← België

A. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 202

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep van de beklaagde - Laattijdig ingesteld hoger beroep - Termijn - Laattijdig ingesteld hoger beroep - Overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 202

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 203- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1447.N H A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Terninckstraat 13 bus C1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen Frederik DE VULDER, met kantoor te 1780 Wemmel, Koningin Astridlaan 59 bus 3, als curator van het faillissement van LEXETER BELGIUM nv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 14 EVRM, de artikelen 14 en 26 IVBPR en artikel 203 Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert ten onrechte aan te nemen dat eisers laattijdig hoger beroep een gevolg is van overmacht; de griffier had tijdens de coronanoodtoestand bij e-mail meegedeeld dat de uitspraak zou worden uitgesteld naar een nader te bepalen datum; aldus had hij het vertrouwen opgewekt dat die laatste datum hem via hetzelfde digitale medium zou worden meegedeeld, minstens dat er zou worden gemeld dat er een nieuwe datum voor uitspraak was gekend; het koninklijk besluit van 9 april 2020 voorzag bovendien in een regeling voor de kennisgeving van uitspraken door de griffies; aan de eiser kan geen enkele fout worden verweten.
  4. Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor het arrest artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR betreffende het discriminatieverbod, miskent.
  5. Het middel verduidelijkt evenmin de relevantie van een niet nader aangeduid koninklijk besluit van 9 april
  6. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  7. Overmacht die de ontvankelijkheid van een laattijdig ingesteld hoger beroep verantwoordt, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden.
  8. Het appelgerecht kan het bestaan van overmacht uitsluiten op grond van de vaststelling dat de appellant niet de nodige voorzorgen heeft genomen om de toestand die hij als overmacht aanvoert, te vermijden.
  9. Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandigheden bij het instellen van hoger beroep een geval van overmacht uitmaken.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. De eiser heeft ter staving van zijn verweer dat er voor het instellen van hoger beroep op 13 mei 2020 tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van 13 maart 2020 overmacht moet worden aangenomen, aangevoerd dat: - de griffier van de betrokken kamer hem op 27 februari 2020 een e-mail heeft toegestuurd waarbij de partijen in kennis werden gesteld dat de uitspraak in de zaak, welke was vastgesteld voor de rechtszitting van 28 februari 2020, zou worden uitgesteld naar een nader te bepalen datum; - deze e-mail geen nieuwe uitspraakdatum vermeldt; - de eiser evenmin in kennis werd gesteld van het feit dat het vonnis vervolgens op 13 maart 2020 werd uitgesproken; - hij verrast was toen hij op 16 april 2020 vernam dat er inmiddels vonnis was geveld en dat de griffie door het versturen van het e-mailbericht op 27 februari 2020 de indruk gaf, zeker gelet op de toen heersende coronacrisis, dat hij minstens per e-mailbericht in kennis zou worden gesteld van de nieuwe uitspraakdatum, in welk geval hij de termijn om hoger beroep in te stellen wel degelijk zou hebben gerespecteerd.
  12. Het arrest verwerpt eisers aanvoering betreffende overmacht op de volgende gronden: - uit het e-mailbericht van 27 februari 2020 kon de eiser niet het gerechtvaardigd vertrouwen afleiden dat hij door de griffier in kennis zou worden gesteld van de nieuwe uitspraakdatum of van het feit dat het vonnis op 13 maart 2020 werd uitgesproken; - het stond aan de eiser om zich, onverminderd de coronacrisis, vanaf 28 februari 2020 op de correctionele griffie te informeren naar de datum waarnaar de zaak voor uitspraak was verdaagd. Het arrest kan op grond van deze redenen wettig oordelen dat er voor de eiser geen sprake is van een situatie van overmacht en dat eisers hoger beroep bijgevolg laattijdig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090408.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130212.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.