← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen:

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Artt. 2bis, § 1, 4 en 6, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Artt. 2bis, § 1, 4 en 6, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450

Art. 324ter

, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2023, nr. 2, p. 88-

  1. - TERSAGO, Pieter; Noot'De advocaat als lid van een criminele organisatie' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1269.N I
  2. A N, beklaagde,
  3. N N, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. II P J C V, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. III K Y, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september
  4. De eisers I voeren geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser II Tweede en derde onderdeel
  5. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: met het oordeel dat de omstandigheid dat de cocaïne via een reguliere scheepslijn in containers naar de haven van Antwerpen wordt getransporteerd aantoont dat de criminele organisatie commerciële of andere structuren aanwendt, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser II aan betrokkenheid bij de criminele organisatie niet naar recht; de loutere vaststelling dat gebruik wordt gemaakt van een reguliere scheepslijn, impliceert niet dat die laatste van zijn doel wordt afgewend en in werkelijkheid dient als dekmantel voor de criminele activiteiten van de organisatie; er wordt aldus niet vastgesteld dat er misbruik zou zijn gemaakt van de betrokken commerciële structuur; door niet de reden te vermelden waarom het gebruik van een reguliere scheepslijn voor de invoer van cocaïne moet worden beschouwd als het aanwenden van een commerciële structuur in de zin van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek, is het arrest ook niet regelmatig met redenen omkleed. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: door niet vast te stellen dat de eiser II ervan op de hoogte was dat de criminele organisatie gebruik maakte van de in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bedoelde technieken, is de veroordeling van de eiser II wegens betrokkenheid bij een criminele organisatie niet naar recht verantwoord; dit misdrijf is maar strafbaar wanneer de dader op de hoogte is van de criminele aard van de organisatie waartoe hij behoort en feitelijke kennis heeft van de omstandigheid dat de criminele organisatie gebruik maakt van de voormelde technieken, wat door de eiser II in zijn appelconclusie werd betwist.
  6. Artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de criminele organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, wordt iedere persoon die wetens en willens daarbij betrokken is, gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen, ook al heeft hij niet de bedoeling een misdrijf in het raam van die organisatie te plegen of daaraan deel te nemen op één van de in de artikelen 66 tot 69 bedoelde wijzen.”
  7. Het in die bepaling bedoelde misdrijf vereist niet alleen dat de dader wetens en willens betrokken is bij een criminele organisatie, maar ook dat hij ervan op de hoogte is dat die organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. Het volstaat dat de criminele organisatie gebruik maakt van minstens één van die methoden en de betrokkene dit weet.
  8. De rechter oordeelt onaantastbaar of een criminele organisatie commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken in de zin van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. Wanneer de strafbare activiteiten van een criminele organisatie betrekking hebben op de illegale invoer en verhandeling van verdovende middelen, kan de rechter daarbij in aanmerking nemen dat de criminele organisatie voor de ontplooiing van die activiteiten gebruik maakt van reguliere scheepslijnen en de werking van het havenbedrijf. