8 november 2018; - een kopie van het aanvankelijk proces-verbaal samen met het antwoordformulier aan de eiser werd verzonden op 12 november 2018; - de eiser dit antwoordformulier terugzond op 15 november 2018; - de procureur des Konings op 3 december 2019 een uittreksel uit het strafregister van de eiser opvroeg; - de eiser op 2 juli 2020 werd gedagvaard om voor de politierechtbank te verschijnen; - de behandeling van de zaak voor de politierechtbank plaatsvond op 24 augustus 2020 en dat op diezelfde datum vonnis werd gewezen; - de eiser tegen dat vonnis hoger beroep instelde op 4 september 2020; - de zaak voor het appelgerecht werd behandeld op 3 mei 2021 en in beraad werd genomen; - het vonnis in hoger beroep werd uitgesproken op 27 september
- Met betrekking tot het redelijketermijnverweer van de eiser oordelen de appelrechters dat het een relatief eenvoudige zaak betreft en dat ook rekening wordt gehouden met de houding, de handelingen en het stilzitten van de eiser en de gerechtelijke overheid.
- Gelet op de vaststellingen dat: - het een relatief eenvoudige zaak betreft van beperkte omvang; - de eiser pas meer dan negentien maanden na het terugsturen van het antwoordformulier werd gedagvaard voor de behandeling van zijn zaak; - het vonnis van de politierechtbank slechts werd gewezen na een tijdsverloop van 21 maanden; - het vonnis in hoger beroep slechts werd gewezen meer dan een jaar nadat de eiser hoger beroep instelde; - uit geen enkel gegeven blijkt dat het langzame procesverloop aan een handeling van de eiser is toe te schrijven; kunnen de appelrechters niet wettig oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot één tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 135,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230315.2F.23 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221116.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div