id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 Rolnummer: C.21.0106.N Zaak: SINT-FRANCISCUSZIEKENHUIS c. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-02-07 Raadplegingen: 1145 - laatst gezien 2026-06-19 06:05 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1 Fiche 1 De indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling gebeurt op het ogenblik van diens betaling en dit tot beloop van het bedrag ervan; in geval van onderscheiden betalingen, gebeurt de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling met betrekking tot iedere betaling afzonderlijk
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 22 september 2008, AR C.07.0531.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.2, AC 2008, nr. 490 en Cass. 4 mei 1988, AR C 6476, AC 1987-88, nr. 547. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OVEREENKOMSTEN. REGRES - Verzekering. Indeplaatsstelling Vrije woorden: Tijdstip - Onderscheiden bedragen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 136, § 2, vierde lid - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Fiche 2 De stuiting van de verjaring door degene die zich in zijn rechten laat subrogeren, geschiedt enkel in het voordeel van de gesubrogeerde als ze dateert van vóór en niet van na de indeplaatsstelling
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 6 mei 1991, AR 7200-7373, AC 1990-91, 459, met concl. "in hoofdzaak" van procureur-generaal H. LENAERTS; Cass. 23 februari 1990, AR 6717, AC 1989-90, nr. 388 en Cass. 22 juni 1988, AR 6270, AC 1987-88, nr.
- Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Indeplaatsstelling - Stuiting - Voordeel voor de gesubrogeerde - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2244 en 2262bis, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0106.N SINT-FRANCISCUSZIEKENHUIS vzw, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Pastoor Paquaylaan 129, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0469.037.857, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, bus 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.702.543, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest, mede inzake:
- J. H.,
- B. R., tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 oktober
- Advocaat-generaal Michèle Deconynck heeft op 10 november 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Overeenkomstig artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving, het interne stelsel van een internationale of supranationale organisatie of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. De indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling gebeurt op het ogenblik van diens betaling en dit tot beloop van het bedrag ervan. In geval van onderscheidene betalingen, gebeurt de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling met betrekking tot iedere betaling afzonderlijk.
- De stuiting van de verjaring door degene die zich in zijn rechten laat subrogeren, geschiedt enkel in het voordeel van de gesubrogeerde als ze dateert van vóór en niet van na de subrogatie.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster bij brief van 20 augustus 2001 de verzekeraar van de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij in kennis heeft gesteld van haar wettelijk subrogatierecht ingevolge de door haar gedane uitgaven; - de verweerster door die mededeling de verjaring van haar vordering tot terugbetaling van die uitgaven heeft gestuit; - die stuiting een einde nam op 9 april 2002, zodat vanaf 9 april 2002 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen; - gedurende die nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij de lopende verjaring heeft gestuit met toepassing van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek door op 3 september 2002 een klacht met burgerlijke partijstelling neer te leggen bij de onderzoeksrechter en op 20 maart 2006 over te gaan tot dagvaarding van de eiseres voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt; - die stuiting van de verjaring loopt tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing uitgesproken wordt; - aangezien bij tussenarrest van 2 februari 2015 het hof van beroep nog geen uitspraak heeft gedaan over de vordering van de verweerster, de verjaring van die vordering op datum van het arrest nog steeds gestuit is.
- De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de gehele vordering van de verweerster niet is verjaard, niettegenstaande de verweerster reeds betalingen verrichtte aan de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij en dus met betrekking tot deze betalingen in diens rechten werd gesubrogeerd vooraleer de tweede tot bindendverklaring opgeroepen partij zelf de in aanmerking genomen stuitingsdaden stelde, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het subonderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit akte verleent van het akkoord van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen en de eiseres. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partijen. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251010.1F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div