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  9. Met eigen redenen (arrest, p. 30-37, nr. 4.9.5) en met verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis (p. 19-36, nr. 2.1), die worden overgenomen door het arrest (p. 31, nr. 4.9.5.2), oordelen de appelrechters onder meer als volgt: - de criminele organisatie hield zich bezig met het plannen en uitvoeren van complexe operaties, met name de illegale trafiek van verdovende middelen (cocaïne), vanuit het buitenland naar België met het oog op de verdere verhandeling ervan; - uit het strafdossier blijkt dat er sprake was van bedreigingen, listige kunstgrepen of corruptie en van commerciële of andere structuren die werden aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. De organisatie maakte immers misbruik van de legale structuren door enerzijds personen die professioneel actief waren in de haven te ronselen om hun medewerking te verlenen en anderzijds bewust leden van de organisatie te laten gaan werken in de haven; - de criminele organisatie bleek ook steeds op zoek naar nieuwe manieren om invoerlijnen op te zetten en sprak hierbij voortdurend mensen aan die professioneel actief waren in de haven of de scheepvaart met de vraag of zij bereid waren hun medewerking te verlenen en aldus hun legale positie te misbruiken; - binnen de criminele organisatie kan er behalve een groep die zich bezighield met de voorbereiding en uitvoering van de “switch” op de kaai ook een groep worden onderscheiden rond de oorspronkelijke medebeklaagden U.G. en F.E.K., die anderen aanstuurden, waaronder planners en straddle-chauffeurs; - de door de criminele organisatie gehanteerde werkwijze impliceert een vrijwel volledige controle over het ganse traject welke een container aflegt van zodra deze met de drugs aan boord gaat in Zuid-Amerika tot het moment dat deze in Antwerpen weer de haven verlaat. Dit is enkel mogelijk middels een goede samenwerking van verschillende actoren, met inbegrip van de contacten in Zuid-Amerika. Er dient immers geweten te zijn wanneer de kwestieuze containers aankomen en waar zij juist geplaatst worden op de kaai. Bijkomend is medewerking van meerdere havenarbeiders onontbeerlijk; - ook advocaten werden ingeschakeld om informatie te verkrijgen. Zo blijkt uit de afgeluisterde gesprekken dat de eiser II via confraters of journalisten informatie diende te verzamelen en dat hij hiervoor werd vergoed; - voor de schuldvraag omtrent de schending van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek is tevens vereist dat het bewijs voorligt dat de criminele organisatie gebruik maakte van bepaalde in dit wetsartikel vermelde middelen en technieken om het collectief oogmerk en het daarmee verbonden objectief te realiseren; aan deze voorwaarde is in casu voldaan. Er werden listige kunstgrepen en commerciële of andere structuren aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken; - het staat vast dat de cocaïne in containers naar de haven van Antwerpen werd getransporteerd via een reguliere scheepslijn en dat de organisatie mede te dien einde over deelnemers in het buitenland moet hebben beschikt. In het Rijk deden de leden van de criminele organisatie op systematische wijze een beroep op (wisselende) gsm-toestellen en -nummers, waaronder ook toestellen voor één-op-één contacten/pgp-telefoons (onder meer door oorspronkelijk medebeklaagden U.G. en de eiser II), en er werd ook codetaal/verdoken taalgebruik gebruikt bij gevoerde communicaties. Daarnaast werden door de organisatie op actieve wijze personen geronseld die professioneel actief waren in de haven. Doordat deze personen welbepaalde interessante posities bekleedden in de haven waren deze van wezenlijk belang voor de organisatie om haar lucratieve activiteiten met succes te kunnen uitvoeren; - ook met betrekking tot de eiser II kan er geen enkele twijfel over bestaan dat hij wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de hiervoor beschreven criminele organisatie waarbij vooral oorspronkelijk medebeklaagden U.G. en R.Y. een sturende en organiserende rol op zich namen; - de afgeluisterde gesprekken tonen genoegzaam aan dat de eiser II veelvuldige