← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Verwittiging van het zwijgrecht - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Verdachte die zich tijdens het verhoor bevindt in een bijzonder kwetsbare positie - Verhoren van de verdachte afgenomen vóór de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6 Wetboek van Strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Het recht van toegang tot de advocaat houdt in dat vanaf het ogenblik van de vrijheidsberoving de verdachte contact kan hebben met een advocaat en er vertrouwelijke aanwijzingen kunnen worden gegeven, alsook dat de advocaat bij de verhoren tijdens het vooronderzoek fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend; dit recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ontzegd indien daartoe dwingende redenen zijn; dat zal slechts uitzonderlijk het geval zijn, die redenen hebben noodzakelijk een tijdelijk karakter en ze kunnen slechts worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om in een bepaalde zaak een ernstige aantasting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen; een beperking van het recht van toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden

(1).
(1)EHRM 9 november 2018, Beuze t/België, §137-138, www.echr.coe.int. Zie ook de verwijzingen aangehaald in de concl. OM in de zaken Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1190.N-P.21.1222.N., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Inhoud en doel van deze waarborg - Beperking van de waarborg wegens dwingende redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Inhoud en doel van deze waarborg - Beperking van de waarborg wegens dwingende redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat leidt bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM; het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast; bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties

(1).
(1)EHRM 9 november 2018, Beuze t/België, §150 en 166, www.echr.coe.int. Zie ook de verwijzingen aangehaald in de concl. OM in de zaken Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1190.N-P.21.1222.N., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Criteria vooropgesteld in het arrest Beuze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 november 2018 - Toepassing van de criteria op verhoren afgenomen vóór het arrest Beuze - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Criteria vooropgesteld in het arrest Beuze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 november 2018 - Toepassing van de criteria op verhoren afgenomen vóór het arrest Beuze - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1205.N L R H G A, verzoeker tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Patrick Dillen, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 22 september 2021, vraagt de verzoeker op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 29 november 2016 in de zaak P.16.0908.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.

  1. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
  2. Bij arrest van 2 juni 2016 veroordeelde het hof van beroep te Antwerpen de verzoeker tot een gevangenisstraf van zes jaar en een geldboete van 6.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 33.000,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, alsook tot de bijdragen, de vergoeding en de kosten wegens pogingen tot invoer van cocaïne in vereniging en deelname aan de beslissingen van een criminele organisatie.
  3. De verzoeker stelde tegen dit arrest cassatieberoep in en voerde daarbij in een tweede middel schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, omdat de appelrechters zich voor hun beslissing over de schuldvraag hadden gesteund op verklaringen die de verzoeker had afgelegd zonder bijstand van een raadsman en zonder dat hij werd gewezen op het recht om zichzelf niet te beschuldigen en het recht om te zwijgen.
  4. Bij arrest P.16.0908.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6 van 29 november 2016 verwierp het Hof het cassatieberoep van de verzoeker. In antwoord op het voormelde middel oordeelde het Hof dat de door de appelrechters aangehaalde redenen om te oordelen dat het recht op een eerlijk proces gedurende het geheel van de rechtspleging gevrijwaard is gebleven en er bijgevolg geen reden is om de verklaringen van de verzoeker als bewijsmiddel te weren, de beslissing naar recht konden verantwoorden.
  5. Op 26 mei 2017 legde de verzoeker bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) een verzoekschrift (nr. 39393/17) neer waarin om dezelfde redenen opnieuw schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM werd aangevoerd. Daarover besliste het EHRM, derde afdeling, op 23 maart 2021 eenparig als volgt: - er wordt akte genomen van de verklaring van de Belgische regering betreffende artikel 6.1 EVRM en van de daarin vastgestelde modaliteiten om de aangegane verbintenissen in acht te nemen; - de zaak wordt bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM doorgehaald. Op 15 april 2021 bracht het EHRM deze beslissing ter kennis van de verzoeker.
