← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 Rolnummer: P.21.1286.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-02-08 Raadplegingen: 1114 - laatst gezien 2026-06-19 00:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM en in het bijzonder uitgelegd door het EHRM in de arresten van 14 oktober 2010 (Brusco t/Frankrijk, nr. 14066/07) en 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) vereist dat aan een verdachte die niet van zijn vrijheid is beroofd, voorafgaand aan zijn verhoor voldoende uitdrukkelijk mededeling wordt gedaan dat hij het recht heeft om te zwijgen en dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen; die vereiste geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering; tegen een beklaagde kan geen veroordeling worden uitgesproken die geheel of gedeeltelijk is gegrond op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met deze vereisten; de omstandigheid dat voor de schuldigverklaring van een beklaagde niet op doorslaggevende wijze op die verklaringen wordt gesteund, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)EHRM 14 oktober 2010, Brusco t/Frankrijk en EHRM 9 november 2018, Beuze t/België; www.echr.coe.int. Zie eveneens de verwijzingen in de concl. OM in de zaak Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1190.N-P.21.1222.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verwittiging van het recht te zwijgen en het recht zichzelf niet te beschuldigen - Verhoor van een in vrijheid gelaten verdachte zonder deze verwittiging - Verhoren afgenomen vóór de inwerkingtreding van artikel 47bis, §6 Wetboek van Strafvordering - Gebruik van de verklaringen als steunbewijs - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1286.N
  2. F J V,
  3. A A C D,
  4. M F H V, verzoekers tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 12 oktober 2021, vragen de verzoekers op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 26 mei 2015 in de zaak P.13.0864.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.
  5. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
  6. Op strafgebied veroordeelde het hof van beroep te Gent bij arrest van 19 maart 2013: - de verzoeker 1 tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan twaalf maanden met uitstel voor een termijn van drie jaar en een geldboete van 2.500,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 13.750,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden; - de verzoekster 2 en de verzoeker 3 ieder tot een gevangenisstraf van een jaar waarvan negen maanden met uitstel voor een termijn van drie jaar en een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 5.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. De verzoekers werden eveneens veroordeeld tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, de vergoeding en de kosten. Zij werden allen schuldig verklaard aan valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken en subsidiefraude. De eerste verzoeker werd tevens schuldig verklaard aan belangenneming.
  7. De verzoekers stelden tegen dit arrest cassatieberoep in en voerden daarbij in een vierde middel schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, omdat de appelrechters zich voor hun beslissing over de schuldvraag hadden gesteund op verklaringen die de verzoekers hadden afgelegd zonder de bijstand van een raadsman en zonder dat zij werden gewezen op hun zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te incrimineren.
  8. Bij arrest P.13.0864.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.2 van 26 mei 2015 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoekers. In antwoord op het voormelde middel oordeelde het Hof dat de door de appelrechters aangehaalde redenen om te oordelen dat de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij de verhoren van de verzoekers en zonder dat zij werden gewezen op hun zwijgrecht en het recht zichzelf te incrimineren, niet heeft geleid tot een aantasting van hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging in het als geheel te beschouwen strafproces, de beslissing naar recht konden verantwoorden. Die redenen gaven eveneens te kennen dat de verzoekers hun verklaringen niet onder druk van de onderzoeksrechter of van de verbalisanten hadden afgelegd.
  9. Op 25 november 2015 legden de verzoekers bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 59958/15) neer waarin om dezelfde redenen opnieuw schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd. Daarover besliste het EHRM, derde afdeling, op 23 maart 2021 eenparig als volgt: - er wordt akte genomen van de verklaring van de Belgische regering betreffende artikel 6.1 EVRM en van de daarin vastgestelde modaliteiten om de aangegane verbintenissen in acht te nemen; - de zaak wordt bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM doorgehaald. Op 15 april 2021 bracht het EHRM deze beslissing ter kennis van de verzoekers.
