← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 77, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 77, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 7 Artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat het in artikel 77bis Vreemdelingenwet bedoelde misdrijf wordt gestraft met de erin bepaalde straffen ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft en dit ongeacht of de schuldige de hoedanigheid heeft van leidend persoon of niet en een criminele organisatie als bedoeld door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet is een criminele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek; voor de toepassing van de subjectieve verzwarende omstandigheid van artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet is vereist dat de deelnemer weet dat de organisatie waaraan hij zijn medewerking verleent, beantwoordt aan de constitutieve elementen van criminele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek, hij weet dat deze organisatie verwikkeld is in activiteiten van mensensmokkel en hij wetens en willens zijn strafbare daad van deelneming aan deze organisatie verleent, maar de toepassing van de door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bedoelde verzwarende omstandigheid hangt niet af van de betrokkenheid of de verantwoordelijkheid van de deelnemer bij de criminele organisatie

(1).
(1)G. VERMEULEN en L. ARNOU, "Nieuwe Belgische strafwetgeving tegen mensenhandel, mensensmokkel en huisjesmelkerij. Context en verkenning van de Wet van 10 augustus 2005", in XXXIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva Strafrecht en strafprocesrecht 2005-2006, p. 93, nr. 44. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 77bis en 77quinquies, eerste lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 324bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 77bis en 77quinquies, eerste lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 324bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 77bis en 77quinquies, eerste lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 324bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 77bis en 77quinquies, eerste lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550

Art. 324bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 8 Artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek omschrijft een criminele organisatie als iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden of wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen; sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers vormen het gebruik van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of de aanwending van commerciële of andere structuren om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, geen constitutief bestanddeel meer voor het bestaan van een criminele organisatie

(1).
(1)J. DE HERDT, “Criminele organisatie”, in Comm. Strafr.
(2019), pp. 2-8. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen:

Art. 324bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 10 Artikel 324ter Strafwetboek voorziet in vier onderscheiden vormen van daderschap aan een criminele organisatie afhankelijk van de mate van betrokkenheid en verantwoordelijkheid binnen de organisatie, met een stijgende bestraffing, met name: - iedere persoon die wetens en willens betrokken is bij een criminele organisatie, die gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of die commerciële of andere structuren aanwendt, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op een van de in de artikelen 66 tot 69 Strafwetboek bedoelde wijzen (paragraaf 1); - iedere persoon die deelneemt aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie (paragraaf 2); - iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie (paragraaf 3); - ieder leidend persoon van een criminele organisatie (paragraaf 4); enkel voor de door artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bedoelde vorm van daderschap is vereist dat de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of commerciële of andere structuren aanwendt en die voorwaarde geldt niet voor andere vormen van daderschap

(1).
(1)Cass. 1 februari 2022, AR P. 21.1269.N, AC 2022, nr. 86; Cass. 9 januari 2018, AR P.17.0058.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.2, AC 2018, nr. 13; J. DE HERDT, “Criminele organisatie”, in Comm. Strafr.
(2019), p. 8, punt F. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1292.N I E D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. II N H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van De Wal, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64/201, waar de eiser woonplaats kiest. III K S, alias K C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Julie Crowet, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 16 september 2021. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert geen middel aan Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht en het vermoeden van onschuld: hoewel de eiser I heeft aangevoerd dat eraan kan worden getwijfeld of het Britse telefoonnummer wel door hem werd gebruikt en de vervolging van de eiser I bijna uitsluitend was gesteund op dat telefoonnummer dat aan de eiser I werd gelinkt en de gesprekken die hij met betrekking tot mensenhandel zou hebben gevoerd, laat het arrest na de basis aan te wijzen op grond waarvan het oordeelt dat met zekerheid blijkt dat het nummer door de eiser I werd gebruikt; een loutere verwijzing naar een proces-verbaal van de Britse politie volstaat niet als antwoord op eisers aanvoering; het oordeel dat de eiser I de gebruiker is van het nummer omdat de Britse politiediensten dit zo aan hun Belgische collega’s hebben meegedeeld, staat haaks op het vermoeden van onschuld. 2. Het arrest (grondt de schuldigverklaring van de eiser I niet uitsluitend op het aan hem gelinkte telefoonnummer, maar ook op andere van het beroepen vonnis overgenomen redenen (arrest, p. 17-18). In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. Het arrest (p. 15-16, nr. 6) oordeelt specifiek met betrekking tot de door de eiser gevoerde betwisting over de link tussen hemzelf en het bewuste telefoonnummer als volgt: - welke beklaagde welk(