  6. Uit de voormelde beslissing van het EHRM blijkt dat de Belgische regering met het oog op het oplossen van de in het verzoekschrift van de verzoeker opgeworpen kwestie bij brief van 17 maart 2020 een eenzijdige verklaring heeft afgelegd, waarin zij (ro 9): - erkent dat de aan het verzoek onderliggende feiten zich vóór de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 hebben voorgedaan en dat er in dit dossier sprake is van een schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM doordat de verzoeker niet in alle fasen voorafgaand aan het strafproces door een raadsman werd bij¬gestaan; - rekening houdend met de erkenning van deze schending en de inmiddels genomen maatregelen om daaraan te verhelpen, de doorhaling van de zaak van de rol vraagt tegen betaling aan de verzoeker van een bedrag van 4.000,00 euro als vergoeding voor morele schade, kosten en uitgaven; - aangeeft dat de zogeheten Salduz-wetten van 2011 en 2016 thans, in overeenstemming met het EVRM, a priori de bijstand van een raadsman in de fase voorafgaand aan het strafproces regelen en dat de aan het verzoek onderliggende feiten daarom niet langer algemene maatregelen noodzaken om soortgelijke situaties in de toekomst te vermijden; - voor wat de persoonlijke maatregelen betreft, verwijst naar de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering die de voorwaarden bepalen tot heropening van de rechtspleging. De verzoeker heeft bij brief aan het EHRM meegedeeld zich niet in de door de Belgische regering voorgestelde voorwaarden te kunnen vinden (ro 10).
  7. De eenzijdige verklaring door de Belgische regering en de ter zake gevoerde betwistingen worden door het EHRM in essentie als volgt beoordeeld: - de zaak betreft het recht op een eerlijk proces waarin begrepen het recht op de toegang tot een raadsman gedurende alle fasen vanaf het ogenblik van de aanhouding tot aan het strafproces. Daartoe hoort ook een voldoende uitdrukkelijke en voorafgaande mededeling van het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te beschuldigen (ro 14); - in deze aangelegenheid heeft de Grote Kamer van het EHRM de situatie in België voorafgaand aan de zogeheten Salduz-wetten zowel naar recht als in de praktijk grondig onderzocht in het arrest Beuze (nr. 71409/10 van 9 november 2018), waarbij eveneens rekening werd gehouden met betreffende rechtspraak van het Hof van Cassatie sedert het arrest Salduz (nr. 36391/02 van 27 november 2008) (ro 14). De voorliggende zaak is te kaderen als vervolg op het voormelde onderzoek van de Grote Kamer en op de sluiting van de zaak Beuze bij resolutie van het Comité van ministers van 5 februari 2020 (ro 18); - het voorgestelde bedrag van de schadevergoeding komt overeen met wat in vergelijkbare zaken wordt toegekend en wat daarover in beginsel is geoordeeld in het arrest Beuze (ro 15); - het staat aan het Hof van Cassatie om bij een aanvraag tot heropening de voorwaarden bepaald in de artikelen 442bis en 442quinquies Wetboek van Strafvordering te toetsen aan de eenzijdige verklaring. In het geval dat de verzoeker na het schrappen van de zaak van de rol op grond van de voorliggende eenzijdige verklaring, om de heropening van de rechtspleging zou verzoeken, kan in het licht van de rechtspraak van het EHRM en meer in het bijzonder het arrest Beuze, uit de bewoordingen van die verklaring niet worden afgeleid dat deze in beginsel niet zouden beantwoorden aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden bepaald in het Wetboek van Strafvordering. In zoverre is te verwijzen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 24 februari 2021 (P.20.1180.F) in een vergelijkbare zaak waarin werd beslist om de rechtspleging te heropenen nadat het EHRM akte had genomen van een eenzijdige verklaring van de Belgische regering en de zaak van de rol had geschrapt (ro 19). Ook de interpretatie die de Belgische regering daarover heeft gegeven in de zaak Willems en Gorjon, is daarmee overeenstemmend (ro 21); - voor wat betreft de beslissing van het Hof van Cassatie tot niet-heropening van de rechtspleging in de zaken Willems en Gorjon (P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 en P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 van 2 oktober 2018), heeft het EHRM op 28 mei 2019 beslist de oorspronkelijke verzoekschriften opnieuw op de rol te plaatsen overeenkomstig artikel 37.2 EVRM (ro 17); - gezien de aard van de toegevingen door de Belgische regering en het bedrag van de voorgestelde schadevergoeding, alsmede vooral in het licht van de duidelijke en veelvuldige rechtspraak van het EHRM, is verder onderzoek van het verzoek niet gerechtvaardigd (ro 22 en 23); - indien de regering de bepalingen van de eenzijdige verklaring niet naleeft, kan de zaak overeenkomstig artikel 37.2 EVRM opnieuw op de rol worden ingeschreven (ro 24). III. BESLISSING VAN HET HOF A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging
  8. Artikel 442bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wat betreft de strafvordering de heropening van de rechtspleging kan worden gevraagd in geval van een beslissing van het EHRM waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending overeenkomstig artikel 37.1 EVRM en het dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.