contacten had met oorspronkelijk medebeklaagde U.G., welke niet te rijmen vallen met het bestaan van een reguliere advocaat-cliënt relatie of een louter vriendschappelijke relatie. Uit het geheel van deze contacten blijkt duidelijk dat de eiser II op actieve wijze betrokken was bij zaken waarin oorspronkelijk medebeklaagde U.G. belangen had. De diverse in de tijd verspreide telefonische contacten en ontmoetingen, evenals de inhoud van deze contacten wijzen onmiskenbaar op het bestaan van een criminele drugsgerelateerde context. Opvallend daarbij is ook dat de eiser II, welke in het bezit was van een pgp-toestel, oorspronkelijk medebeklaagde U.G. meermaals opdroeg om niet verder door de telefoon te spreken. Er kan geen twijfel over bestaan dat de eiser II, na onderling overleg met oorspronkelijk medebeklaagde U.G., welke hij goed kende, welbepaalde handelingen heeft gesteld, daarbij heel goed wetende dat hij op deze wijze deel uitmaakte van de criminele organisatie waarin oorspronkelijk medebeklaagde U.G. een organiserende rol had; - opvallend is ook dat kort nadat laatstgenoemde telefonische contacten had met S.L., welke werd geronseld voor drugsuithalingen, oorspronkelijk medebeklaagde U.G. wil afspreken met de eiser II, waarna ook effectief een ontmoeting plaats vond. Kort na deze ontmoeting volgde dan een telefonisch contact, waarbij de eiser II aan oorspronkelijk medebeklaagde U.G. vroeg om bij hem thuis te komen en champagne te drinken; - de eiser II zag er in deze drugsgerelateerde criminele context ook geen graten in om op verzoek van oorspronkelijk medebeklaagde U.G. in contact te treden met crimesite en Gazet van Antwerpen om bepaalde artikels te doen verschijnen die door laatstgenoemde konden worden gebruikt om aan te tonen dat bepaalde ontvreemde partijen drugs niet waren “geript”, maar wel in beslag waren genomen. Of de eiser II voor het verlenen van deze diensten ook effectief zou zijn betaald, doet niets af aan het feit dat de eiser II onder de volgende bewoordingen meermaals aanstuurt op betaling “dikke enveloppe, salut en tot straks” en “Gazet van Antwerpen, in een enveloppe”. De eiser II kan voor deze gezegdes overigens geen enkele plausibele uitleg geven; - de eiser II vroeg of ze tevreden waren. U.G. bevestigde dat alles in orde was en dat ze natuurlijk tevreden waren. Op zaterdag 13 oktober 2018 belde de eiser II nog naar U.G. om te melden dat het ook op “crimesite” stond. U.G. had het al gezien. Uit nazicht van “crimesite” bleek dat er op 10 oktober 2018 een artikel was verschenen met betrekking tot de vangst van twee keer 400 kg cocaïne in Vlissingen. Tevens was er een artikel met betrekking tot de inbeslagname van 255,8 kg cocaïne in de haven van Antwerpen. Volgens het artikel werden de drugs reeds onderschept op 27 augustus op kaai 212 maar kwam het nu pas naar buiten in een bericht van de Gazet van Antwerpen; - de veelvuldige gesprekken die zich uitspreiden over een ruime tijdsperiode tonen duidelijk aan dat de eiser II welbewust op stelselmatige wijze intense drugsgerelateerde contacten onderhield met oorspronkelijk medebeklaagde U.G., goed beseffende dat deze belangrijke connecties had in de drugswereld. Het staat bovendien vast dat de eiser II ook een aantal mensen uit de entourage van oorspronkelijk medebeklaagde U.G. kende, zoals de chauffeur en de loopjongen van voornoemde; - de eiser II ging niet alleen over tot het stellen van welbepaalde handelingen op verzoek van oorspronkelijk medebeklaagde U.G., maar gaf ook zelf bepaalde instructies en opdrachten aan oorspronkelijk medebeklaagde U.G. Tevens blijkt dat de eiser II voornoemde bij herhaling aanmaant om niet te veel te zeggen over de telefoon, hetgeen nogmaals illustreert dat hij besefte dat de door hem gestelde handelingen, gesprekken en contacten gelinkt waren aan een criminele context; - gelet op voorgaande beschouwingen kan er geen twijfel over bestaan dat de eiser II wetens en willens deel heeft uitgemaakt van de hiervoor beschreven criminele organisatie.