  10. Uit de voormelde beslissing van het EHRM blijkt dat de Belgische regering met het oog op het oplossen van de in het verzoekschrift van de verzoekers opgeworpen kwestie bij brief van 17 maart 2020 een eenzijdige verklaring heeft afgelegd, waarin zij (ro 9): - erkent dat de aan het verzoek onderliggende feiten zich vóór de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 hebben voorgedaan en dat er in dit dossier sprake is van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM doordat de verzoekers niet in alle fasen voorafgaand aan het strafproces door een raadsman werden bij¬gestaan; - rekening houdend met de erkenning van deze schending en de inmiddels genomen maatregelen om daaraan te verhelpen, de doorhaling van de zaak van de rol vraagt tegen betaling aan de verzoekers van een bedrag van 4.000,00 euro als vergoeding voor morele schade, kosten en uitgaven; - aangeeft dat de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 thans, in overeenstemming met het EVRM, a priori de bijstand van een raadsman in de fase voorafgaand aan het strafproces regelen en dat de aan het verzoek onderliggende feiten daarom niet langer algemene maatregelen noodzaken om soortgelijke situaties in de toekomst te vermijden; - voor wat de persoonlijke maatregelen betreft, verwijst naar de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering die de voorwaarden bepalen tot heropening van de rechtspleging. De verzoekers hebben bij brief aan het EHRM meegedeeld zich niet in de door de Belgische regering voorgestelde voorwaarden te kunnen vinden (ro 10).
  11. De eenzijdige verklaring door de Belgische regering en de ter zake gevoerde betwistingen worden door het EHRM in essentie als volgt beoordeeld: - de zaak betreft het recht op een eerlijk proces waarin begrepen het recht op de toegang tot een raadsman gedurende alle fasen vanaf het ogenblik van de aanhouding tot aan het strafproces. Daartoe hoort ook een voldoende uitdrukkelijke en voorafgaande mededeling van het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te beschuldigen (ro 14); - in deze aangelegenheid heeft de Grote Kamer van het EHRM de situatie in België voorafgaand aan de zogeheten Salduz-wetten zowel naar recht als in de praktijk grondig onderzocht in het arrest Beuze (nr. 71409/10 van 9 november 2018), waarbij eveneens rekening werd gehouden met betreffende rechtspraak van het Hof van Cassatie sedert het arrest Salduz (nr. 36391/02 van 27 november 2008) (ro 14). De voorliggende zaak is te kaderen als vervolg op het voormelde onderzoek van de Grote Kamer en op de sluiting van de zaak Beuze bij resolutie van het Comité van ministers van 5 februari 2020 (ro 18); - het voorgestelde bedrag van de schadevergoeding komt overeen met wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend en wat daarover in beginsel is geoordeeld in het arrest Beuze (ro 15); - het staat aan het Hof van Cassatie om bij een aanvraag tot heropening de voorwaarden bepaald in de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering te toetsen aan de eenzijdige verklaring. In het geval dat de verzoekers na het schrappen van de zaak van de rol op grond van de voorliggende eenzijdige verklaring, om de heropening van de rechtspleging zouden verzoeken, kan in het licht van de rechtspraak van het EHRM en meer in het bijzonder het arrest Beuze, uit de bewoordingen van die verklaring niet worden afgeleid dat deze in beginsel niet zouden beantwoorden aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden bepaald in het Wetboek van Strafvordering. In zoverre is te verwijzen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 24 februari 2021 (P.20.1180.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210224.2F.1) in een vergelijkbare zaak waarin werd beslist om de rechtspleging te heropenen nadat het EHRM akte had genomen van een eenzijdige verklaring van de Belgische regering en de zaak van de rol had geschrapt (ro 19). Ook de interpretatie die de Belgische regering daarover heeft gegeven in de zaken Willems en Gorjon, is daarmee overeenstemmend (ro 21); - voor wat betreft de beslissing van het Hof van Cassatie tot niet-heropening van de rechtspleging in de zaken Willems en Gorjon (P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 en P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 van 2 oktober 2018), heeft het EHRM op 28 mei 2019 beslist de oorspronkelijke verzoekschriften opnieuw op de rol te plaatsen overeenkomstig artikel 37.2 EVRM (ro 17); - gezien de aard van de toegevingen door de Belgische regering en het bedrag van de voorgestelde schadevergoeding, alsmede vooral in het licht van de duidelijke en veelvuldige rechtspraak van het EHRM, is verder onderzoek van het verzoek niet gerechtvaardigd (ro 22 en 23); - indien de regering de bepalingen van de eenzijdige verklaring niet naleeft, kan de zaak overeenkomstig artikel 37.2 EVRM opnieuw op de rol worden ingeschreven (ro 24). III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging
  12. Artikel 442bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wat betreft de strafvordering de heropening van de rechtspleging kan worden gevraagd in geval van een beslissing van het EHRM waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending overeenkomstig artikel 37.1 EVRM en het dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.