  9. Volgens artikel 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om de heropening van de rechtspleging te vragen aan de veroordeelde.
  10. Het verzoekschrift dat getekend is door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, voldoet aan de in artikel 442quater, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde vorm- en tijdsvoorwaarden.
  11. Uit de hierboven vermelde unilaterale verklaring van de Belgische regering en de beoordeling ervan door het EHRM met de voormelde beslissing van 23 maart 2021, zoals die werd medegedeeld op 15 april 2021, volgt dat het Hof van Cassatie door de redenen van de appelrechters aan te nemen om in het licht van het geheel van de rechtspleging de verklaringen van de verzoeker niet als bewijsmiddel te weren, het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de toegang tot een raadsman in alle fasen tot aan het strafproces heeft miskend. Deze verklaringen werden afgelegd zonder bijstand van een raadsman en zonder dat de verzoeker werd gewezen op het recht om zichzelf niet te beschuldigen en het recht om te zwijgen, niettegenstaande hij zich omwille van zijn vrijheidsberoving in een bijzonder kwetsbare positie bevond. De appelrechters hebben zich voor hun beslissing over de schuldvraag bovendien wel degelijk op deze verklaringen gesteund en evenmin is uit te sluiten dat deze hebben gediend om de overtuiging van de appelrechters die verkregen werd op grond van ander bewijselementen, te bevestigen.
  12. De aldus vastgestelde schending van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM als gevolg van een procedurefout of –tekortkoming is dermate ernstig dat ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Het Hof van Cassatie had immers anders kunnen oordelen dan het met het arrest van 29 november 2016 heeft gedaan.
  13. Gelet op de nog lopende detentie in uitvoering van zijn veroordeling van 2 juni 2016 blijft de verzoeker zeer ernstige nadelige gevolgen ondervinden van de bestreden rechtspleging, die slechts door een heropening kunnen worden hersteld.
  14. De in de artikelen 442bis en 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde voorwaarden zijn verenigd. Er is grond tot heropening van de rechtspleging en intrekking van het arrest P.16.0908.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6 van 29 november 2016 in de hierna bepaalde mate. B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 juni 2016 Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt bij de schuldigverklaring van de eiser rekening te kunnen houden, zij het op niet-doorslaggevende wijze, met de verklaringen die hij heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat, zonder dat hij werd gewezen op het recht zichzelf niet te beschuldigen en zonder naleving van de cautieplicht, terwijl hij zich bevond in een kwetsbare positie ingevolge zijn vrijheidsberoving; de appelrechters mochten de beoordeling van de schuldvraag in het geheel niet steunen op die verklaringen.
  16. Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en in het bijzonder uitgelegd door het EHRM in het arrest van 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) vereist dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid is beroofd. Die vereiste geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering. Dit recht van toegang tot de advocaat houdt in dat vanaf het ogenblik van de vrijheidsberoving de verdachte contact kan hebben met een advocaat en er vertrouwelijke aanwijzingen kunnen worden gegeven, alsook dat de advocaat bij de verhoren tijdens het vooronderzoek fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend.
  17. Dit recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ontzegd indien daartoe dwingende redenen zijn. Dat zal slechts uitzonderlijk het geval zijn, die redenen hebben noodzakelijk een tijdelijk karakter en ze kunnen slechts worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om in een bepaalde zaak een ernstige aantasting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen. Een beperking van het recht van toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden.
  18. Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast. Bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties.
  19. Uit de redenen die het arrest bevat (p. 31-34), blijkt niet dat het onderzoekt of er dwingende redenen aanwezig waren om voor de eiser de toegang tot een advocaat te ontzeggen, alsook of bij afwezigheid daarvan en met afdoende toepassing van de voormelde mogelijke elementen de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd niet onherstelbaar heeft aangetast. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Beveelt de heropening van de rechtspleging. Trekt het arrest in dat het Hof op 29 november 2016 met nummer P.16.0908.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6 heeft gewezen in zoverre dit arrest het tweede middel van het cassatieberoep van de eiser III tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 juni 2016 heeft verworpen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Vernietigt het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 juni 2016 in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eiser ingestelde strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van de rechtspleging tot heropening ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer. Bepaalt de kosten van de rechtspleging tot heropening op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Tamara Konsek, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210224.2F.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221130.2F.19 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.