  10. Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser II veelvuldige drugsgerelateerde contacten had met een van de organisatoren van een criminele organisatie die zich bezighield met de illegale invoer van cocaïne via reguliere scheepslijnen en de haven van Antwerpen. Het oordeel dat de eiser II wetens en willens betrokken was bij een criminele organisatie die commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, is dan ook naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: met het oordeel dat de omstandigheid dat de leden van de criminele organisatie, waaronder de eiser II, gebruik maakten van gsm-toestellen voor één-op-één contacten en pgp-telefoons, aantoont dat de criminele organisatie gebruik maakt van listige kunstgrepen, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser II aan betrokkenheid bij de criminele organisatie niet naar recht; er kan slechts sprake zijn van listige kunstgrepen wanneer technieken worden aangewend die de bedoeling hebben het slachtoffer te misleiden en die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen; de loutere omstandigheid dat het gebruik van dergelijke toestellen de opsporing eventueel kan bemoeilijken, impliceert niet dat dit gebruik kan worden beschouwd als listige kunstgrepen; minstens vermeldt het arrest niet waarom het gebruik van dergelijke toestellen een listige kunstgreep zou uitmaken, zodat het onmogelijk is de wettigheid van de beslissing te toetsen.
  12. Uit het antwoord op het tweede en het derde onderdeel blijkt dat het arrest wettig oordeelt dat de eiser II schuldig is aan het in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek bedoelde misdrijf omdat hij wetens en willens betrokken was bij een criminele organisatie die commerciële of andere structuren aanwendt om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. Bijgevolg kan het onderdeel niet tot de vernietiging leiden van die beslissing en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middelen van de eiser III Eerste middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiser III niet is overschreden, is niet naar recht verantwoord; de eiser III werd veroordeeld wegens feiten, gesitueerd in de periode van 1 tot 5 augustus 2017; pas negentien maanden later, namelijk op 19 maart 2019, werd de eiser III voor het eerst verhoord; na het beroepen vonnis van 5 juni 2020 duurde het vervolgens zes maanden alvorens de zaak werd ingeleid voor het hof van beroep, namelijk op de rechtszitting van 2 december 2020, waarbij er conclusietermijnen werden bepaald en de rechtsdag werd vastgelegd op 5 mei 2021, dit is opnieuw zes maanden na de inleidingszitting; nadat de zaak op de rechtszitting van 5 mei 2021 werd behandeld en in beraad genomen, duurde het vier maanden alvorens op 15 september 2021 het arrest werd gewezen; aldus heeft het dossier gedurende een periode van ten minste zestien maanden volledig stilgelegen, zonder dat er daden van onderzoek werden gesteld.
  14. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Volgens artikel 14.3.c IVBPR heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging het recht om zonder onredelijke vertraging te worden berecht. Die bepalingen strekken ertoe te vermijden dat een beklaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging.
  15. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn is niet het tijdstip van de feiten bepalend. Aanvangspunt voor de berekening van die redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van “een beschuldiging”, dit is het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen die beschuldiging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen over de strafvervolging tegen een beklaagde moet zijn beslist. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  17. Het arrest (p. 42-43, nr. 4.10.5.3) oordeelt dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiser III niet is overschreden op grond van de volgende redenen: - de redelijke termijn neemt een aanvang op het moment waarop de beklaagde op officiële, maar daarom niet formele wijze, kennis krijgt van een tegen hem gerichte strafvervolging of opsporing, hetzij dus vanaf het moment waarop hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft. In casu is dit vanaf 19 maart 2019, zijnde de datum waarop de eiser III voor het eerst werd verhoord en in kennis werd gesteld van de aanklachten; - het respect voor de redelijke termijn moet op concrete en gedetailleerde wijze worden beoordeeld met inachtneming van de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en het belang van de zaak voor de beklaagde; - de huidige zaak betreft een omvangrijk dossier met vele beklaagden, waarbij talrijke onderzoekshandelingen werden gesteld; - na de beschikking tot mededeling van 24 juli 2019 van de onderzoeksrechter, volgde de vordering van de procureur des Konings op 9 september
  18. De daaropvolgende beschikking tot mededeling van de onderzoeksrechter van 11 september 2019 werd gevolgd door de eindvordering van de procureur des Konings van 4 oktober
  19. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarin de controle op de bijzondere opsporingsmethode observatie werd uitgevoerd dateert van 17 oktober
  20. Bij beschikking van 5 november 2019 werd de eiser III door de raadkamer verwezen naar de correctionele rechtbank. Vervolgens werd de eiser III gedagvaard om op 12 november 2019 te verschijnen voor de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. De procedure in eerste aanleg kende een spoedig verloop en resulteerde in een vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 5 juni
  21. In de maanden juni-juli 2020 werden diverse hogere beroepen aangetekend; - de zaak werd in hoger beroep ingeleid op de rechtszitting van 2 december 2020, datum waarop conclusietermijnen en een rechtsdag, namelijk 5 mei 2021, werden bepaald. Op laatstgenoemde rechtszitting werd de zaak behandeld en in beraad genomen. Er werd op 15 september 2021 een arrest uitgesproken.