  13. Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
  14. Het verzoekschrift dat getekend is door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
  15. Uit de hierboven vermelde unilaterale verklaring van de Belgische regering en de beoordeling ervan door het EHRM met de voormelde beslissing van 23 maart 2021, zoals die werd medegedeeld op 15 april 2021, volgt dat het Hof van Cassatie door de redenen van de appelrechters aan te nemen dat de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij meerdere verklaringen van de verzoekers en zonder dat zij werden gewezen op hun zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te incrimineren, in het licht van het geheel van het strafproces niet heeft geleid tot een miskenning van hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging, het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen tot aan het strafproces heeft miskend. De bedoelde verklaringen werden afgelegd zonder dat de verzoekers op enig ogenblik van hun vrijheid waren beroofd. Bij geen enkele afgelegde verklaring werd hen meegedeeld dat zij de keuze hadden te antwoorden op de hen gestelde vragen of te zwijgen, noch dat zij niet verplicht konden worden zichzelf te beschuldigen. De appelrechters hebben zich voor hun beslissing over de schuldvraag bovendien wel degelijk ook op deze verklaringen gesteund en evenmin is uit te sluiten dat deze hebben gediend om de overtuiging van de appelrechters die verkregen werd op grond van andere bewijselementen, te bevestigen.
  16. De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of -tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 26 mei 2015 heeft gedaan.
  17. Met staving door meerdere stukken verwijzen de verzoekers naar de reputatieschade die zij als gevolg van de veroordeling nog steeds ondervinden, wat in het bijzonder volgt uit het verlies van een blanco strafregister en uit persoonlijke dagvaardingen inzake bestuurdersaansprakelijkheid en wat geleid heeft tot het mislopen van nieuwe overheidsopdrachten en subsidieaanvragen. Bijgevolg blijven de verzoekers zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
  18. De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging en intrekking van het arrest P.13.0864.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.2 van 26 mei 2015 in de hierna bepaalde mate. B. Cassatieberoep van de eisers tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 maart 2013 Vierde middel van de eisers Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest weigert de verklaringen die de eisers tijdens het gerechtelijk onderzoek hebben afgelegd zonder de bijstand van een advocaat en zonder te zijn gewezen op hun zwijgrecht en het recht zichzelf niet te incrimineren, als bewijs uit te sluiten, maar dat het integendeel op die verklaringen steunt om de eisers schuldig te verklaren.
  20. Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en onder meer uitgelegd door het EHRM in de arresten van 14 oktober 2010 (Brusco t/ Frankrijk, nr. 14066/07) en van 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) vereist dat aan een verdachte die niet van zijn vrijheid is beroofd, voorafgaand aan zijn verhoor voldoende uitdrukkelijk mededeling wordt gedaan dat hij het recht heeft om te zwijgen en dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen. Die vereiste geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.
  21. Tegen een beklaagde kan geen veroordeling worden uitgesproken die geheel of gedeeltelijk is gegrond op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de voormelde vereisten. De omstandigheid dat voor de schuldigverklaring van een beklaagde niet op doorslaggevende wijze op die verklaringen wordt gesteund, doet daaraan geen afbreuk.
  22. Het arrest dat anders oordeelt (p. 53) en dat de schuldigverklaring van de eisers verder ook steunt op meerdere verklaringen die zij hebben afgelegd zonder dat hen daarbij werd gewezen op het recht om te zwijgen of zichzelf niet te beschuldigen, verantwoordt die beslissingen niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  23. De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging. Trekt het arrest in dat het Hof op 26 mei 2015 met nummer P.13.0864.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.2 heeft gewezen in zoverre dit arrest het eerste, tweede en derde onderdeel van het vierde middel van het cassatieberoep van de eisers tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 maart 2013 heeft verworpen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk ingetrokken arrest. Vernietigt het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 maart 2013 in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eisers ingestelde strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210224.2F.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.