  1. e)telefoonnummer(
  2. s)gebruikte, blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat in de mappen III en IV van het strafdossier is gebundeld; - alleen de eiser I voert betwisting over de identificatie van de gebruikers waarmee afgeluisterde gesprekken zijn gevoerd; - de raadsman van de eiser I heeft voor het hof van beroep in zijn pleidooi aangevoerd dat eraan kan worden getwijfeld dat het Britse telefoonnummer … door hem werd gebruikt, zoals de onderzoekers hebben aangenomen; - in afgeluisterde gesprekken is gebleken dat de gebruiker van dit Britse nummer werd aangesproken met E.; - door de Britse politiediensten is uitgeklaard dat de gebruiker van dat nummer E.D. was, geboren op …, die in het … woont te …; - de Britse politiediensten hebben dit zo meegedeeld aan hun Belgische collega’s; - via de Albanese verbindingsofficier hebben de onderzoekers verder inlich-tingen over E.D. verkregen, onder meer dat hij bekend is bij de Albanese politiediensten, dat hij op 12 augustus 1991 Albanië heeft verlaten richting Griekenland (Corfu) en dat hij nadien niet meer werd geregistreerd in Albanië. Met die redenen beantwoordt het arrest wel degelijk het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. 4. In zoverre het middel miskenning van het vermoeden van onschuld aanvoert, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 77bis Vreemdelingenwet: met het oordeel dat het oogmerk tot winst van de persoonlijke leden van de organisatie irrelevant is voor de beoordeling van de feiten, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser I niet naar recht; het door artikel 77bis Vreemdelingenwet bedoelde misdrijf vereist wel degelijk een persoonlijk, zij het indirect oogmerk om een vermogensvoordeel te verkrijgen; de deelname aan de criminele organisatie heeft louter betrekking op de door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bedoelde verzwarende omstandigheid; het oogmerk tot vermogensvoordeel is een constitutief bestanddeel van het basismisdrijf mensensmokkel en moet individueel worden beoordeeld; effectieve inkomsten zijn niet vereist, maar wel het oogmerk; de deelname aan mensensmokkel waarvoor een winstbejag is vereist, verschilt van de deelname aan een criminele organisatie als verzwarende omstandigheid waar uitsluitend van belang is wat het oogmerk is van de organisatie en of de beklaagde eraan bewust heeft deelgenomen. 6. Artikel 77bis, eerste lid, Vreemdelingenwet omschrijft mensensmokkel als het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze Staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel. Het winstoogmerk is een wezenskenmerk van dit misdrijf. 7. De schuldigverklaring van een mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan een misdrijf vereist dat hij weet dat hij door het stellen van positieve daden deelneemt aan dit misdrijf en ook het opzet heeft om aldus tot de verwezenlijking van dit misdrijf bij te dragen. De schuldigverklaring van een mededader aan een misdrijf vereist niet dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn. 8. Een schuldigverklaring van een mededader aan het misdrijf mensensmokkel vereist dat de mededader weet dat hij door zijn positieve handelingen bijdraagt aan een op het verkrijgen van een vermogensvoordeel gerichte smokkel, zonder dat moet vaststaan dat hijzelf het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel heeft beoogd of een dergelijk voordeel heeft verkregen. 9. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest verklaart de eiser I schuldig als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan het basismisdrijf van mensensmokkel. 11. Het arrest oordeelt als volgt: “De bewering van sommige beklaagden dat zij persoonlijk niets aan hun tussenkomst zouden verdiend hebben, is irrelevant voor de schuldvraag en de kwalificatie van de feiten. Uit het strafdossier blijkt dat veel geld moest worden betaald voor de illegale doorreis via België naar het Verenigd Koninkrijk. De organisatie had dus wel het oogmerk om direct of indirect een vermogensvoordeel te verkrijgen, zodat er sprake is van mensensmokkel in de zin van artikel 77bis Vreemdelingenwet. Wie daar bewust aan meegewerkt heeft, is mededader, ongeacht of hij daar al dan niet een persoonlijk vermogensvoordeel uit gehaald heeft”. Aldus geeft het arrest geen verkeerde lezing van artikel 77bis Vreemdelingenwet, maar past het die bepaling juist toe. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 12. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 324ter Strafwetboek en artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet: de verzwarende omstandigheid van artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet vereist dat wordt nagegaan of de organisatie gebruik heeft gemaakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, zoals het bij artikel 324ter Strafwetboek bedoelde misdrijf; het arrest heeft dit niet onderzocht. Ondergeschikt wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Miskent artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet, indien wordt aangenomen dat de in artikel 324ter Strafwetboek bepaalde voorwaarde voor deelname aan een criminele organisatie dat er sprake moet zijn van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of dat commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, niet geldt voor de verzwarende omstandigheid van deelname aan een criminele organisatie als bedoeld door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet”. 13. Artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat het in artikel 77bis Vreemdelingenwet bedoelde misdrijf wordt gestraft met de erin bepaalde straffen ingeval het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft en dit ongeacht of de schuldige de hoedanigheid heeft van leidend persoon of niet. 14. Een criminele organisatie als bedoeld door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet is een criminele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek. 15. Voor de toepassing van de subjectieve verzwarende omstandigheid van artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet is vereist dat de deelnemer weet dat de organisatie waaraan hij zijn medewerking verleent, beantwoordt aan de constitutieve elementen van criminele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek, hij weet dat deze organisatie verwikkeld is in activiteiten van mensensmokkel en hij wetens en willens zijn strafbare daad van deelneming aan deze organisatie verleent. 16. De toepassing van de door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bedoelde verzwarende omstandigheid hangt niet af van de betrokkenheid of de verantwoordelijkheid van de deelnemer bij de criminele organisatie. 17. Artikel 324bis, eerste lid, Strafwetboek omschrijft een criminele organisatie als iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden of wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers vormen het gebruik van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of de aanwending van commerciële of andere structuren om het plegen van misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, geen constitutief bestanddeel meer voor het bestaan van een criminele organisatie. 18. Artikel 324ter Strafwetboek voorziet in vier onderscheiden vormen van daderschap aan een criminele organisatie afhankelijk van de mate van betrokkenheid en verantwoordelijkheid binnen de organisatie, met een stijgende bestraffing: - iedere persoon die wetens en willens betrokken is bij een criminele organisatie, die gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of die commerciële of andere structuren aanwendt, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op een van de in de artikelen 66 tot 69 Strafwetboek bedoelde wijzen (paragraaf 1); - iedere persoon die deelneemt aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie (paragraaf 2); - iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie (paragraaf 3); - ieder leidend persoon van een criminele organisatie (paragraaf 4). 19. Enkel voor de door artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bedoelde vorm van daderschap is vereist dat de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of commerciële of andere structuren aanwendt. Die voorwaarde geldt niet voor andere vormen van daderschap. 20. Het middel dat ervan uitgaat dat: - het gebruik maken van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie of het aanwenden van commerciële of andere structuren een vereiste is voor het bestaan van een criminele organisatie; - geen enkele vorm van daderschap aan het misdrijf van criminele organisatie strafbaar is zonder dat dit specifiek bestanddeel aanwezig is; - bijgevolg dit specifiek bestanddeel ook vereist is voor de toepassing van de door artikel 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bedoelde verzwarende omstandigheid; faalt naar recht. 21. De prejudiciële vraag die uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Middel van de eiser II 22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel audi et alteram partem, of elke procedure verloopt principieel op tegenspraak: het arrest is niet regelmatig met redenen omkleed omdat het op geen enkele wijze verwijst naar de door de eiser II ingediende appelconclusie met bijkomende middelen en de bijkomende neergelegde bewijsstukken, terwijl die conclusie en die stukken tijdig via elektronische weg werden ingediend; uit de motivering van het arrest volgt dat de appelrechters aannemen dat de eiser II geen regulier inkomen heeft; daaruit blijkt dat de appelrechters de stukken van de eiser II niet in aanmerking hebben genomen, aangezien uit die stukken blijkt dat hij al jarenlang werkt en wel een regulier inkomen verwerft; het arrest had moeten vermelden waarom eisers stukken betreffende zijn regulier inkomen niet bewijskrachtig zijn. 23. Uit geen enkele verdragsrechtelijke of grondwettelijke bepaling volgt dat de rechter in zijn vonnis melding moet maken van het indienen van een conclusie of van stukken. 24. De rechter moet niet noodzakelijk antwoorden op ingediende stukken of die in zijn beslissing bespreken. 25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 26. Het middel verduidelijkt niet op welk in de appelconclusie van de eiser II aangevoerd verweer het arrest niet antwoordt. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. 27. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 29. Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep van de eiser I verkrijgt de beslissing op de strafvordering wat hem betreft kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding is bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 237,12 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 79,04 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.