  22. Op grond van die redenen oordeelt het arrest naar recht dat de redelijke termijn voor de berechting van de eiser III niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: door op grond van een standaardmotivering te weigeren de eiser III een werkstraf op te leggen of hem de gunst van het (probatie-)uitstel toe te kennen, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar is bovendien disproportioneel en houdt geen rekening met de verzachtende omstandigheden die de appelrechters aanhalen, namelijk de leeftijd van de eiser III, zijn gunstig strafrechtelijk verleden en zijn sociale toestand.
  24. Uit de verwijzing bij de motivering van de straftoemeting naar het gunstige strafverleden van de eiser III, zijn leeftijd en sociale toestand, volgt niet dat het appelgerecht verzachtende omstandigheden aanneemt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  25. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
  26. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en bijgevolg onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof kan evenwel nagaan of uit de vaststellingen en de overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van de voormelde verdragsbepaling..
  27. Het arrest veroordeelt de eiser III tot een hoofdgevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van 2.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 16.000,00 euro, en dit gelet op de omstandigheid dat de eiser III in het kader van een vereniging betrokken was bij een poging tot bezit en vervoer van cocaïne, dat internationale drugtrafieken door verenigingen een manifeste bedreiging vormen voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid en leiden tot maatschappelijke overlast en (ook ernstige) randcriminaliteit en dat bij de straftoemeting rekening wordt gehouden met de aard en de ernst van de door de eiser III gepleegde feiten, waarbij de opgelegde geldboete bedoeld is om de eiser III in zijn financieel vermogen te treffen en om hem middels deze financiële prikkel de belangwekkende ernst van de feiten te doen inzien (arrest, p. 38-39, nrs. 4.10.1.3 en 4.10.1.4 en p. 43, nr. 4.10.5.4). Het arrest (p. 43, nr. 4.10.5.5) weigert hierbij in te gaan op het verzoek van de eiser III om hem een werkstraf op te leggen omdat een dergelijke straf, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals op een concrete wijze uiteengezet in het arrest (p. 38-39, nr. 4.10.1.3), niet passend zou zijn en onvoldoende zou bijdragen tot de bewustwording van de eiser III dat dergelijke feiten in een geordende samenleving absoluut onduldbaar zijn. Volgens het arrest zou ook het opleggen van een straf met uitstel van tenuitvoerlegging, desgevallend gekoppeld aan voorwaarden, zoals in ondergeschikte orde gevraagd, gelet op de aard en de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal inhouden op deze feiten en de eiser III onvoldoende wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen. Met deze redenen, die geenszins een standaardmotivering inhouden, is de beslissing tot het opleggen van de voormelde bestraffing en tot weigering van een werkstraf of een straf met uitstel van tenuitvoerlegging, al dan niet gekoppeld aan probatievoorwaarden, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  28. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Onmiddellijke aanhouding
  29. Ingevolge de verwerping van de cassatieberoepen verkrijgt de beslissing op de strafvordering voor wat betreft de eisers I kracht van gewijsde. In zoverre hun cassatieberoepen ook gericht zijn tegen de beslissingen over hun onmiddellijke aanhoudingen, hebben ze geen bestaansreden meer. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 326,22 euro, waarvan de eisers I 110,94 euro zijn verschuldigd en de eiser II en de eiser III elk 107,64 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.