← België

U. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 Rolnummer: C.20.0368.N Zaak: U. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-02-11 Raadplegingen: 1396 - laatst gezien 2026-06-19 05:37 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.6 Fiche 1 Wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt kan een vermogensverschuiving ongedaan worden gemaakt, waarbij de verrijking een daadwerkelijke baattrekking veronderstelt en dus ieder voordeel is waardeerbaar in geld dat kan bestaan ofwel in een vermogensaanwas, ofwel in een bevrijding of vermindering van een bepaalde verplichting

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Verbod van ongerechtvaardigde verrijking - Verrijking - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Fiche 2 De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep moet, in geval geldelijk waardeerbare vorderingen voorliggen, worden bepaald gelet op de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep, zoals die blijkt uit de beroepsakte dan wel de laatste appelconclusie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Geldelijk waardeerbare vorderingen - Rechtsplegingsvergoeding - Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2023, n° 6927, p. 85-
  1. - DE BOE, Cécile; VAN DROOGHENBROECK, Jean-François; Note'L'indemnité de procédure d'appel en présence d'une demande principale et d'une demande reconventionnelle' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0368.N
  2. L. U.,
  3. C. P., eisers, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 5 augustus 2020 (G.20.0110.N), vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
  4. J. P.,
  5. S. R.,
  6. P. nv, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen van 24 februari
  7. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 21 december 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  8. De eisers voeren de miskenning aan door de appelrechter van het begrip verrijking: de eisers hebben diverse sanerings- en onderhoudswerken uitgevoerd op het terrein van de camping van de verweerders die aan de verweerders kosten hebben bespaard waardoor deze werden verrijkt.
  9. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking kan een vermogensverschuiving worden ongedaan gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt. Een verrijking is ieder voordeel waardeerbaar in geld dat kan bestaan ofwel in een vermogensaanwas, ofwel in een bevrijding of vermindering van een bepaalde verplichting. Zij onderstelt een daadwerkelijke baattrekking.
  10. De appelrechter die vaststelt dat de eisers diverse werken hebben uitgevoerd en kosten hebben besteed, maar oordeelt dat niet blijkt dat de verweerders hieruit enig voordeel hebben gehaald of dat de waarde van de camping door deze activiteiten en kosten zou zijn gestegen en die op die gronden beslist dat er geen verrijking is, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Tweede middel
  11. Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
  12. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep moet, in geval geldelijk waardeerbare vorderingen voorliggen, worden bepaald gelet op de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep, zoals die blijkt uit de beroepsakte dan wel de laatste appelconclusie.
  13. Krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, zoals hier van toepassing, wordt de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen tussen 500.000,01 en 1.000.000,00 euro vastgesteld op een basisbedrag van 12.000,00 euro.
  14. De appelrechter stelt vast dat: - de eerste rechter de hoofdvordering van de verweerders tegen de eisers heeft toegekend ten bedrage van 72.000,00 euro en de tegenvordering van de verweerders tegen de eisers ten bedrage van in hoofdorde 482.205,45 euro en in ondergeschikte orde 330.688,69 euro heeft afgewezen; - de eisers hoger beroep hebben ingesteld met het oog op afwijzing van de in eerste aanleg toegekende hoofdvordering van de verweerders en toekenning van de in eerste aanleg afgewezen tegenvordering; - de verweerders in hoger beroep conclusie hebben genomen tot bevestiging van het beroepen vonnis.
  15. De appelrechter die met voormelde redenen vaststelt dat de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep is begrepen tussen 500.000,01 en 1.000.000,00 euro en zodoende besluit tot een basisrechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 12.000,00 euro, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.496,24 euro in debet waarvan 650 euro rolrecht in debet verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 3 februari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241104.3F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.